RECHTBANK OOST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/01/422395 / FA RK 26-86
Datum uitspraak: 23 januari 2026
Beschikking over een klacht en een verzoek om schadevergoeding ex artikel 10:7 juncto artikel 10:11, tweede lid, van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)
In de zaak van
[verzoekster]
Geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
verblijvend in [verblijfplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
advocaat: mr. M. Rafik,
tegen
STICHTING GGzE,
gevestigd in Eindhoven,
hierna te noemen: verweerster.
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen van verzoekster van 8 januari 2026.
Naar aanleiding van het verzoekschrift heeft de rechtbank op 13 januari 2026 een brief gestuurd naar de advocaat van verzoekster met het verzoek om aanvulling van het verzoekschrift in het licht van artikel 278 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waaruit blijkt welke partijen verzoekster concreet bij deze procedure wil betrekken en op welke gronden het verzoek gestoeld is. De verzoekster is, gelet op de beperkte termijnen die klachtzaken met zich meebrengen, in de gelegenheid gesteld om uiterlijk vrijdag 16 januari 2026 het verzoek inclusief oorspronkelijk klaagschrift aan te vullen, na welke termijn de rechtbank het verzoek zal behandelen en de gevolgtrekking maken die zij gerade acht.
De rechtbank heeft geen nadere toelichting en/of stukken ontvangen binnen de gestelde termijn. Op 21 januari 2026 heeft de rechtbank nog een bericht van de advocaat ontvangen, die echter geen inhoudelijke aanvulling of reden van verzuim betrof. Op grond van de ontvangen stukken heeft de rechtbank besloten geen mondelinge behandeling te plannen, maar de zaak schriftelijk af te doen.
2. De beoordeling
Verzoekster heeft een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank ter verkrijging van een beslissing over een klacht en ter verkrijging van een schadevergoeding. De rechtbank stelt vast dat het verzoekschrift hiertoe incompleet is en dat verzoekster tevens geen, althans onvoldoende gronden heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar verzoekschrift. Dit verzuim is ook niet binnen een daartoe gestelde termijn hersteld. Verzoekster zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
3. De beslissing
De rechtbank:
verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026 door mr. W.S. Badri, rechter, in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.