ECLI:NL:RBOBR:2026:2359

ECLI:NL:RBOBR:2026:2359

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 15-04-2026
Zaaknummer 01.092977.24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Wettig en overtuigend bewezen poging zware mishandeling. Geen sprake van een noodweersituatie en daarom ook geen geslaagd beroep op noodweerexces. Schoppen tegen lichaam en hoofd. Eigenrichting. Opgelegd wordt een taakstraf van 80 uur subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 40 dagen subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Vordering tot betaling van materiële en immateriële schade deels toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [01.092977.24]

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.092977.24

Datum uitspraak: 15 april 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1997] ,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

geslagen en/of
geschopt en/of

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 maart 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

T.a.v. primair:

hij,

op of omstreeks 14 maart 2024 te Hoogeloon, gemeente Bladel

aan [slachtoffer] ,

opzettelijk,

zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk in de neus en/of oogkas en/of schedel en/of letsel aan de neus en/of het gezicht,

heeft toegebracht door voornoemde [slachtoffer] (meermalen):

- tegen het hoofd en/of lichaam te slaan en/of

- tegen het hoofd en/of lichaam te te schoppen en/of

- tegen de borst en/of het lichaam te duwen;

T.a.v. subsidiair:

hij,

op of omstreeks 14 maart 2024 te Hoogeloon, gemeente Bladel,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer] ,

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

- (meermalen) tegen het hoofd en/of lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft

- (meermalem) tegen het hoofd en/of lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft

- (meermalen) tegen de borst en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft

geduwd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

T.a.v. meer subsidiair:

hij, op of omstreeks 14 maart 2024 te Hoogeloon, gemeente Bladel, [slachtoffer] , heeft mishandeld, door (meermalen) tegen het hoofd en/of de borst en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer] te slaan en/of schoppen en/of duwen; ( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Inleiding.

Op 14 maart 2024 omstreeks 17:57 uur kwam bij de politie een melding binnen dat aan de [adres 2] in Hoogeloon een man in elkaar was geslagen. Ook zou er overal het woord “PEDO” op de ramen zijn geschreven.

Door [slachtoffer] is aangifte gedaan van mishandeling en beschadiging van zijn auto en huis.

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat zijn moeder naar [slachtoffer] is gegaan om diens auto en huis te bekladden en dat hij op een afstandje heeft staan wachten. Toen hij zijn moeder en aangever heeft horen roepen is hij er naartoe gerend, heeft hij de aangever een duw gegeven, waardoor deze op de grond viel en heeft hij aangever vervolgens een harde trap tegen het hoofd gegeven. Aangever heeft hierdoor letsel aan neus en hoofd opgelopen.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert vrijspraak voor de primair tenlastegelegde “zware mishandeling” wegens een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. De subsidiair tenlastegelegde “poging tot zware mishandeling” kan wel wettig en overtuigend worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft eveneens het standpunt ingenomen dat geen sprake is van zware mishandeling, zodat verdachte van het primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Gelet op de door verdachte afgelegde bekennende verklaring en de bewegende beelden kunnen de subsidiair tenlastegelegde handelingen, en daarmee de poging tot zware mishandeling, worden bewezen.

Het oordeel van de rechtbank.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het geconstateerde letsel niet gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Wetboek van Strafrecht.

Daarmee is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde te kunnen komen. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van de tenlastegelegde zware mishandeling.

Op grond van:

acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd om de aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Door hem een harde trap tegen het hoofd te geven heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijk kans aanvaard dat hij aangever zwaar zou verwonden.

Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaat de rechtbank met bovenstaande opgave van de bewijsmiddelen en zijn zij niet uitgewerkt.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven genoemde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

T.a.v. subsidiair:

op 14 maart 2024 te Hoogeloon, gemeente Bladel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, - tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen en - tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft geschopt en - tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het feit en de dader.

Het standpunt van de verdediging.

Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft gesteld dat verdachte, door zijn gedragingen weliswaar de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar dat deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een door de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding veroorzaakte, hevige gemoedsbeweging.

Verdachte is met zijn moeder naar Hoogeloon gereden. Hij wist dat zijn moeder daar de woning van [slachtoffer] zou gaan bekladden met een spuitbus met verf.

Verdachte stond op enige afstand van de woning toen hij zijn moeder en (de hem onbekende) [slachtoffer] ruzie hoorde maken en zijn moeder angstig hoorde schreeuwen. Hij is toen naar hen toegerend. Verdachte ontkent de in de tenlastelegging genoemde handelingen niet, maar stelt dat hij zijn moeder op dat moment heeft moeten verdedigen omdat zij werd aangevallen door genoemde [slachtoffer] en omdat hij meende te zien dat zijn moeder onder het bloed zat. Verdachte dient dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft kort gezegd het standpunt ingenomen dat er geen sprake was van een wederrechtelijke aanval op de moeder van verdachte. Aangever mocht zijn goederen beschermen en deed dat ook. Daarmee komt verdachte geen beroep op noodweer en dus ook geen beroep op noodweerexces toe.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op noodweerexces allereerst sprake moet zijn van een noodweersituatie, te weten een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding (dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvan).

Uit het dossier, waaronder camerabeelden, komt immers het volgende naar voren.

Verdachte wist toen hij zijn moeder naar Hoogeloon reed wat zij van plan was. Op de camerabeelden is te zien dat zijn moeder de ramen van de woning en de auto van [slachtoffer] met een spuitbus met rode verf bekladt met de woorden “PEDO”.

Terwijl de moeder van verdachte verf op de voordeur van de woning spuit doet [slachtoffer] deze open. Moeder doet een paar stappen terug en [slachtoffer] komt op haar af en tracht haar ervan te weerhouden de spuitbus verder te gebruiken. Moeder houdt vervolgens de spuitbus in de richting van/tegen het gezicht van [slachtoffer] en duwt hem van zich af.

Vervolgens komt verdachte aangerend. Te zien is dat hij [slachtoffer] , die net daarvoor door de moeder van verdachte van zich af is geduwd, direct en met zijn hele lichaam, een forse duw geeft, waarop [slachtoffer] op de grond valt. Verdachte geeft daarop de nog op de grond liggende [slachtoffer] met zijn rechtervoet een harde trap tegen - zoals verdachte ter zitting heeft bekend - diens hoofd.

Uit de hiervoor uiteen gezette gang van zaken volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [slachtoffer] niets anders deed dan zijn goed (zijn huis) te beschermen tegen de handelingen van de moeder van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank mocht hij dit doen en is hij hierin niet doorgeschoten. [slachtoffer] handelde hiermee niet wederrechtelijk en was niet de agressor. Hij was ook niet in fysiek contact met moeder toen verdachte kwam aangerend. Op de beelden is te zien dat de moeder van verdachte [slachtoffer] namelijk van zich af had geduwd. Op de beelden is niet te zien dat [slachtoffer] daarna opnieuw richting moeder beweegt.

De rechtbank is dan ook, met de officier van justitie, van oordeel dat verdachte de hem verweten gedragingen niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van zijn moeder tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Van een noodweersituatie was derhalve geen sprake.

Nu naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is geweest van een noodweersituatie slaagt het beroep op noodweerexces reeds daarom niet.

Het verweer wordt verworpen.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Hoewel geen sprake is geweest van noodweer(exces) verdisconteert de officier van justitie de achtergrond van de situatie in de strafeis.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

In het geval er wel een straf opgelegd wordt kan de verdediging zich vinden in de strafeis.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een 75-jarige man. Hij heeft het slachtoffer hard geduwd en heeft hem, nadat hij op de grond was gevallen, hard tegen diens hoofd geschopt. Het bewezenverklaarde betreft een ernstig geweldsdelict. Het slachtoffer werd vervolgens door verdachte (en zijn moeder) hulpeloos en bebloed achtergelaten.

De rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte, als gevolg van spanningen en zorgen om zijn moeder, verkeerde keuzes heeft gemaakt.

Hoewel verdachte wellicht op dat moment de overtuiging had dat het slachtoffer zijn moeder aanviel en dat het slachtoffer zijn moeder in het verleden seksueel zou hebben misbruikt, is het door verdachte toegepaste geweld op te vatten als een ernstige vorm van eigenrichting, die onacceptabel is.

Verdachte heeft door zijn handelen een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en zijn lichamelijke integriteit aangetast. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat het geweld een grote indruk op het slachtoffer heeft gemaakt.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank de proceshouding van verdachte mee, evenals het feit dat hij nooit eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen en zijn leven goed op de rit heeft. Daarbij komt dat uit het dossier blijkt dat verdachte in eerste instantie zijn moeder heeft willen weerhouden om naar Hoogeloon te gaan en heeft willen voorkomen dat zijn moeder de confrontatie met het slachtoffer aan zou gaan. Toen hem bleek dat zij desalniettemin wilde gaan en anders alleen zou gaan zag hij geen andere opties en ging hij mee om haar te beschermen. Dit alles vond plaats tegen de achtergrond van vermeend seksueel misbruik van zijn moeder door het slachtoffer.

Hoewel voor dit soort feiten in de regel gevangenisstraf wordt opgelegd zal de rechtbank, in aansluiting op de strafeis van de officier van justitie rekening houden met de hiervoor genoemde bijzondere omstandigheden en aan verdachte een taakstraf opleggen.

Deze taakstraf zal deels voorwaardelijk worden opgelegd om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst een soortgelijk delict te plegen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Inleiding.

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van 12.776,12 euro ingediend vanwege materiële (2.776,12 euro) en immateriële (10.000,00 euro) schade die hij als gevolg van het aan verdachte (poging tot zware mishandeling) én zijn moeder als andere verdachte (beschadiging huis en auto, parketnummer 01-188811-24, in welke zaak eveneens heden uitspraak wordt gedaan) ten laste gelegde zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tevens is verzocht om een hoofdelijke toekenning van de proceskosten conform het liquidatietarief (2 punten).

Ter zitting is namens de benadeelde partij aangegeven dat de vordering in beide zaken dient te gelden en niet alleen in de strafzaak van de moeder van verdachte, maar dat de materiële kosten met betrekking tot de schade aan de auto en de deur in de zaak tegen de moeder van verdachte gevorderd worden en de overige schade in de zaak van verdachte.

Nu de vordering in volle omvang in beide strafzaken is ingediend zal de rechtbank de vordering in beide strafzaken beoordelen, maar zal gelet op de verschillende verwijten per verdachte, de schadeposten behandelen bij de feiten waarbij zij logischerwijs passen, met uitzondering van generieke posten zoals de proceskosten.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de op verdachte van toepassing zijnde materiële schade en de immateriële schade tot een bedrag van 9.000,00 euro dient te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De proceskosten dienen hoofdelijk te worden toegewezen.

Voor het overige dient te benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Het standpunt van de verdediging.

Omdat de verdediging zich op het standpunt heeft gesteld dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Subsidiair heeft de verdediging zich wat betreft de toekenning van schadevergoeding en proceskosten op het standpunt gesteld dat niet vastgesteld kan worden dat het eigen risico van de ziektekostenverzekering aan dit voorval is besteed, terwijl het op de weg van de benadeelde ligt om dat aan te tonen.

De benadeelde partij heeft bovendien portokosten gemaakt terwijl de stukken ook per mail toegezonden konden worden. Daarmee heeft hij niet voldaan aan de schadebeperkingsplicht.

Het immateriële gedeelte is aan de hoge kant en de aangehaalde uitspraken passen niet bij deze casus. Het bedrag dient gematigd te worden.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank zal hieronder per gevorderde post haar oordeel geven.

Medische kosten

De rechtbank acht de gevorderde schadepost ‘paracetamol’ van 1,39 euro voldoende onderbouwd en toewijsbaar. Van de gestelde schadepost “eigen risico” kan de rechtbank niet vaststellen of de benadeelde partij daadwerkelijk zijn hele verplicht gestelde eigen risico voor zijn zorgverzekering van het jaar 2024 heeft moeten aanspreken voor medische kosten die zijn gemaakt als gevolg van het strafbare handelen door verdachte. De benadeelde partij zal ten aanzien van dit onderdeel niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de beoordeling hiervan naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ziekenhuisdaggeldvergoeding

De rechtbank acht de gevorderde schadepost van 35,00 euro voldoende onderbouwd en toewijsbaar.

Reis- en verblijfkosten

De rechtbank acht de gevorderde schadeposten van in totaal 34,12 euro voldoende onderbouwd en toewijsbaar.

(Overige) materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade onder deze post: schade aan huis en auto niet is veroorzaakt door het bewezenverklaarde. De benadeelde partij zal ten aanzien van dit onderdeel niet-ontvankelijk worden verklaard.

Telefoon-, kopieer- en portokosten

De rechtbank acht de gevorderde schadepost van 25,00 euro voldoende onderbouwd en toewijsbaar.

Immateriële schade

Op grond van artikel 6:106, sub b, van het Burgerlijk Wetboek komt de benadeelde partij onder meer een vergoeding toe voor immateriële schade als er sprake is van lichamelijk letsel en/of het slachtoffer op andere wijze in de persoon is aangetast.

De rechtbank stelt op grond van het strafdossier, de onderbouwing van de benadeelde partij en de schriftelijke slachtofferverklaring vast dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Dat het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit, bij zijn eigen woning, heeft plaatsgevonden gevoelens van angst en stress teweeg hebben gebracht, acht de rechtbank aannemelijk. De rechtbank betrekt hierbij ook de hogere leeftijd van de benadeelde partij. Hij was immers 75 jaren oud toen dit incident plaatsvond.

De mate waarin de benadeelde psychische schade heeft opgelopen is (vooralsnog) echter moeilijk vast te stellen. De rechtbank zal gebruikmaken van haar schattingsbevoegdheid en acht in ieder geval een bedrag van 2.500,00 euro passend en toewijsbaar. Het resterende deel van de vordering van immateriële schade zal niet-ontvankelijk worden verklaard. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van dit deel van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Proceskosten

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op 720,00 euro ter zake van kosten rechtsbijstand overeenkomstig het liquidatietarief kantonzaken.

De rechtbank stelt vast dat dit onderdeel van de vordering is ingediend tegen verdachte en zijn moeder die een ander strafbaar feit heeft gepleegd jegens de benadeelde partij, waaruit schade is ontstaan. Daarom zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de door hem gemaakte proceskosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag (exclusief de proceskosten) tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit geldt eveneens voor het geval verdachte dan wel de verdachte in de andere zaak een betaling aan de benadeelde partij dan wel de Staat heeft gedaan, uitsluitend voor zover er sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

- verklaart het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

T.a.v. subsidiair:

poging tot zware mishandeling.

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregel:

T.a.v. subsidiair:

 Een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

 Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 2.595,51 euro.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit 95,51 euro materiële schade (posten "paracetamol", "ziekenhuisdaggeldvergoeding", "reis- en verblijfskosten", "telefoon-, kopieer en portokosten") en 2.500,00 euro immateriële schade.

De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

 Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 95,51 euro materiële schade (posten "paracetamol", "ziekenhuisdaggeldvergoeding", "reis- en verblijfskosten", "telefoon-, kopieer en portokosten") en 2.500,00 euro immateriële schade.

De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op 720,00 euro

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of de medeverdachte wat betreft de proceskosten aan een van beide betalingsverplichtingen heeft/hebben voldaan, de andere vervalt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,

mr. C.W.H. Houg en mr. B. Damen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier,

en is uitgesproken op 15 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.A. Mandemakers
  • mr. C.W.H. Houg
  • mr. B. Damen

Griffier

  • mr. C.A.M. Wentholt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?