RECHTBANK OOST-BRABANT
Parketnummer: [01.268180.25]
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.268180.25
Datum uitspraak: 15 april 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2003] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 januari 2026 en 1 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 december 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 11 oktober 2025 te Liempde, gemeente Boxtel, althans in Nederland
opzettelijk heeft vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 6539,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Inleiding.
Op 11 oktober 2025 is de auto waarin verdachte reed bij een tankstation aan de rijksweg A2, gelegen in Liempde, gemeente Boxtel, gecontroleerd.
In de kofferbak van de auto werd een open big-shopper aangetroffen met daarin zwarte, in tape/plastic verpakte blokken. In een zwarte vuilniszak bij de bijrijdersstoel werden nog eens twee soortgelijke blokken aangetroffen.
Verdachte is vervolgens aangehouden op verdenking van het bezit van harddrugs. Het bleek te gaan om zes blokken van meer dan een kilo cocaïne per stuk.
Verdachte heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij de vraag kreeg om de zes blokken ‘van A naar B te brengen’ en dat hij hier een paar honderd euro voor zou krijgen. Verdachte wist dat het om cocaïne ging.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen voor het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging betwist de rechtmatigheid van de doorzoeking van de auto van verdachte. Kernachtig weergegeven heeft de verdediging aangevoerd dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek ex art. 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Er was geen juridische grondslag om het voertuig te doorzoeken. Daarbij komt dat de verbalisanten hierover onjuist en onvolledig hebben geverbaliseerd. Deze vormverzuimen zijn onherstelbaar en het rechtssysteem is op ernstige en onherstelbare wijze ondermijnd. Het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM) en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van verdachte (art. 8 EVRM) zijn geschonden. Als consequentie hiervan moet de bij de doorzoeking aangetroffen cocaïne worden uitgesloten van het bewijs. Voor het overige is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verdachte dient daarom vrijgesproken te worden van hetgeen hem ten laste is gelegd. Subsidiair heeft de verdediging voorwaardelijk verzocht om de verbalisanten te horen als getuigen indien de rechtbank niet tot een vrijspraak zou komen.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank volgt de verdediging niet in het standpunt dat er sprake is van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. De rechtbank zal daarom ook niet overgaan tot bewijsuitsluiting en komt tot een bewezenverklaring van het aan verdachte ten laste gelegde. Voor een heropening van het onderzoek en het horen van de verbalisanten als getuigen ziet de rechtbank geen aanleiding. Hieronder zal de rechtbank dit toelichten.
De bewijsmiddelen
Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis wordt, voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage.
De beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Bewijsoverwegingen.
De rechtbank zal eerst stilstaan bij het verweer van de verdediging dat er sprake zou zijn van onjuist verbaliseren. Daarna zal het verweer besproken worden dat er zonder wettelijke basis een doorzoeking heeft plaatsgevonden.
Ten aanzien van verweer ‘het onjuist verbaliseren’
Naar aanleiding van verweren van de verdediging in de voorlopige hechtenisfase heeft de politie in aanvullende processen-verbaal verduidelijkt hoe een en ander rond de controle is verlopen. Voor zover er in eerste instantie al onjuist geverbaliseerd zou zijn, is dat gebrek met de nadere processen-verbaal hersteld, zodat niet gesproken kan worden van een onherstelbaar vormverzuim. De rechtbank ziet, anders dan de verdediging, geen begin van aannemelijkheid dat sprake is van het bewust weglaten van gegevens in de processen-verbaal. Gelet hierop ziet de rechtbank geen reden om over te gaan tot bewijsuitsluiting.
Ten aanzien van verweer ‘onrechtmatige doorzoeking’
De rechtbank stelt voorop dat het uitoefenen van controlebevoegdheden als bedoeld in artikel 160, eerste en vierde lid, WVW 1994 verband dient te houden met de naleving van de bij of krachtens de WVW 1994 gegeven voorschriften. Indien daadwerkelijk inzage is gevorderd in het rijbewijs en/of de kentekenpapieren van het voertuig en vervolgens daadwerkelijk de technische staat van het voertuig is gecontroleerd, mag worden aangenomen dat de bevoegdheden van artikel 160, eerste en vierde lid, WVW 1994 zijn uitgeoefend ter controle van de naleving van de bij of krachtens de WVW 1994 vastgestelde voorschriften. Zolang een dergelijke controlebevoegdheid, uitgevoerd door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, mede is uitgeoefend ter controle van de naleving van de bij of krachtens de WVW 1994 vastgestelde voorschriften als bedoeld in het eerste en het vierde lid van artikel 160 WVW 1994 is die uitoefening in beginsel rechtmatig, ook indien die bevoegdheid daarnaast het verrichten van opsporingshandelingen mogelijk maakt waarop deze bepalingen niet zien. Die omstandigheid brengt immers nog niet mee dat de controlebevoegdheid uitsluitend is gebruikt voor een ander doel – te weten: voor het verrichten van opsporingshandelingen – dan waarvoor deze is verleend.
Uit de verschillende processen-verbaal maakt de rechtbank op dat de politie op grond van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) WVW 1994 een controle heeft verricht. Verdachte ontving een volgteken en werd gevraagd naar zijn rij- en kentekenbewijs, dat werd overhandigd. Vervolgens heeft de politie meegedeeld dat de auto van verdachte bekeken ging worden op de technische staat. De politie heeft vervolgens een technische controle van de auto uitgevoerd.
Bij het openen van het kofferdeksel, ter controle van de scharnieren daarvan, heeft de politie een bigshopper gezien, die zich achter het kofferdeksel bevond. De tas stond open en de politie zag in de tas zwarte in tape of plastic verpakte blokken die direct herkend werden als blokken harddrugs. Daarmee ontstond daadwerkelijk een verdenking jegens verdachte, waarna de politie op grond van artikel 96b Sv de auto heeft doorzocht en de andere twee blokken in een zwarte vuilniszak bij de passagiersstoel heeft aangetroffen.
Anders dan de verdediging stelt, was er, voordat de bigshopper in de kofferbakruimte werd gezien, geen sprake van een ‘doorzoeking’. Nu de politie daadwerkelijk controle heeft verricht naar de technische staat van de auto is de uitoefening van deze bevoegdheid op grond van de WVW 1994 rechtmatig. Het feit dat uit een ANPR-hit bleek dat het voertuig waarin verdachte reed ooit is gelinkt aan ‘bezit softdrugs’ doet aan het voorgaande niet af. De politie heeft uitgelegd dat dit voor de politie een ‘plusje’ vormde om dit voertuig te selecteren voor de controle op grond van de WVW 1994, die daarop ook daadwerkelijk plaatsvond. Er kan dus niet worden gezegd dat de controlebevoegdheid uitsluitend voor een ander doel is gebruikt dan waarvoor deze is verleend.
De verdediging heeft bepleit dat het openen van een kofferdeksel het betreden van een voertuig inhoudt en dat dit pas mag na toestemming van de bestuurder of nadat er een verdenking is van een strafbaar feit. Daarmee wordt miskend dat het openen van een kofferdeksel een handeling is die, mits uitgeoefend in het kader van een controlebevoegdheid op grond van de WVW 1994, toelaatbaar is en op zichzelf geen betreding van een voertuig of een doorzoeking van een voertuig betekent. Uit de Regeling Voertuigen, artikel 5.2.41 sub 2, volgt dat de wijze van controle van de werking van de scharnieren van het kofferdeksel bestaat uit een visuele controle, waarbij het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. Het openen van het kofferdeksel van de auto waarin verdachte reed, gebeurde ter controle van de scharnieren daarvan en vond dus plaats in het kader van een wettelijke controlebevoegdheid.
Gelet op het voorgaande heeft de politie in het vooronderzoek niet onrechtmatig gehandeld. De rechtbank ziet daarom geen reden om over te gaan tot bewijsuitsluiting.
Voorwaardelijk verzoek.
De verdediging heeft het voorwaardelijk verzoek gedaan om de verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] als getuigen te horen, indien de rechtbank niet tot een vrijspraak komt.
Hoewel de door de verdediging genoemde voorwaarde zich voordoet: de rechtbank komt immers niet tot een vrijspraak, ziet de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen aanleiding om het onderzoek te heropenen omdat zij het horen van de verbalisanten niet noodzakelijk acht en wijst het verzoek van de raadsman af.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsmiddelenbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
op 11 oktober 2025 te Liempde, gemeente Boxtel, opzettelijk heeft vervoerd,
ongeveer 6500 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
Door de raadsman is geen strafmaatverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van het feit..
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk vervoeren van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne. Dit is een ernstige strafbaar feit. Het is algemeen bekend dat het gebruik van verdovende middelen schade kan toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien gaat de handel in cocaïne veelal gepaard met verschillende vormen van criminaliteit, waardoor schade en overlast kan worden toegebracht aan anderen. Met zijn handelen heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden van dit ernstige maatschappelijke probleem.
De persoon van verdachte.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder veroordeeld is voor een strafbaar feit.
De op te leggen straf.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
De rechtbank gaat uit van de in de oriëntatiepunten gehanteerde categorie van 6.000-7.000 gram harddrugs. Het daarbij horende oriëntatiepunt is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden.
De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 26 maanden geëist, en de rechtbank volgt de officier van justitie wat betreft de hoogte van de straf. Voor een lichtere of andersoortige straf ziet de rechtbank gelet op de ernst van het feit geen ruimte. Daarbij betrekt de rechtbank ook de verklaring van verdachte zelf, afgelegd tijdens het transport naar het politiebureau, die erop neerkomt dat verdachte zich al vaker aan vergelijkbare feiten heeft schuldig gemaakt, maar toen niet is betrapt.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
2, 10 Opiumwet.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:
Een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,
mr. C.W.H. Houg en mr. B. Damen, leden,
in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier,
en is uitgesproken op 15 april 2026.