ECLI:NL:RBOBR:2026:2368

ECLI:NL:RBOBR:2026:2368

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 05-02-2026
Datum publicatie 15-04-2026
Zaaknummer C/01/422344 / KF ZA 26-5
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Kort geding - vordering tot terugverhuizing van de vrouw met de minderjarigen c.q. toevertrouwing minderjarigen aan de man, alsmede verbod op inschrijving van de minderjarigen op een andere basisschool en kinderdagverblijf.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: C/01/422344 / KF ZA 26-5

Vonnis in kort geding van 5 februari 2026

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats 1] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. L. Stam,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats 2] ,

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.W.F. van Wijk,

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 16 januari 2026 met producties 1 tot en met 13;- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie van 20 januari 2026 met producties 1 tot en met 12;

- akte overlegging producties, tevens conclusie van antwoord in reconventie van 21 januari 2026 met producties 14 tot en met 20;- de mondelinge behandeling van 22 januari 2026, waarbij zijn verschenen:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en hebben met elkaar samengewoond.

Uit de inmiddels verbroken relatie tussen partijen zijn de navolgende minderjarigen geboren:

- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] .

De vader heeft de kinderen erkend. Partijen hebben gezamenlijk het gezag over voornoemde kinderen.

De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de moeder.

De moeder heeft de vader op 14 december 2025 toestemming gevraagd voor een verhuizing van [plaats 3] naar [plaats 2] . De vader heeft op 22 december 2025 aan de moeder laten weten geen toestemming te geven.

De moeder en de kinderen zijn rond 5 januari 2026 verhuisd naar [plaats 2] en staan sinds 5 januari 2026 daar in de BRP ingeschreven.

3. Het geschil

in conventie

De vader vordert - samengevat - bij vonnis en daar waar mogelijk reeds ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair de kinderen van partijen toe te vertrouwen aan de vader, in afwachting van de bodemprocedure, en daarbij te bepalen dat de kinderen op het adres van de vader worden ingeschreven; en subsidiair de te gelasten dat de moeder met de kinderen binnen een week na het nog te wijzen vonnis terug te laten verhuizen naar haar adres, [postcode] , [plaats 3] [straatnaam en huisnummer] , binnen een week na het te wijzen vonnis;

II. primair en subsidiair de moeder te verbieden dat zij de kinderen op een ander basisschool, peuterspeelzaal/crèche inschrijft.

De vader legt aan de vordering het volgende ten grondslag.

De vader heeft geen toestemming voor de verhuizing van de moeder en de kinderen naar [plaats 2] gegeven, omdat de vader zich zorgen maakt over het sociale netwerk en de school van de kinderen. [plaats 2] is 54 kilometer rijden vanuit [plaats 1] , de woonplaats van de vader. Bovendien zou de voorgenomen verhuizing leiden tot extra reistijd en kosten voor de vader, aangezien hij tot op heden het halen en brengen van de kinderen voor zijn rekening neemt. De moeder reageerde daarop mee te willen werken aan het maken van afspraken. De kinderen zouden ook niet van school wisselen. De moeder gaf voorts aan vanwege het uitblijven van akkoord van de vader een verzoek tot vervangende toestemming voor te zullen gaan leggen aan de rechtbank. Desondanks werd de vader op vrijdag 19 december 2025 gebeld door de peuterspeelzaal van [minderjarige 2] dat hij, zonder toestemming van de vader, uitgeschreven zou zijn. Navraag bij de basisschool van [minderjarige 1] leerde dat de moeder daar ook had gevraagd of het mogelijk was om [minderjarige 1] van de basisschool uit te schrijven. Op 4 januari 2025 ontving de vader een e-mail van de moeder waarin zij mededeelde dat zij de kinderen en zichzelf ingeschreven zou hebben op een adres in [plaats 2] . Nu de moeder haar plannen doorzet, ongeacht het feit dat vader niet akkoord gaat met de verhuizing en wijziging school en peuterspeelzaal, dient de vader onderhavige vorderingen in.

De moeder voert verweer. De moeder concludeert afwijzing van de vorderingen van de vader.

De moeder voert het volgende aan.

De moeder heeft zich na de verbreking van de relatie direct ingeschreven als woningzoekende en is al anderhalf jaar actief op zoek naar een groter en passendere woning voor haar gezin. De vader is hiervan op de hoogte. De woning in [plaats 3] is dusdanig klein dat dit geen gepaste leefomgeving biedt voor de kinderen. Ook is de woning in [plaats 3] gelegen in een onveilige buurt. Op zondag 14 december 2025 was de moeder ingelogd op de website waar sociale huurwoningen worden aangeboden en heeft zij geconstateerd dat zij op de eerste positie stond voor een woning in [plaats 2] . De moeder heeft de vader direct verzocht om toestemming te verlenen. Zij kon zich echter niet veroorloven om de woning aan haar neus voorbij te laten gaan en heeft de woning - ondanks het uitblijven van toestemming - geaccepteerd.

in reconventie

De moeder vordert dan ook - samengevat - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de moeder vervangende toestemming te verlenen om met de kinderen te verhuizen naar [plaats 2] alsmede vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in te schrijven op [naam school/opvang] te [plaats 2] .

De moeder legt aan de vordering het volgende ten grondslag.

De moeder heeft de verhuizing voorbereid en direct geïnformeerd naar een geschikte school en opvanglocatie, de haal- en brengregeling ten aanzien van de omgang uitgewerkt, zich verdiept in de OV-routes en gekeken naar activiteiten voor de kinderen. De vrouw stelt dat zij een gepaste school voor de dochter heeft gevonden op [naam school/opvang] , vlakbij de woning van de moeder. De hulpverlening aan de zijde van de vrouw vanuit [naam instelling] kan ook voortgezet worden. Als gevolg van de verhuizing woont de moeder ook dichter bij haar zus en nicht, met wie zij beiden een goed contact heeft. De moeder stelt ook dat de zorgregeling zoals partijen deze zijn overeengekomen ook met het verblijf van de moeder en de kinderen in [plaats 2] uitvoerbaar is. De moeder is bereid om mee te werken aan praktische afspraken omtrent het halen en het brengen van de kinderen, zodat de overeengekomen omgang doorgang kan vinden.

De vader voert verweer. De vader concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de moeder, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de moeder.

De vader voert het volgende aan.

De vader stelt dat uit de jurisprudentie blijkt dat inzake geschillen in verhuiszaken in kort geding de voorzieningenrechter in beginsel ervoor dient te waken dat hij of zij met de voorlopige voorziening niet vooruitloopt op de bodemzaak, waarin immers een diepgaand onderzoek plaatsvindt en een definitieve beslissing zal volgen. De vader betwist dat in casu bijzondere en zwaarwegende omstandigheden aanwezig zijn, waarbij de belangen van de kinderen en/of de verzorgende ouder rechtvaardigen dat er wel in kort geding vervangende toestemming wordt verleend. De moeder is zonder overleg en zonder vooraankondiging vertrokken naar [plaats 2] en heeft de vader voor een voldongen feit gesteld. De moeder heeft de vader geen gelegenheid gegeven om met haar in gesprek te gaan ten aanzien van de gevolgen van de verhuizing. Zij heeft haar beslissing eenzijdig genomen en handelt er naar, hetgeen de vader via school heeft moeten vernemen. De vader is van mening dat de verhuizing, die ondoordacht en razendsnel is gebeurd, niet in het belang van de kinderen is. Dat blijkt ook uit het feit dat de vrouw weigert [minderjarige 1] naar school te brengen in [plaats 3] , terwijl er nog geen overeenstemming is over de verhuizing laat staan over een schoolkeuze.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

Wegens samenhang van de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen hierna tegelijk worden besproken.

Spoedeisend belang

Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat partijen daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er sprake is van een spoedeisend belang, omdat de moeder zonder toestemming van de man is verhuisd en [minderjarige 1] sinds de verhuizing niet naar school gaat.

Vervangende toestemming voor de verhuizing

Om proceseconomische redenen zal eerst de eis in reconventie van de moeder, strekkende tot de vervangende toestemming voor de verhuizing met de kinderen naar [plaats 2] , worden beoordeeld.

De voorzieningenrechter zal de vordering van de moeder om vervangende toestemming voor de verhuizing afwijzen en licht dit hierna toe.

Een procedure in kort geding is bedoeld voor spoedeisende gevallen waarin de belangen van de betrokkenen vragen om een onmiddellijke voorziening die voorlopig van kracht is totdat de rechter in een bodemzaak een definitieve beslissing heeft gegeven. De voorzieningenrechter dient ervoor te waken dat hij met zijn voorlopige voorziening niet vooruitloopt op de definitieve beslissing in de bodemprocedure. Om die reden dient de voorzieningenrechter slechts in uitzonderlijke gevallen over te gaan tot het geven van vervangende toestemming voor een verhuizing. Een verhuizing is immers een ingrijpende gebeurtenis die kan leiden tot worteling van de minderjarige in de nieuwe woonomgeving. Van uitzonderlijke gevallen kan sprake zijn als het belang van de kinderen en/of van de verzorgende ouder dat rechtvaardigt of als op voorhand duidelijk is dat het verzoek in de bodemprocedure zal worden toegewezen. Van beide is naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval geen sprake.

Volgens de moeder had zij geen andere keuze dan de woning in [plaats 2] aanvaarden, omdat haar huis in [plaats 3] te klein was voor haar en de kinderen. Het huis had twee slaapkamers waardoor de kinderen een slaapkamer moesten delen. De woning in [plaats 2] is ruimer en heeft vier slaapkamers. De voorzieningenrechter begrijpt dat een ruimere woning meer woongenot biedt en dat het prettig is als de kinderen ieder een eigen slaapkamer hebben. Daarmee is echter het belang van vervangende toestemming als ordemaatregel niet gegeven, temeer nu de moeder zich niet er in heeft verdiept of zij de reactietermijn op de aangeboden woning kon verlengen en of een weigering invloed zou hebben op de wachtlijst. Daardoor is onvoldoende aannemelijk dat zij geen andere keuze had dan de woning aanvaarden. Bovendien is het de vraag of het belang van de kinderen bij een ruimere woning opweegt tegen het belang van de kinderen bij een vader die bij hen in de buurt woont, nu een verhuizing naar [plaats 2] de positie van de vader in het leven van de kinderen op meerdere fronten in het gedrang kan komen.

Allereerst komt de rol van de vader als verzorger onder druk te staan vanwege de afstand die met de verhuizing tussen beide ouders ontstaat. Door deze afstand wordt handhaving van de huidige zorgregeling lastig. Doordat de moeder geen auto heeft komt het halen en brengen volledig aan op de vader. Als de kinderen in [plaats 3] op school en op de peuterspeelzaal zouden blijven, betekent dat dat de vader op meerdere doordeweekse dagen op en neer moet reizen tussen [plaats 3] en [plaats 2] om de kinderen naar school en de peuterspeelzaal te brengen en vervolgens weer terug naar de moeder. Als de kinderen in [plaats 2] naar school dan wel peuterspeelzaal zouden gaan, zal de vader in ieder geval op maandagochtend naar [plaats 2] moeten reizen. Dit neemt ten minste anderhalf uur in beslag en in de spits mogelijk ruim twee uur. Het is de vraag of dit voor de man op langere termijn te combineren is met zijn werk. Daar komt bij dat tussen partijen een bodemprocedure is gestart waarin de vader juist om een uitbreiding van de zorgregeling heeft verzocht. Deze procedure is een gelopen race als de voorzieningenrechter nu vervangende toestemming zou verlenen, omdat een door de man gewenst co-ouderschap ingeval van een verhuizing van de moeder en de kinderen naar [plaats 2] moeilijk te realiseren is.

Ten tweede draagt een verhuizing naar [plaats 2] het risico met zich mee dat de rol van de vader als gezagsdrager wordt aangetast. Bij de verhuizing is de moeder voorbij gegaan aan het gezag van de vader door zijn toestemming niet af te wachten. Zij heeft binnen vijf dagen na het aanbod en na de gevraagde toestemming de nieuwe woning geaccepteerd en de oude woning opgezegd. Ook de uitschrijving en inschrijving van school en de peuterspeelzaal en de inschrijving van de kinderen in de BRP op het adres in [plaats 2] heeft zij zonder de vereiste toestemming van en zonder overleg met de vader gedaan. Een grotere afstand kan met oog op de slechte verstandhouding tussen partijen naar het oordeel van de voorzieningenrechter een extra obstakel zijn in het betrekken van de vader door de moeder bij het nemen van gezagsbeslissingen.

De genoemde belangen van de kinderen als ook van de moeder en van de vader zullen tezamen met de geldende verhuiscriteria zorgvuldig afgewogen moeten worden. Voor een dergelijke afweging leent een kort geding zich niet, tenzij de uitkomst van een bodemprocedure op voorhand duidelijk is. De uitkomst in een bodemprocedure ten aanzien van de verhuizing is echter nog onzeker, alleen al vanwege de onduidelijkheid omtrent de toekomstige zorgregeling. Daarbij is de verhuizing nu nog terug te draaien zonder verstrekkende gevolgen. Gezien het vorenstaande zal de vordering van de moeder derhalve worden afgewezen.

Bevel terugverhuizing en voorlopige toevertrouwing

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het door de man gevorderde bevel tot terugverhuizing toewijsbaar is. De moeder is zonder de vereiste voorafgaande toestemming van de vader dan wel vervangende toestemming van de rechter met de kinderen naar [plaats 2] verhuisd en heeft eenzijdig de woonplaats van de kinderen gewijzigd. Dat brengt met zich mee dat de moeder alsnog de juiste juridische weg dient te bewandelen voor het verkrijgen van vervangende toestemming, als door haar gewenst. Dit is slechts anders indien blijkt dat het voor de moeder en de kinderen te onveilig is om terug te verhuizen of het terugverhuizen met de kinderen om andere dringende redenen niet van haar kan worden gevergd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de moeder dit niet aannemelijk gemaakt. De moeder heeft inmiddels de huurovereenkomst van haar woning in [plaats 3] opgezegd en de woning opgeleverd, maar dit komt voor rekening en risico van de moeder. Aan de man was verzocht om uiterlijk 29 december 2025 te reageren op het toestemmingsverzoek in verband met de reactietermijn op de woning. De moeder heeft echter reeds op 19 december 2025, dus vóór afloop van de door haar aan de vader gegeven reactietermijn, de huurovereenkomst opgezegd en heeft daarmee prematuur gehandeld. Daarentegen zijn de kinderen thans zonder redelijke grond uit hun bekende omgeving en dagelijkse ritme gehaald. [minderjarige 1] gaat op dit moment niet naar school en [minderjarige 2] niet naar een kinderopvang of peuterspeelzaal, zoals voor hen gebruikelijk was, terwijl dit een en ander in hun belang wordt geacht.

De voorzieningenrechter acht het van belang dat de kinderen op zo kort mogelijke termijn naar hun vertrouwde omgeving in [plaats 3] teruggaan en wederom naar school respectievelijk de peuterspeelzaal gaan. De voorzieningenrechter zal de moeder gelet daarop veroordelen om binnen een week na betekening van het vonnis met de kinderen terug te verhuizen naar [plaats 3] .

De voorzieningenrechter acht het vooralsnog niet in het belang van de kinderen dat zij op dit moment voorlopig aan de man worden toevertrouwd, nu vast staat dat de kinderen grotendeels door de vrouw worden verzorgd en opgevoed en dit ook niet aansluit bij de thans geldende zorgregeling. Toewijzing van deze vordering zou betekenen dat de kinderen bij de vader zouden gaan wonen, hetgeen de voorzieningenrechter in deze procedure gezien het bevel tot terugverhuizing vooralsnog niet noodzakelijk acht. Het is echter maar de vraag of de moeder gehoor gaat geven aan dit bevel. Desgevraagd heeft de moeder dit op de mondelinge behandeling niet kunnen bevestigen. Daarmee kan de moeder worteling van de kinderen in [plaats 2] forceren, te meer nu een bodemprocedure (nog) niet door haar is opgestart. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet in het belang van de kinderen is zolang er in een bodemprocedure geen duidelijkheid is over de zorgregeling en waar de kinderen zullen opgroeien. Om die reden zal de voorzieningenrechter bepalen dat de kinderen alsnog aan de vader worden toevertrouwd als de moeder met de kinderen niet binnen een week na het vonnis is terugverhuisd.

Verbod inschrijving basisschool en peuterspeelzaal/crèche

Nu de moeder geen vervangende toestemming krijgt om met de kinderen te verhuizen en zal moeten terugverhuizen, zal de voorzieningenrechter de vordering van de vader om de moeder te verbieden dat zij de kinderen op een ander basisschool dan wel peuterspeelzaal/crèche inschrijft, toewijzen. Door het ontbreken van toestemming van de vader en het voorbarige handelen van de moeder zonder doordacht plan, gaat [minderjarige 1] sinds de kerstvakantie niet meer naar school en [minderjarige 2] niet naar een kinderopvang of peuterspeelzaal. De vader heeft aangegeven dat [minderjarige 1] terug kan naar oude school en ook [minderjarige 2] kan wederom worden ingeschreven. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat de vader en de moeder samen zullen zorgdragen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zo snel mogelijk weer naar school en de opvang gaan.

Proceskosten

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

veroordeelt de moeder om binnen een week na dit vonnis met de kinderen terug te verhuizen naar [plaats 3] en bepaalt dat de kinderen aan de vader worden toevertrouwd en op het adres van de vader zullen worden ingeschreven in de BRP, als de moeder met de kinderen niet binnen een week na dagtekening van dit vonnis is terugverhuisd naar [plaats 3] ;

verbiedt de moeder dat zij de kinderen op een andere basisschool dan wel peuterspeelzaal/crèche inschrijft;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

wijst de vorderingen van de moeder af;

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Kesteren en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?