RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.262938.24
Datum uitspraak: 16 april 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1996] ,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 februari 2026.
De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 2 april 2026 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie aan dit vonnis gehecht. Na wijziging is aan verdachte ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van feit 1:
hij, in of omstreeks de periode van 1 augustus 2024 tot 16 augustus 2024, te Maarheeze, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op één of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 augustus 2024 tot en met 16 augustus 2024, te Maarheeze, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, (telkens) om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde een middel als bedoeld in de hij de Opiumwet behorende lijst 1, voor te bereiden en/of te bevorderen zich en/of één of meer anderen gelegenheid, middelen en/of
inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of (een) voorwerp(en) en/of vervoermiddel(en) en/of stof(fen) en/of geld(en) en/of andere betaalmiddel(en) voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen
van dat/die feit(en) hebbende verdachte en/of verdachtes mededaders:
- (een gedeelte van) een loods gevestigd aan [adres 2] te Maarheeze ter beschikking gesteld en/of
- een of meerdere grondstoffen en/of chemicaliën en/of andere benodigdheden ter beschikking gesteld en/of laten stellen en/of opgehaald en/of ontvangen, in elk geval voorhanden gehad te weten (onder meer) methanol en/of aceton en/of MDMA-base(olie);
Ten aanzien van feit 2:
hij, op of omstreeks 16 augustus 2024, te Maarheeze, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 382,7 kilo van een materiaal bevattende MDMA (320 kilo MDMA-kristallen en 62,7 kilo MDMA-olie), zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Het bewijs.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft op gronden als vervat in het op schrift gestelde requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft verzocht verdachte vrij te spraken van de ten laste gelegde feiten wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte betrokken was bij of wetenschap had van de productie of het aanwezig hebben van harddrugs dan wel de voorbereidingshandelingen daartoe.
Het oordeel van de rechtbank.
Vormverzuim.
De verdediging heeft bepleit dat er onvoldoende aanleiding was voor het binnentreden en het doorzoeken van de loods, waarin het lab is aangetroffen. De enige reden voor de instap is volgens de verdediging een vage waarschuwing uit 2020. Er was daarom te weinig concrete actuele informatie om binnentreden op grond van de Opiumwet te kunnen rechtvaardigen. Daarnaast heeft de politie voor het betreden van het lab pallets met isolatiemateriaal verplaatst, waartoe zij niet bevoegd was omdat zij alleen gerechtigd was tot ‘zoekend rondkijken’. De verdediging merkt deze schendingen aan als ernstig. Het daaruit onrechtmatig verkregen bewijs zou moeten worden uitgesloten.
De rechtbank is van oordeel dat het TCI proces-verbaal, in samenhang met de vermelding in de politiesystemen en het ontbreken van aanwijzingen in de richting van andere panden in de gegeven omstandigheden volstonden om te spreken van een redelijk vermoeden dat in de loods een Opiumwet-feit gepleegd wordt.
De politie was evenzeer bevoegd om de in het pand aanwezige pallets met isolatiemateriaal te verplaatsen, om daarmee toegang te krijgen tot het achterste deel van de loods. Dit brengt een effectieve uitoefening van de bevoegdheid tot binnentreden met zich mee.
De bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bewijsbijlage bij dit vonnis en moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
De bewijsoverwegingen.
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er in een inpandige ruimte achterin de loods aan het [adres 2] te Maarheeze op 16 augustus 2024 een actief werkend drugslab werd aangetroffen. Volgens de Landelijke Faciliteit ontmantelen (hierna: de LFO) was het drugslab in gebruik ten behoeve van het op grote schaal vervaardigen van MDMA. Daarnaast werd er 320 kilogram aan MDMA-kristallen en 62,7 kilogram aan MDA-base (olie) aangetroffen. Verdachte was de huurder van de loods.
Verdachte heeft verklaard dat hij het pand huurde voor de opslag van materialen ten behoeve van zijn bedrijf in de geveltechniek en dat hij niet wist dat er een drugslab in het pand aanwezig was. Hij zou voornamelijk in het kantoor aan de voorzijde van de loods aanwezig zijn geweest om administratiewerkzaamheden te verrichten. Het drugslab zou niet te zien zijn vanuit de voorzijde/het kantoor van het pand, omdat er pallets met hoog opgestapeld isolatiemateriaal voor het drugslab stonden. Daarnaast zouden er veel andere personen toegang tot de loods hebben gehad.
De rechtbank overweegt over de wetenschap van het drugslab bij verdachte het volgende.
De rechtbank stelt – aan de hand van camerabeelden en zendmastgegevens – vast dat verdachte in de maand voorafgaand aan de ontdekking van het drugslab bijna dagelijks en vaak op meerdere en verschillende tijdstippen gedurende de dag aanwezig was in het pand.
Dit komt overeen met de verklaring van verdachte dat hij ‘te pas en te onpas’ in de loods aanwezig was en dat hij geen vaste agenda had. De verklaring van verdachte dat derden bekend waren met zijn agenda en het drugslab buiten zijn aanwezigheid hebben opgebouwd en in werking gezet, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook onaannemelijk.
Verder komt die verklaring erop neer dat derden het drugslab (ook) voor verdachte verstopt hadden achter een voorraad isolatiemateriaal, terwijl die door verdachte op ieder moment verbruikt zou kunnen worden. Het lab zou in dat geval dan onmiddellijk zijn ontdekt. Het is niet voorstelbaar dat derden een dergelijk risico willens en wetens zouden hebben willen nemen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het niet aannemelijk is dat die derden het drugslab en de (half)fabricaten, die volgens het dossier ruim acht miljoen euro waard zouden zijn, zonder enige vorm van afsluiting in de bedrijfsruimte van verdachte zouden hebben achtergelaten.
In het drugslab is bovendien op de handgrepen van een combinatietang en op doppen van jerrycans DNA aangetroffen waarvan de rechtbank, gelet op de bevindingen van het TMFI, vaststelt dat dit het DNA van verdachte betreft. Het aantreffen van DNA op de doppen wijst erop dat verdachte de doppen van deze jerrycans heeft vastgepakt. Daarbij komt dat een deel van die jerrycans een mengsel bevatte van methanol en methylamine. Dat mengel wordt volgens de LFO gebruikt als grondstof voor de vervaardiging van MDMA, en niet, volgens de bevindingen van een verbalisant, voor stukadoorswerkzaamheden en geveltechniek. Bovendien zijn die jerrycans gelabeld met etiketten van andere stoffen die eveneens niet passend zijn bij de normale bedrijfsvoering van verdachte (“Amino-MA, UN 1992” of “Chemiblaze, UN 1090”). Het standpunt van de verdediging dat het DNA van verdachte enkel is aangetroffen op verplaatsbare objecten, die goed passen binnen de bedrijfsvoering deelt de rechtbank dus niet.
In tegenstelling tot de raadsman van verdachte concludeert de rechtbank dan ook dat verdachte betrokken was bij zowel de productie van MDMA, als het aanwezig hebben daarvan. Verdachte had immers niet alleen de wetenschap van de aanwezigheid van MDMA, hij had als huurder van de loods ook de beschikkingsmacht over de aangetroffen drugs. Het drugslab was vanuit de loods namelijk vrij toegankelijk en de vrieskisten met de MDMA-kristallen bevonden zich bovenop het inpandige lab, toegankelijk via een trap vanuit het lab.
Verder kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat er, naast verdachte, andere personen betrokken waren bij het MDMA-lab. Het is lastig denkbaar dat verdachte de vrieskisten eigenhandig heeft verplaatst. Ook is er op goederen in het lab DNA aangetroffen dat mogelijk afkomstig is van twee andere personen. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld wat de exacte rol van verdachte in het proces was, maar wanneer verdachte slechts had bijgedragen aan de voorbereidingshandelingen ten behoeve van de MDMA-productie, dan had het op zijn weg gelegen om daarover te verklaren.
Gezien voorgaande overwegingen, concludeert de rechtbank dat verdachte een volwaardige bijdrage heeft geleverd aan het bereidingsproces van de MDMA en het aanwezig hebben daarvan. De ontkennende verklaring van verdachte is in dat opzicht te weinig concreet om deze conclusie te weerleggen, waardoor deze overeind blijft. De rechtbank acht het onder feit 1 primair en onder feit 2 ten laste gelegde daarom wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
Ten aanzien van feit 1 primair:
omstreeks de periode van 1 augustus 2024 tot 16 augustus 2024, te Maarheeze, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervaardigd, een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Ten aanzien van feit 2:
op 16 augustus 2024, te Maarheeze, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 382,7 kilo van een materiaal bevattende MDMA (320 kilo MDMA-kristallen en 62,7 kilo MDMA-olie), zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van het voorarrest.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken moet worden van de ten laste gelegde feiten. Er is geen strafmaatverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de productie en het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid MDMA. Het motief voor de strafbaarstelling van handel in verdovende middelen is onder meer gelegen in het maatschappelijk belang van bescherming van de volksgezondheid. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van harddrugs, waaronder MDMA, schadelijke gevolgen kan hebben voor de volksgezondheid. De drugshandel en het gebruik van drugs gaan bovendien veelal gepaard met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit. Hiervan ondervinden anderen overlast en hierdoor wordt de samenleving schade berokkend. Verdachte heeft hier geen oog voor gehad en is kennelijk puur gericht geweest op financieel voordeel voor zichzelf. Verder heeft verdachte geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
De persoon van verdachte.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Verder heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij door (de voorlopige hechtenis van de) onderhavige feiten zijn bedrijf en huis is verloren en in de schulden is geraakt. Inmiddels is hij werkzaam in loondienst en betaalt hij zijn schulden af.
De op te leggen straf.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. Zo geldt alleen al voor het produceren van meer dan 20 kilogram harddrug een standaarduitgangspunt van meer dan vijftig maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf, en voor het aanwezig hebben van meer dan 20 kilogram harddrugs een standaarduitgangspunt vanaf 36 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In dit geval gaat het om een hoeveelheid van ruim 380 kilogram. De rechtbank heeft verder aansluiting gezocht bij straffen die door andere rechtbanken of gerechtshoven in soortgelijke zaken zijn opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Maatregel kostenverhaal ex artikel 13 van de Opiumwet.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte op grond van artikel 13d van de Opiumwet te veroordelen tot vergoeding van de kosten die zijn gemaakt voor de vernietiging van de in de loods aangetroffen en in beslag genomen goederen, te weten een bedrag van € 30.783,17.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken moet worden van de ten laste gelegde feiten. De vordering is niet inhoudelijk betwist.
Het oordeel van de rechtbank.
De maatregel in artikel 13d van de Opiumwet maakt het mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of de volksgezondheid, worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.
Bij de stukken bevindt zich een rekening voor het ontmantelen van het drugslab, inclusief de afvoer van chemicaliën, restafval en hardware ter vernietiging. De gemaakte kosten zijn vastgesteld op € 30.783,17 inclusief btw. De in beslag genomen voorwerpen moesten worden vernietigd, omdat zij ernstig gevaar opleverden voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid.
De rechtbank overweegt dat vast is komen te staan dat in de loods gevaarlijke goederen aanwezig waren. Eveneens is vast komen te staan dat er kosten zijn gemaakt om het drugslab te saneren. Ten aanzien van de hoogte van het gevorderde totaalbedrag overweegt de rechtbank dat deze kosten niet irreëel voorkomen. De hoogte van het bedrag wordt ook niet betwist.
De rechtbank zal de maatregel kostenverhaal echter niet op het gevorderde bedrag vaststellen en aan verdachte opleggen, omdat de rechtbank van oordeel is dat verdachte met anderen betrokken is geweest bij de productie van harddrugs. Zo is er op goederen in het drugslab DNA aangetroffen dat mogelijk afkomstig is van twee andere personen. De rechtbank zal het op te leggen bedrag daarom matigen.
De rechtbank acht het passend om een maatregel kostenverhaal ter hoogte van een derde deel van het gevorderde bedrag, namelijk € 10.261,05, aan verdachte op te leggen. Bij het bepalen van de duur heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de aangepaste LOVS-afspraak voor vervangende hechtenis bij geldboete en gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 13d van de Opiumwet.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
Ten aanzien van feit 1 primair:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod
Ten aanzien van feit 2:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
- verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
- legt op de volgende straf en maatregel:
Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2:
een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2:
de verplichting tot betaling aan de Staat van een vergoeding van kosten ex artikel 13d van de Opiumwet voor een bedrag van € 10.261,05. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 75 dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.M.T. Keukens, voorzitter,
mr. M.E. Bartels en mr. C.F.N. van Schaijk, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N. Slingerland, griffier,
en is uitgesproken op 16 april 2026.