ECLI:NL:RBOBR:2026:2377

ECLI:NL:RBOBR:2026:2377

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 17-04-2026
Datum publicatie 15-04-2026
Zaaknummer 82/342644-21
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Onderzoek Hazen. Zes-stappenplan. Rechtbank komt tot bewezenverklaring van gewoontewitwassen ten aanzien van 5 panden en tot partiële vrijspraak van 1 pand in de periode van 2 juli 2014 tot en met heden. De rechtbank legt uit waarom de verklaringen van verdachte onvoldoende tegenwicht bieden tegen het door het Openbaar Ministerie naar voren gebrachte witwasvermoeden. Naar het oordeel van de rechtbank heft verdachte ongeloofwaardige verklaringen afgelegd en is het volstrekt onduidelijk gebleven wat de werkelijke bron van zijn inkomsten is geweest. Deze proceshouding neemt de rechtbank hem kwalijk. In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en de oudheid van de feiten. Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 82.342644.21

Datum uitspraak: 17 april 2026.

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1974] ,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 maart 2026, 10 maart 2026 en 10 april 2026 (sluiting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

1. De tenlastelegging.

was/waren, en/of

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 januari 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 juli 2014 tot en met heden in de gemeente Rotterdam, althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (van) (een) aankoopbedrag(en), geld(en) en/of voorwerp(en), te weten onder meer

(sub a)

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel

- verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en)

- verborgen en/of verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)

(sub b)

- verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of

- daarvan gebruik gemaakt,

terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die/dat aankoopbedrag(en), geld(en) en/of voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was/waren uit enig misdrijf, en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.

2. De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

3. De bewijsbeslissing.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting van 9 maart 2026 op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Hiertoe heeft de raadsman – zakelijk weergegeven en onder meer – aangevoerd dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om te spreken van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Voor zover de rechtbank wel tot het oordeel zou komen dat er een witwasvermoeden bestaat heeft verdachte over de herkomst van de gelden een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd.

Het oordeel van de rechtbank.

Vrijspraak [adres 5] .

Anders dan het Openbaar Ministerie acht de rechtbank geen witwasvermoeden aanwezig ten aanzien van de aankoopgelden voor de koop van het appartementsrecht aan [adres 5] . Uit onderzoek van de FIOD is gebleken dat het gehele aankoopbedrag afkomstig is vanuit een aan verdachte verstrekte hypothecaire lening. Bij de aanschaf van het pand is geen gebruik gemaakt van andere gelden. Dat verdachte deze lening zeer waarschijnlijk niet had kunnen verkrijgen, zonder een eventueel uit misdrijf verkregen pand als zekerheidsstelling te bieden aan de hypotheeknemer, betekent niet zonder meer dat de aan verdachte verstrekte gelden daarom uit misdrijf afkomstig zijn. Ook de omstandigheid dat [adres 5] tot hetzelfde vermogen is gaan behoren als de andere panden betekent niet dat dit pand alsnog door vermenging uit misdrijf afkomstig is. Immers is het onroerend goed als vermogensbestandsdeel individualiseerbaar gebleven

De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Ter terechtzitting heeft de verdediging een aantal verweren gevoerd. Voor zover de rechtbank hierna niet op die verweren in gaat, heeft de rechtbank die verweren als bewijsverweren aangemerkt. Die verweren vinden hun weerlegging in de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen. Er zijn geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de rechtbank doen twijfelen aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de bewijsmiddelen.

Bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs.

3.3.3.1. De aanleiding voor het onderzoek.

Het strafrechtelijk opsporingsonderzoek “Hazen” is door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: FIOD) gestart naar aanleiding van signalen vanuit de gemeente Rotterdam aan het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (hierna: RIEC). Het was de gemeente Rotterdam opgevallen dat verdachte over een vastgoedportefeuille beschikte terwijl zijn bij de Belastingdienst bekende verzamelinkomens deze vastgoedaankopen niet zonder meer konden verklaren.

3.3.3.2. De aankoopbedragen van de panden en de vastgoedportefeuille van verdachte.

De rechtbank stelt op basis van het door haar gebruikte bewijs vast dat verdachte in de tenlastegelegde periode meerdere onroerende goederen heeft aangekocht. De bewijsvragen die de rechtbank moet beantwoorden spitsen zich dan ook toe op de herkomst van de gelden die de aanschaf van de in de tenlastelegging beschreven panden mogelijk hebben gemaakt.

Ten behoeve van de leesbaarheid van dit vonnis zal de rechtbank de aanschaf van de tenlastegelegde panden door verdachte en de (voor zover bekende) onderliggende geldstromen hieronder schematisch weergeven. De verdediging heeft het feit dat deze panden door verdachte middels deze geldstromen zijn aangeschaft niet betwist. Daarna zal de rechtbank onder 3.3.3.3. het juridisch kader schetsen en onder 3.3.3.4. ingaan op de vraag of er een witwasvermoeden ten aanzien van het verkrijgen van deze panden en de onderliggende geldstromen bestaat.

Het verdient opmerking dat verdachte meer panden heeft gekocht (en verkocht) dan hieronder is weergegeven. Voor zover een niet tenlastegelegd pand en/of een daaronder liggende geldstroom relevant is voor de beoordeling van de tenlastelegging zal de rechtbank dit onder 3.3.3.4. nader duiden.

[adres 2] .

Verdachte heeft op 2 juli 2014 het woonhuis aan de [adres 2] aangekocht voor een aankoopprijs van € 65.000,--. Verdachte heeft ten behoeve van de aankoop geen gebruik gemaakt van een hypothecaire lening. Uit het onderzoek van de FIOD is gebleken dat voorafgaand aan 2 juli 2014 € 67.598,61 is overgemaakt naar de notaris. Van dit bedrag is gebleken dat in elk geval een gedeelte ter hoogte van € 55.000,-- (in)direct afkomstig is van contante stortingen op bankrekeningen van familieleden.

[adres 3] .

Verdachte heeft op 31 december 2014 het woonhuis aan de [adres 3] aangekocht voor een aankoopprijs van € 70.000,--. Verdachte heeft ten behoeve van de aankoop geen gebruik gemaakt van een hypothecaire lening.

Uit het onderzoek van de FIOD is gebleken dat een bedrag van in totaal € 55.000,-- in twee overboekingen door medeverdachte [medeverdachte] is overgemaakt naar de betrokken notaris. De eerste overboeking ziet op een bedrag van € 25.000,-- op 18 december 2014. Uit een analyse van de bankrekening van medeverdachte [medeverdachte] is gebleken dat dit bedrag afkomstig is van twee overboekingen van Holland Casino op 22 juli 2014 van in totaal € 37.000,--. Bij één van deze overboekingen, ter hoogte van € 32.300,--, staat in de omschrijving “speelwinstoverboeking”.

De tweede overboeking ziet op een bedrag van € 30.000,-- op 30 december 2014. Voorafgaand aan deze overboeking wordt op dezelfde dag een bedrag van in totaal € 28.500,-- contant gestort op de rekening van medeverdachte [medeverdachte] . Het resterende bedrag van € 1.500,-- is te herleiden naar de hiervoor beschreven casinowinsten. Uit een schriftelijke verklaring van medeverdachte [medeverdachte] is gebleken dat het bedrag dat contant gestort is, volgens hem aan [verdachte] toebehoorde.

Tot slot is op 31 december 2014 een bedrag van € 15.000,-- contant gestort op de rekening van verdachte. Hiervan is een bedrag ter hoogte van € 4.281,21 overgemaakt naar de notaris.

Hoe het resterende aankoopbedrag van de aankoop ad € 10.718,79 door verdachte is voldaan, heeft de FIOD niet kunnen vaststellen.

[adres 4] .

Verdachte heeft op 8 november 2017 het appartementsrecht aan de [adres 4] aangekocht voor een aankooprijs van € 99.000,--. Op dit appartementsrecht van verdachte en op het eigendomsrecht van de Ploegstraat 47 is op dezelfde dag een recht van hypotheek gevestigd door [bedrijf 1] ten behoeve van een door haar verstrekte hypothecaire lening ter hoogte van € 125.000,--.

Daarnaast heeft verdachte, in twee overboekingen, in totaal € 43.161,36 overgeboekt aan de notaris. De eerste overboeking vond plaats op 7 november 2017 en ziet op een bedrag van € 25.000,--. Voorafgaand aan deze overboekingen ontvangt verdachte in totaal € 23.000,-- van de bankrekening van [naam 1] . Daarnaast wordt er € 3.350,-- contant gestort op de rekening van verdachte en ontvangt hij € 1.850,-- van medeverdachte [medeverdachte] .

De tweede overboeking vond plaats op 8 november 2017 en ziet op een bedrag van € 18.161,36. Voorafgaand aan deze overboekingen ontvangt verdachte, in twee overboekingen € 19.950,-- van zijn zus [naam 2]

Uit het onderzoek van de FIOD is niet gebleken op welke wijze het overige gedeelte van de koopsom ad € € 55.838,64 is gefinancierd en/of op welke wijze de hypothecaire lening ad € 125.000,-- is ingezet.

[adres 6] .

Verdachte heeft op 3 april 2018 het appartementsrecht aan de [adres 6] aangekocht voor een aankoopprijs van € 110.000,--. Uit het onderzoek van de FIOD is gebleken dat dit aankoopbedrag door middel van twee overboekingen is voldaan. De eerste overboeking vond plaats op 26 maart 2018 ter hoogte van € 11.000,--. De tweede overboeking vond plaats op de aankoopdatum, 3 april 2018, en bedroeg € 100.000,--. Voor de aankoop van dit appartementsrecht werd geen hypotheek gevestigd.

Voorafgaand aan de eerste overboeking ontving verdachte op 26 maart 2018 € 20.000,-- vanuit een bankrekening in de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE). Voorafgaand aan de tweede overboeking op 3 april 2018 ontving verdachte in vijf transacties € 100.000,--vanuit dezelfde bankrekening uit de VAE.

[adres 7] Verdachte heeft op 15 juni 2018 het appartementsrecht aan de [adres 7] aangekocht voor een aankoopprijs van € 84.500,--. Uit het onderzoek van de FIOD is gebleken dat dit aankoopbedrag in de periode 8 juni tot en met 14 juni 2018 door middel van vier transacties van in totaal € 87.169,23 naar de desbetreffende notaris werd overgeboekt. Voor de aankoop van dit appartementsrecht werd geen hypotheek gevestigd.

Voorafgaand aan deze overboekingen ontving verdachte in de periode van 6 juni 2018 tot en met 14 juni 2018 in zes transacties € 95.000,-- vanuit dezelfde bankrekening als bij de [adres 7] uit de VAE.

3.3.3.3. Het juridisch kader: witwassen zonder bekend gronddelict (6-stappenplan).

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de hiervoor beschreven geldstromen ten behoeve van de aankopen van deze panden uit enig misdrijf afkomstig zijn. Van een concreet misdrijf waarmee verdachte dit geld zou hebben verdiend is niet gebleken.

Wanneer er geen directe relatie tussen het witgewassen voorwerp en een concreet misdrijf bestaat of wanneer deze relatie niet kan worden vastgesteld, betekent dit niet dat witwassen niet bewezen kan worden. Als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Als de verdachte zo'n concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.

3.3.3.4. Beoordeling van het tenlastegelegde.

Het witwasvermoeden.

Verdachte heeft zijn eerste twee panden in 2014 voor in totaal € 135.000,-- gekocht zonder gebruik te maken van een hypothecaire lening. Blijkbaar kon hij in 2014 beschikken over een dergelijk geldbedrag. Uitgaande van een legale en zichtbare herkomst van de gelden zouden de bij de Belastingdienst bekende inkomensgegevens, uitleg moeten geven voor de herkomsten van dergelijke geldbedragen.

Verdachte heeft, over de jaren 2014 tot en met 2020, de volgende verzamelinkomens opgegeven bij de belastingdienst:

2014: € 8.601;

2015: € 26.746;

2016: € 3.155;

2017: geen aangiftegegevens bekend;

2018: € 54.812;

2019: € 92.824;

2020: € 100.709.

Over de jaren van voor 2014 zijn geen belastinggegevens beschikbaar, maar uit het belastingdienstsysteem is gebleken dat verdachte in de periode januari 2011 tot en met mei 2013 een uitkering heeft ontvangen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat dit een bijstandsuitkering betrof. Uit het onderzoek is voorts gebleken dat verdachte meerdere bedrijven heeft gehad, waarvan er in ieder geval twee failliet zijn verklaard in 2008 en 2009. Ten aanzien van één van deze bedrijven is verdachte in 2013 veroordeeld voor bedrieglijke bankbreuk en het niet bewaren van de administratie. Daarnaast schrijft verdachte in een brief van 23 april 2014 aan een schuldeiser dat hij op dat moment problematische schulden heeft en zijn verplichtingen niet meer kan nakomen.

Hieruit concludeert de rechtbank dat verdachte in 2014 geen (legaal) vermogen had en dat het bij de Belastingdienst bekende inkomen van verdachte op geen enkele wijze zijn vastgoedaankopen kan verklaren.

Zoals uit paragraaf 3.3.3.2. blijkt, zijn de benodigde gelden voor de aankoop van de panden in 2014 grotendeels door anderen (familie en/of kennissen van verdachte) overgemaakt naar de betrokken notaris. Voor de aankoop van het pand in 2017 is de rekening van verdachte voorafgaand aan de overboeking naar de notaris eveneens gevoed door stortingen van familie en/of kennissen. Hierbij is steeds onduidelijk gebleven waarom verdachte recht zou hebben op deze bedragen en deels ook wat de herkomst van deze gelden is. Daarnaast is een deel van deze overboekingen terug te herleiden tot grote contante stortingen, terwijl het algemeen bekend is dat het bewaren en vervoeren van grote contante geldbedragen een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich brengt. Het voorhanden hebben daarvan roept al snel vraagtekens op. De panden in 2018 zijn aangekocht met geld afkomstig van overboekingen vanuit de VAE, zonder dat duidelijk is waarom verdachte recht zou hebben op deze gelden.

Naast de aankoop van de panden zoals die op de tenlastelegging staan, komt uit het dossier bovendien naar voren dat verdachte over nog veel meer geld heeft kunnen beschikken. Vanaf de bankrekeningen van verdachte is in de periode 2014 tot en met 2021, onder andere, ruim € 266.000,- contant opgenomen, bijna € 645.000,- betaald aan creditcardmaatschappijen, meer dan € 110.000,- uitgegeven aan auto’s en meer dan € 90.000,- overgeboekt naar Roemeense bankrekeningen. Uit analyse van dezelfde bankrekeningen van verdachte blijkt dat de uitgaven van verdachte vele malen hoger zijn geweest dan zijn girale inkomsten. De bankrekeningen van verdachte zijn voor een aanzienlijk deel gevoed met contante stortingen: er is in de periode van 2014 tot en met 2021 in totaal € 427.075,- contant gestort. Verdachte is derhalve jarenlang afhankelijk geweest van contante stortingen om zijn uitgavenpatroon te kunnen faciliteren. Dit alles weegt ook ten aanzien van de door verdachte aangekochte panden mee.

Gelet op alles wat hiervoor is overwogen acht de rechtbank een gerechtvaardigd vermoeden aanwezig dat de onderliggende geldstromen van de door verdachte aangekochte panden van enig misdrijf afkomstig zijn. Van verdachte mag daarom worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat de gelden niet van misdrijf afkomstig zijn.

De verklaringen van verdachte.

Verdachte is in totaal negen keer verhoord. De rechtbank kan in algemene zin begrip opbrengen voor de situatie waarin een (net aangehouden) verdachte niet meteen een compleet en duidelijk beeld kan schetsen van zijn financiële geschiedenis. Dit geldt des te meer voor zaken die, op het moment van verhoor, meer dan 7 jaren geleden speelden. Dat gezegd hebbende heeft verdachte in al zijn verhoren dusdanig wisselend verklaard dat dit in algemene zin afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van alle door hem afgelegde verklaringen.

Verdachte heeft tijdens zijn negen verhoren bij de FIOD, en door middel van de (op zijn verzoek uitgebrachte) rapportage van Augusta Management Group (hierna: het AMG-rapport) van 26 december 2023 (met bijlagen) en de door hem geschreven brief (met bijlagen) van 8 oktober 2025 – zakelijk weergegeven – de volgende herkomstbronnen voor de aankoopbedragen van de panden en de onderliggende contante geldstromen genoemd:

inkomsten uit het organiseren van evenementen;

inkomsten uit de verkoop van een stuk grond in Suriname;

huurinkomsten;

leningen van familieleden, medeverdachte [medeverdachte] , dhr. [naam 3] en dhr. [naam 4] ;

inkomsten uit werkzaamheden en de verkoop van een appartement in Dubai.

De rechtbank zal deze verschillende herkomstbronnen hieronder afzonderlijk bespreken.

Inkomsten uit het organiseren van evenementen.

Verdachte heeft in zijn achtste verhoor (op 17 november 2022) voor het eerst genoemd dat hij contant geld heeft verdiend met het organiseren van evenementen. Wat verdachte hiermee precies verdiend zou hebben, is voor het eerst concreet gemaakt in het rapport van AMG, waarin een bedrag van € 325.000,-- wordt genoemd als opbrengsten in de periode van 2008 tot en met 2011. In de brief van verdachte van 8 oktober 2025 wordt door verdachte een totale omzet geschat voor de periode van 1998 tot en met 2011 ter hoogte van € 3.009.190,51. In zijn brief verklaart verdachte daarnaast dat er ook hoge kosten werden gemaakt. Verdachte stelt in zijn brief: “onderaan de streep heb ik er wat aan over gehouden om de start te kunnen maken met het aankopen van mijn vastgoed”. Bij het AMG-rapport en de brief zijn door verdachte stukken overgelegd ter onderbouwing van de door verdachte georganiseerde evenementen. Deze stukken bestaan onder andere uit flyers, facturen en afrekeningen. De stukken bevatten geen (begin van een) overzicht waaruit kan worden afgeleid wat de opbrengsten en kosten zijn geweest van de verschillende evenementen en wat verdachte daar aan over het heeft gehouden.

In de door verdachte overgelegde stukken blijft geheel in het midden óf en hoeveel financieel voordeel verdachte heeft genoten vanuit het organiseren van evenementen. Hoewel de rechtbank het niet onwaarschijnlijk acht dat verdachte een rol heeft gehad in het organiseren van evenementen, acht de rechtbank het op basis van de door verdachte overgelegde stukken niet verifieerbaar dat hij hierdoor grote contante geldbedragen ter beschikking had.

Gelet op de hierboven al aangehaalde informatie uit het dossier (inhoudende dat verdachte de gestelde inkomsten niet bij de belastingdienst heeft opgegeven, dat hij in de jaren 2011 tot en met 2013 een bijstandsuitkering heeft genoten en dat hij in 2014 zelf schrijft over grote financiële problemen) acht de rechtbank bovendien niet geloofwaardig dat hij in 2014 dergelijke geldbedragen afkomstig uit evenementen nog tot zijn beschikking had.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat, al zouden de verklaringen van verdachte wel de conclusie kunnen dragen dat hij vóór 2014 een (zeer) groot contant geldbedrag had verdiend met inkomsten uit evenementen, dit in elk geval gedeeltelijk uit misdrijf afkomstig verkregen gelden zijn. Dit zijn namelijk vermogensbestanddelen die hij al zou hebben gehad toen hij een bijstandsuitkering ontving, die nooit zouden zijn opgegeven aan de belastingdienst en waarover verdachte in dat geval de beschikking zou hebben gekregen doordat belasting is ontdoken en nog in zijn bezit zou hebben gehad door uitkeringsfraude te plegen.

Inkomsten uit de verkoop van een stuk grond in Suriname.

Verdachte heeft tijdens het achtste verhoor verder verklaard dat hij ook inkomsten heeft gehad uit het verkopen van een perceel in Suriname. Dit zou gaan om het stuk grond aan de “ [adres 8] ”. Verdachte verklaarde dat het zou gaan om een verkoopbedrag van € 67.500,--. Verdachte heeft tijdens het negende verhoor verklaard dat het zou gaan om een verkoopprijs van € 80.000,--. In beide verhoren heeft verdachte verklaard dat de verkoopprijs (via tussenpersonen) contant aan hem is voldaan. In het AMG-rapport stelt verdachte dat het perceel verkocht is aan een persoon genaamd “ [naam 5] ”. Ter onderbouwing van deze stelling is als bijlage bij het AMG-rapport een niet ondertekende “leningsovereenkomst” opgenomen zonder dat daarin een naam van de koper/financierder is opgenomen.

De rechtbank acht deze verklaring van verdachte in ieder geval niet concreet voor zover deze ziet op de hoogte van de verkoopprijs. Verdachte verklaart wisselend over de hoogte van de verkoopprijs terwijl het in de rede ligt dat hij hier concreet over kan verklaren. Deze inconsistentie van zijn verklaringen doen afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaring, te meer nu verdachte in de eerste zeven verhoren géén melding heeft gemaakt van deze verkoop. Daar komt nog bij dat door verdachte geen daadwerkelijke koopovereenkomst en/of notariële akte is verstrekt terwijl van hem verwacht mag worden dat hij als verkoper van het perceel over deze stukken beschikt. Ook heeft hij niet de volledige naam van de koper kunnen noemen, terwijl blijkens de leningsovereenkomst de daadwerkelijke verkoop nog niet is afgerond, zodat er nog contact zou moeten kunnen worden opgenomen met deze persoon. Bovendien is het hoogst onwaarschijnlijk dat een bedrag ter hoogte van € 67.500 dan wel ter hoogte van € 80.000,-- (al dan niet in delen) naar Nederland is gevlogen en pas hier aan verdachte is betaald. Immers brengt het bewaren en vervoeren van grote contante geldbedragen een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich. Tot slot heeft verdachte ook nog wisselend verklaard over de manier waarop hij het geld zou hebben ontvangen: in zijn achtste verhoor heeft hij verklaard dat hij het geld cash heeft ontvangen van een familielid van de verkoper, tijdens de zitting heeft verdachte gezegd dat een neef van hem het geld heeft opgehaald bij een neef van de verkoper. Alles tezamen concludeert de rechtbank dat de verklaring van verdachte zo vaak wisselt, en zodanig vaag en ongeloofwaardig is, dat deze als niet concreet, verifieerbaar en hoogst onwaarschijnlijk terzijde moet worden geschoven.

Huurinkomsten.

Verdachte heeft tijdens zijn verhoren onder meer verwezen naar huurinkomsten als herkomst van de gelden. De rechtbank merkt op dat inkomsten uit het verhuren van panden logischerwijs pas gegenereerd kunnen worden zodra een pand in eigendom is gekomen van verdachte en door hem is verhuurd. Voor de aankoop van de panden in 2014 kan dit daarom geen verklaring voor de herkomst van de gelden zijn. Voor zover een pand met uit misdrijf afkomstig geld is gekocht zijn ontvangen huurpenningen bovendien aan te merken als eveneens uit misdrijf afkomstig (vervolgprofijt).

Daarnaast volgt uit het dossier weliswaar dat verdachte huurinkomsten heeft genoten, maar uit de analyses van zijn bankrekeningen en uit de aangetroffen huurdersadministratie is gebleken dat het overgrote deel van de huurpenningen giraal zijn ontvangen. Ook in zoverre kunnen de huurinkomsten daarom geen grote contante stortingen verklaren.

Leningen

Leningen bij familieleden.

Verdachte heeft van verschillende (aangetrouwde) familieleden gelden ontvangen op zijn eigen bankrekening of op rekening van de notaris bij aankoop van een woning. In zijn verhoren heeft verdachte hierover verklaard dat het gaat om leningen. Daarnaast zou hij volgens het AMG-rapport een beroep hebben gedaan op zijn familieleden om contante gelden giraal te maken.

Concreet heeft verdachte, ten aanzien van de tenlastegelegde panden, de volgende geldbedragen van familieleden ontvangen:

€ 40.000,-- van zijn zus [naam 6] ten behoeve van de aankoop van de woning aan de [adres 2] (overgemaakt naar de notaris);

€ 10.000,-- van zijn moeder [naam 7] ten behoeve van de aankoop van de woning aan de [adres 2] (overgemaakt naar de notaris);

€ 15.000,-- van zijn zwager [naam 8] ten behoeve van de aankoop van de woning aan de [adres 2] (overgemaakt naar de notaris);

€ 23.000,-- van [naam 1] ten behoeve van de aankoop van het appartementsrecht aan de [adres 4] (overgemaakt naar verdachte en daarna naar de notaris);

€ 24.950,-- van [naam 9] ten behoeve van de aankoop van het appartementsrecht aan de [adres 4] (overgemaakt naar verdachte en daarna naar de notaris).

Het is bij leningen van dergelijke grote geldbedragen gebruikelijk dat er iets van de lening op papier wordt gezet of dat hierover in elk geval blijkt dat tussen de verdachte en de leningverstrekker afspraken zijn gemaakt (over de rente of terugbetalingstermijn). Het ontbreken van iedere vorm van een bewijs van de leningen aan de zijde van de verdachte doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van deze verklaring. Verdachte zou deze leningen daarnaast kunnen onderbouwen met bijvoorbeeld terugbetalingen die blijken uit rekeningafschriften, of aangiften inkomstenbelasting, maar ook een dergelijke onderbouwing ontbreekt.

Verdachte verklaart daarnaast wisselend over de hoogte van de bedragen die hij van familie geleend zou hebben. Ter terechtzitting is door de verdediging bij pleidooi een overeenkomst van geldlening van 15 januari 2019 overgelegd en een overeenkomst van verlenging van geldlening van 25 januari 2024. De geloofwaardigheid van deze stukken acht de rechtbank laag, gelet op het late moment van verstrekking. Niet valt in te zien waarom verdachte, sinds zijn eerste verhoren in 2022, de geldleningsovereenkomst van 15 januari 2019 niet eerder kon overleggen. Ook zijn dergelijke stukken, waarbij totaalbedragen van leningen achteraf en zonder nadere onderbouwingen worden gereconstrueerd, naar hun aard foutgevoelig.

De verklaringen van verdachte zijn niet op een andere manier verifieerbaar gebleken. Zijn moeder [naam 7] heeft in haar verhoor niks concreets gezegd over de € 10.000,-- die zij heeft overgemaakt ten behoeve van de aankoop van de [adres 2] . Zijn zussen [naam 9] , [naam 6] en zwager [naam 8] hebben in hun verhoren integraal gebruik gemaakt van hun zwijgrecht, wat ook weer op gespannen voet staat met de overgelegde overeenkomsten van geldlening.

Voorts is nog het volgende van belang. Een groot deel van de overboekingen van familieleden naar verdachte of de notaris is voorafgegaan door contante stortingen op de bankrekeningen van deze familieleden. Daarover staat in het door verdachte overgelegde AMG-rapport dat verdachte “een beroep heeft gedaan op familie” om contant geld via hun rekening op zijn rekening te storten, “om zaken met contant geld te kunnen doen”. Verdachte heeft hier desgevraagd geen uitleg over gegeven. De rechtbank begrijpt dat verdachte deze contante gelden buiten beeld heeft beoogd te houden van de autoriteiten, wat een extra aanwijzing betreft dat het geen bonafide leningen betrof, maar gaat om contant geld van verdachte, dat geen legale herkomst heeft gehad.

Alles afwegende acht de rechtbank de verklaringen van verdachte dat de gelden een legale herkomst hebben en zijn ontvangen in het kader van leningen bij familieleden niet concreet, niet verifieerbaar en hoogst onwaarschijnlijk.

Lening bij dhr. [naam 3] .

Verdachte verklaart voor het eerst over een lening van [naam 3] in het AMG-rapport van 26 december 2023. Het zou gaan om een lening van € 115.000,-. Ter onderbouwing van deze lening is een niet-ondertekende leningsovereenkomst overgelegd die is gedateerd op 3 januari 2014. Dit bedrag is, aldus de leningsovereenkomst, deels contant en deels giraal ontvangen, tegen een rente van 5% en tegen een looptijd van 5 jaar. Door verdachte zijn daarnaast een ondertekende kwitantie en schuldbetekenis overgelegd.

Deze verklaring is, hoewel in een laat stadium afgelegd, op zichzelf concreet en verifieerbaar. Het Openbaar Ministerie heeft nader onderzoek naar deze verklaring gedaan door dhr. [naam 3] als getuige te horen. Dhr. [naam 3] verklaarde over de lening onder meer: “[verdachte] had geld nodig, dus ik heb hem dat geleend (…) Ik heb verder geen documentatie (…) ”Ik heb dit cash verstrekt (…) Waarschijnlijk heb ik met hem ergens afgesproken om het geld te overhandigen. lk denk dat het in verschillende keren is gegaan (…) Nee ik heb geen zekerheid gevraagd. Het is op basis van vertrouwen gegaan. lk ken de familie. De papieren zijn bijzaak. De rente en de aflossing is deels contant en deels per bank betaald. Per bank is ongeveer 30 a 40 duizend euro afgelost. Dat is niet op mijn

bankrekening geweest. lk weet niet meer op welke bankrekening is geweest, het was op een

bankrekening van een ander.” Na het tonen van de schuldbekentenis verklaarde dhr. [naam 3] : “Ik heb dit samen met [verdachte] opgemaakt. lk gebruik dit document

al jaren (…) Het doel van dit document was om de lening schriftelijk vast te leggen.". Over de precieze inhoud van de schuldbekentenis verklaarde hij dat hij deze niet gelezen had en dat alleen de rente hem interesseerde. Over de (niet-ondertekende) leningsovereenkomst verklaarde dhr. [naam 3] : “Ik ken dit document niet. Misschien probeerde [verdachte] dit op zijn manier op te stellen. lk heb deze overeenkomst niet opgesteld.”.

Hoewel er met de ondertekende kwitantie en de schuldbekentenis stukken zijn overgelegd ter onderbouwing van deze lening, is het naar het oordeel van de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk dat in 2014 een legaal geldbedrag van € 115.000,-- in contanten, zonder enige vorm van zekerheidsstelling, is verstrekt aan verdachte. Verdachte had op dat moment nog geen vastgoedportefeuille en geen zichtbare en/of duidelijke bron van inkomsten. Voor het verstrekken van een dergelijke som geldt wordt in de regel een vorm van zekerheid gevraagd en voorafgaand een duidelijk beeld gevormd van de financiële positie van de geldlener. De inkomenspositie van verdachte in 2014 is tot op de dag van vandaag echter onduidelijk gebleven. Het vervoeren en voorhanden hebben van dergelijke grote contante geldbedragen is bovendien een witwastypologie. Daarnaast zijn er geen terugbetalingen vanaf de rekeningen van verdachte te zien die te relateren zijn aan het terugbetalen van deze lening en het is ook geheel onduidelijk waarom er geen rechtstreeks betalingsverkeer zou zijn geweest tussen verdachte en dhr. [naam 3] . Daar komt nog bij dat deze verklaring over een lening begin 2014 zich naar het oordeel van de rechtbank slecht verhoudt tot de ándere verklaring van verdachte, dat hij grote contante geldbedragen had overgehouden aan zijn werkzaamheden in de evenementen-business. Dat verdachte een (contante) geldlening zou zijn aangegaan terwijl hij zelf nog over veel (contant) geld zou hebben beschikt, acht de rechtbank op zichzelf al zeer ongeloofwaardig.

Lening bij dhr. [naam 4] .

Verdachte heeft in zijn negende verhoor op 22 augustus 2023 voor het eerst verklaard over een lening bij dhr. [naam 4] : “(…) Een bedrag van tussen 350 en 400 duizend euro, plus minus (…) Ik heb dit bedrag geleend, van mijnheer [naam 4] . Ik heb dat geleend over de jaren 2013 tot en met 2018 en 2019. Dat bedrag is ook netjes aan hem terugbetaald. Dat is te bewijzen via de bankrekeningen. U vraagt mij of hij dit contant aan mij heeft geleend. Ja dat klopt, in delen, en dat is allemaal per bankrekening aan hem terugbetaald. Daar zijn stukken van en die krijgt u van mij.”. In het AMG-rapport van 26 december 2023 staat dat verdachte in april 2014 een onderhandse lening zou hebben afgesloten ter hoogte van € 87.000,-- bij [naam 4] .

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen van verdachte over deze lening(en) niet concreet, verifieerbaar en hoogst onwaarschijnlijk. Verdachte heeft geen stukken overgelegd ter onderbouwing van geldleningen in de periode tussen 2013 en 2019. Bovendien heeft dhr. [naam 4] het bestaan van deze geldleningen desgevraagd niet tegenover de FIOD bevestigd. Net als ten aanzien van de hierboven aangehaalde lening van dhr. [naam 3] weegt hier voorts mee dat de verklaring dat verdachte in 2014 een (contante) geldlening zou zijn aangegaan terwijl hij zelf nog over veel (contant) geld zou hebben beschikt, naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf al zeer ongeloofwaardig is.

Leningen bij medeverdachte [medeverdachte] .

Verdachte heeft van medeverdachte [medeverdachte] op verschillende momenten gelden ontvangen. Volgens verdachte gaat het hier eveneens om geldleningen. Concreet heeft hij, ten aanzien van de tenlastegelegde panden, de volgende geldbedragen van medeverdachte [medeverdachte] ontvangen:

€ 55.000,-- ten behoeve van de aankoop van de woning aan de [adres 3] (overgemaakt naar de notaris);

€ 1850,-- ten behoeve van de aankoop van de woning aan de [adres 4] (overgemaakt naar de notaris.

Uit onderzoek van de FIOD is gebleken dat de herkomst van de hiervoor genoemde € 55.000,-- gedeeltelijk is te herleiden naar een casinowinst van in totaal € 37.000,--. Van deze € 37.000,-- is € 25.000,-- overgemaakt naar de notaris ten behoeve van de vastgoedaankoop van verdachte. De verklaring van verdachte dat dit geldbedrag is geleend wordt ondersteund door de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] . Dit is derhalve een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring.

Daarnaast is nog een keer € 30.000,-- door medeverdachte [medeverdachte] overgemaakt naar de notaris. Gelet op het feit dat vlak voor deze overboeking een bedrag ad € 28.500,-- contant wordt gestort ligt de herkomst naar het oordeel van de rechtbank, voor het deel van € 28.500, in deze contante stortingen. [medeverdachte] heeft hierover verklaard dat dit geld van verdachte was en niet bevestigd dat het om een lening ging. Over dit bedrag heeft verdachte verder geen verklaring gegeven. Ten aanzien van dit gedeelte van de overboekingen door medeverdachte [medeverdachte] komt de rechtbank tot de conclusie dat sprake is van een situatie zoals ook al bij de overboekingen door familieleden: de herkomst lijkt te zijn gelegen bij contante geldbedragen van verdachte zelf, en voor de herkomst van deze geldbedragen heeft verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven.

De herkomst van de overige bedragen (€ 1500,-- [adres 3] en € 1850,-- [adres 4] ) zijn afkomstig van de bankrekening van medeverdachte [medeverdachte] . De verklaring van verdachte dat dit geldbedrag is geleend wordt ondersteund door de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] . Uit de bevindingen van de FIOD is niet gebleken dat deze gelden direct te herleiden zijn naar contante stortingen. Voor deze bedragen is daarom sprake van een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring. Ook is te zien dat het geleende bedrag ad € 1850,-- op 8 november 2017 wordt terugbetaald door verdachte.

Dubai: inkomsten uit werkzaamheden en de verkoop van een appartement.

Zoals hiervoor is uiteengezet ontving verdachte voordat hij de appartementsrechten aan de [adres 6] en de [adres 7] aankocht gelden vanuit Dubai. Verdachte ontving in de periode van 21 februari 2018 tot en met 27 juli 2018 in totaal € 269.000,-- vanuit de VAE met als betalingsomschrijving “LOAN”. Waarom dat geldbedrag in twintig losse transacties is overgeboekt, en daarbij in de omschrijving “loan” stond, heeft verdachte niet kunnen verklaren.

De rechtbank begrijpt de verklaringen van verdachte zo dat de door hem gestelde legale herkomst van deze geldbedragen bestaat uit enerzijds salarisinkomsten vanuit werk in Dubai en anderzijds inkomsten vanuit een vastgoedtransactie in Dubai.

Salarisinkomsten.

Verdachte verklaart in zijn eerste verhoor (7 november 2022) dat hij anderhalf jaar in Dubai zou hebben gewerkt. Hij kon toen niet vertellen hoe het bedrijf heette waar hij had gewerkt, maar hij zou wel over alle administratie beschikken. Tijdens zijn achtste verhoor verklaart verdachte dat hij “via via” aan deze baan is gekomen en dat zijn kwalificaties volgden uit connecties vanuit de entertainmentwereld.

In het AMG-rapport (26 december 2023) staat voor het eerst de naam van het bedrijf waar hij zouden hebben gewerkt: “ [bedrijf 2] ”. In het rapport staat verder dat verdachte per 1 december 2015 zou zijn gestart als “Sales Executive”. Het salaris bedroeg omgerekend € 10.300,-- per maand. Bij het rapport zijn de volgende bijlages gevoegd ter ondersteuning van de verklaring van verdachte:

- Een “employment offer” van 25 november 2015;

- Een salariscertificaat van 16 juni 2015;

- Een “commercial license” van 13 juni 2016;

- Een “e-Receipt” van ontvangen salaris van 25 mei 2016.

Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van verdachte concreet, maar niet verifieerbaar. Uit een open source onderzoek van het Openbaar Ministerie blijkt dat het bedrijf ” [bedrijf 2] ” geen vindbare eigen website heeft. Dit terwijl het algemeen bekend is dat het voor commerciële bedrijven belangrijk is om vindbaar en benaderbaar te zijn voor (nieuwe) klanten. Daarbij komt nog dat [naam 10] die op het salariscertificaat als directeur genoemd staat, volgens het open source onderzoek van het Openbaar Ministerie in 2009 al gestopt zou zijn als directeur.

De rechtbank acht daarnaast zonder nadere uitleg, die verdachte niet heeft kunnen geven, hoogst onwaarschijnlijk dat verdachte een jaarsalaris van € 123.600,-zou hebben verdiend voor werkzaamheden in een salespositie bij een vastgoedbedrijf in Dubai, een plek waar hij nog nooit had gewoond en een functie waar hij geen enkele ervaring in had. Daarbij weegt de rechtbank voorts mee dat verdachte in zijn verhoren bij de FIOD de naam van het bedrijf niet kon noemen en ook ter terechtzitting de naam van het bedrijf was vergeten, terwijl hij stelt dat hij hier anderhalf jaar zou hebben gewerkt, en juist een vertegenwoordiger van een bedrijf veelvuldig de naam van een bedrijf moet gebruiken.

Concluderend stelt de rechtbank vast dat verdachte stukken overlegt als ware hij in dienst geweest in de PR / sales van een bedrijf, terwijl dat bedrijf geen eigen website heeft of heeft gehad, dat de stukken zijn ondertekend door een directeur die volgens het open source onderzoek niet langer in functie was op dat moment, dat verdachte zelf de naam van het bedrijf desgevraagd niet kan noemen, en dat hij zonder relevante werkervaring in dienst zou zijn getreden voor een riant jaarsalaris, zonder dat hij kan verklaren waarom het bedrijf bereid was hem dat uit te keren. Geen van die omstandigheden acht de rechtbank navolgbaar. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte en de onderbouwing daarvan daarmee zo veel ongeloofwaardige omstandigheden bevat, dat deze als hoogst onwaarschijnlijk terzijde moet worden geschoven.

De verkoop van een appartement in Dubai.

Verdachte verklaart in zijn verhoren en in het AMG-rapport dat een deel van het bedrag van € 269.000,-- afkomstig is van de verkoop van een appartement in Dubai. Ter onderbouwing van deze verkoop zijn bij het AMG-rapport de volgende documenten als bijlage gevoegd:

- een aankoopbewijs van 3 juli 2016 met een daarin genoemde aankoopprijs van omgerekend € 1.745.587,-- en een verplichting tot het doen van een aanbetaling van 10% van de aankoopprijs;

- een brief dat de aankoop niet door kan gaan en dat de aanbetaling met 5% rente zal worden terugbetaald;

- een kopie van een cheque van 13 november 2017;

- een document waaruit blijkt dat de cheque op 12 februari 2018 is geïnd en gestort op een VAE-bankrekening van verdachte, het gaat om een bedrag van omgerekend € 168.148.--.

Hiermee is op zichzelf inzichtelijk geworden dat er een geldbedrag vanuit Dubai is overgeboekt afkomstig van een terugbetaling vanwege het niet doorgaan van de aankoop van een appartement in Dubai. Voor de vraag of hiermee sprake is van een legale herkomst, is echter ook van belang waar het geldbedrag voor de aanbetaling van dit appartement vandaan is gekomen.

Verdachte heeft tijdens zijn achtste verhoor verklaard dat hij voor de aanbetaling van het appartement in Dubai geld vanuit Nederland zou hebben gebruikt. Uit het dossier blijkt dat verdachte op 29 juli 2016 vanaf zijn ING-rekening een bedrag van € 174.020,09 naar Dubai heeft overgeboekt. In een brief aan de ING heeft verdachte geschreven dat dit geldbedrag afkomstig is van de verkoop van de Espenwede 24.

De Espenwede 24 is op 13 juli 2016 door verdachte aangekocht voor € 210.000,-- en op 28 juli 2016 door verdachte weer verkocht voor € 175.000,--. Voor de aankoop van € 210.000,-- is geen hypothecaire lening afgesloten. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij het aankoopbedrag zou hebben geleend zonder dit verder te specificeren. Hiermee heeft verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven voor de herkomst van deze gelden voor de aankoop in Dubai. Hiermee is deze verklaring ook niet gegeven voor het geldbedrag dat afkomstig van terugbetaling van het appartement in Dubai.

Conclusie over de aankoopbedragen en de panden.

Gelet op het voorgaande heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank alleen een concrete, verifieerbare en niet hoogstwaarschijnlijke verklaring afgelegd voor zover het gaat om de leningen van medeverdachte [medeverdachte] . Het gaat hier om een bedrag van € 28.350,-- terwijl hij in totaal € 428.500,-- heeft uitgegeven aan de aankoop van de hierna in de bewezenverklaring genoemde panden. Van dit totaalbedrag heeft verder slechts € 55.838,64 voor de aankoop van de [adres 4] een aantoonbare legale herkomst, namelijk een lening bij [bedrijf 1] De herkomst van een totaalbedrag van € 344.311,54 voor de aankoop van de panden is daarmee onduidelijk gebleven. De verklaringen van verdachte hierover zijn door de rechtbank allemaal terzijde geschoven. Voor deze geldbedragen is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat deze uit misdrijf afkomstig zijn.

Het uit misdrijf afkomstige deel is derhalve ongeveer 80% van het totaal van de gelden die verdachte heeft aangewend om de panden aan te schaffen. Er is dan ook sprake van een zodanig groot deel van de gelden die van misdrijf afkomstig zijn dat op grond van vermenging kan worden vastgesteld dat de aankoopbedragen en de in de bewezenverklaring genoemde panden geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Het opzet van verdachte.

Gelet op de uiterlijke verschijningsvormen van het handelen van verdachte en de stelselmatigheid waarmee hij panden heeft aangekocht met uit misdrijf afkomstige gelden kan het redelijkerwijs niet anders zijn dan dat verdachte wist dat de gelden steeds uit enig misdrijf afkomstig waren. De criminele herkomst van deze geldbedragen en/of de rechthebbende van die geldbedragen zijn door verdachte verhuld en/of verborgen. De rechtbank acht een opzettelijke vorm van gewoontewitwassen dan ook bewezen.

Medeplegen De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medepleger kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit de hiervoor gegeven bijzondere bewijsoverwegingen blijkt dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met familieleden en medeverdachte [medeverdachte] om uit misdrijf afkomstige gelden giraal te maken en aan te wenden voor de aankoop van vastgoed. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking die in de kern (steeds) bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.

4. De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op tijdstippen in de periode van 2 juli 2014 tot en met heden in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (van) aankoopbedragen en voorwerpen, te weten onder meer

(sub a)

de werkelijke aard, de herkomst, verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren en/of

(sub b)

verworven en voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. De door de verdediging gestelde toepasselijkheid van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht mist feitelijke en juridische grondslag. Immers is niet gebleken dat de gelden onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte gepleegd misdrijf.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

6. De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor wat bewezen is verklaard.

7. De oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

De officier van justitie maakt kenbaar voornemens te zijn een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft – zakelijk weergegeven en onder meer – de rechtbank verzocht om rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, de door verdachte ondergane voorlopige hechtenis en de persoonlijke gevolgen die (het voortduren van) de strafzaak op verdachte heeft gehad.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen door bij de aankoop van vijf onroerende goederen uit misdrijf afkomstig geld te gebruiken. Witwassen leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer, omdat daarbij de (criminele) herkomst van gelden wordt verhuld en daarmee aan het zicht van de opsporingsautoriteiten wordt onttrokken. De integriteit van het financieel en economisch bestel wordt daardoor ernstige schade toegebracht. Verdachte beschikte nauwelijks over legale inkomsten en heeft in enkele jaren een vastgoedportefeuille opgebouwd. Door de vele aankopen van onroerend goed was sprake van vergaande vermenging van de onderwereld met de legale bovenwereld, waardoor de integriteit van het financieel en economisch bestel in ernstige mate is ondermijnd. Ook de Nederlandse rechtsstaat en samenleving lopen hierdoor schade op.

Verdachte heeft ter terechtzitting naar het oordeel van de rechtbank op geen enkele wijze laten blijken dat hij de ernst van zijn handelen inziet. Verdachte heeft steeds aangegeven dat (contante) geldbedragen en -bewegingen van een omvang die in de tonnen loopt, zonder enige vorm van schriftelijke vastlegging voor hem en zijn omgeving volstrekt normaal zijn. Verdachte lijkt daarbij nauwelijks in te zien dat het gegeven dat hij een bijstandsuitkering heeft ontvangen in de periode van 2011 tot en met 2013 – een uitkering die bedoeld is voor mensen die niet in staat zijn zelf in hun levensonderhoud te voorzien – op geen enkele manier te rijmen valt met zijn verklaring dat de herkomst van grote hoeveelheden contant geld in de periode vanaf 2014 is gelegen in (onder meer) inkomsten uit het verleden. Ook de omstandigheid dat verdachte in 2013 nog is veroordeeld voor bedrieglijke bankbreuk, wat betekent dat er door zijn toedoen schuldeisers zijn benadeeld in een faillissement, en dat hij bij de Belastingdienst op geen enkel moment melding heeft gemaakt van het bezit van grote hoeveelheden geld of het aangaan van grote geldleningen, lijkt verdachte nauwelijks te herkennen als problematisch. Verdachte heeft ongeloofwaardige verklaringen afgelegd en het is volstrekt onduidelijk gebleven wat de werkelijke bron van zijn inkomsten is geweest. Deze proceshouding neemt de rechtbank verdachte kwalijk.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Op witwasdelicten waarin bedragen van tussen de € 250.000,-- en € 500.000,-- betrokken zijn, staat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vanaf 12 tot 18 maanden gevangenisstraf. Zoals hiervoor is overwogen heeft verdachte de tenlastegelegde panden in totaal aangekocht voor € 428.500 waarbij een bedrag van € 344.311,54 – middellijk of onmiddellijk - uit misdrijf afkomstig is geweest. Gelet op het feit dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen, voor een lange duur, ligt een straf aan de bovenkant van het betreffende oriëntatiepunt naar het oordeel van de rechtbank in beginsel in de rede.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het uittreksel van de justitiële documentatie van verdachte van 28 januari 2026, waaruit blijkt dat verdachte de afgelopen vijf jaren niet onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke fouten.

De rechtbank is van oordeel dat het recht van elke verdachte op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is geschonden. Verdachte is op 7 november 2022 in verzekering gesteld. Dit betekent dat de redelijke termijn bij het uitspreken van dit vonnis is overschreden met 1 jaar, 5 maanden en 11 dagen. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de oudheid van de gepleegde feiten. Het aankopen van de in de bewezenverklaring genoemde panden vond plaats in de periode van 2 juli 2014 tot en met 18 juni 2018. De rechtbank verdisconteert de overschrijding van de redelijke termijn en de oudheid van de feiten in de door haar gekozen strafmodaliteit (gedeeltelijk voorwaardelijk).

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank komt tot vrijspraak ten aanzien van het witwassen van het aankoopbedrag en de woning aan [adres 5] . De rechtbank is van oordeel dat deze straf voldoende recht doet aan de ernst van de door verdachte gepleegde feiten.

Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De voorwaardelijke straf dient verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Zonder overschrijding van de redelijke termijn had de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden opgelegd.

8. De toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:14a, 14b, 14c, 47, 57, 63, 420bis, 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

9. DE UITSPRAAK

De rechtbank:

- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

- verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert het misdrijf:

Medeplegen van gewoontewitwassen

- verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:

Een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.C. Palmboom, voorzitter,

mr. F.H.E. Boerma en mr. G.M. Blanken, leden,

in tegenwoordigheid van mr. S.B.J. de Leeuw, griffier,

en is uitgesproken op 17 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A.C. Palmboom
  • mr. F.H.E. Boerma
  • mr. G.M. Blanken

Griffier

  • mr. S.B.J. de Leeuw

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?