ECLI:NL:RBOBR:2026:2445

ECLI:NL:RBOBR:2026:2445

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 23-04-2026
Datum publicatie 17-04-2026
Zaaknummer 01-285102-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Veroordeling voor opzetverkrachting. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren. Vordering benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.285102.24

Datum uitspraak: 23 april 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1996] ,

wonende te [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 april 2026 (inhoudelijk) en 9 april 2026 (sluiting van het onderzoek).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 december 2024.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 september 2024 te Eindhoven,

met een persoon, te weten [slachtoffer] ,

een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, immers heeft hij, verdachte, meerdere malen, althans eenmaal,

- zijn penis in de mond van [slachtoffer] gebracht/gehouden en/of

- zijn penis in de anus van [slachtoffer] gebracht/gehouden en/of

- zijn penis in de vagina van [slachtoffer] gebracht/gehouden,

terwijl hij, verdachte, wist dat bij [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door

- via de whatsapp aan/tegen [slachtoffer] (op gebiedende wijs) te vragen/zeggen: ben horny, stuur me wat en/of waar ben je en/of heb je geld bij en/of wacht 1 min ik ga je zeggen wat je moet doen en/of kill en/of wacht zeg ik toch en/of je moet ff wachten klaar en/of

- vervolgens te zeggen: of je boekt een hotel en/of

- samen met [slachtoffer] de hotelkamer binnen te gaan en/of

- vervolgens (onverwacht) tegen [slachtoffer] op dreigende/agressieve toon te zeggen “kleed je uit” en/of “alles uit” althans woorden van soortgelijke dreigende strekking en/of

- tegen [slachtoffer] op agressieve toon te zeggen dat zij op (haar buik op) bed moet gaan liggen en/of

- [slachtoffer] bij haar nek/hals vast te pakken/houden en/of haar hoofd naar beneden te duwen (naar zijn, verdachtes, penis) en/of

- tegen [slachtoffer] te zeggen “je hebt straf, kankersukkel”, althans woorden van soortgelijke dreigende strekking en/of

- [slachtoffer] te negeren als zij zegt ‘auw auw, dit doet pijn’ en/of ik wil dit niet, dit doet pijn, stop’, en/of

- geen condoom te gebruiken tijdens de seksuele handelingen en/of

- de seksuele handelingen – zonder toestemming – te filmen, althans [slachtoffer] te laten denken dat de seksuele handelingen werden gefilmd;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op 3 september 2024 te Eindhoven

met een persoon, te weten [slachtoffer] ,

een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, immers heeft hij, verdachte, meerdere malen, althans eenmaal: - zijn penis in de mond van [slachtoffer] gebracht/gehouden en/of - zijn penis in de anus van [slachtoffer] gebracht/gehouden en/of - zijn penis in de vagina van [slachtoffer] gebracht/gehouden, terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de primair ten laste gelegde gekwalificeerde opzetverkrachting wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Aan dat verweer is door de raadsman primair ten grondslag gelegd dat de verklaring van aangeefster onbetrouwbaar is en uitgesloten dient te worden van het bewijs. Subsidiair is aangevoerd dat redengevend steunbewijs ontbreekt en het bewijsminimum zich verzet tegen een bewezenverklaring. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat dat ‘de wil bij aangeefster ontbrak’.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen.

Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie- eenheid Oost-Brabant, Team Zeden & TBKK, BVH-nummer [nummer] , gesloten d.d. 21 november 2024 (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 271). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 5 september 2024, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] (p. 40-53):

V: Vraag verbalisanten

A: Antwoord aangeefster

V: Waar kom je aangifte van doen?A: Dat ik verkracht ben.

V: Waar is dit gebeurd?A: [naam hotel] in Eindhoven.

V: Wanneer is dit gebeurd?A: Dinsdag 3 september 2024 tussen 16:00 uur en 17:00 uur.

V: Tegen wie kom je aangifte doen?A: [verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte). Hij is mijn ex vriend.

A: Ik voelde toen zijn geslachtsdeel achter mij bij mijn kont. Ik zei tegen hem dat ik dat nog nooit gedaan had en dat ik dat niet wilde. Toen deed hij het. Hij stopte zijn geslachtsdeel in mijn kont. Ik zei: 'auw, auw, dit doet pijn.'. Hier luisterde hij niet naar. Ik zei ik wil dit niet, dit doet pijn, stop. Hier reageerde hij niet op.

2. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 5 september 2024, inhoudende de verklaring van de verdachte (p. 254-259):

Heeft er seksueel contact tussen jullie plaatsgevonden op dinsdag 3 september 2024 in het [naam hotel] ?

- Ja

3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris op de vordering tot bewaring d.d. 9 september 2024, inhoudende de verklaring van de verdachte:

V: U heeft anale seks met haar gehad?A: Ja.

Het juridisch kader.

In zedenzaken zijn doorgaans slechts twee personen aanwezig bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Vooropgesteld zij dat de rechtbank allereerst dient te beoordelen of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan. Dat bewijsminimum houdt in dat het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, door de rechtbank niet uitsluitend aangenomen kan worden op de verklaring van één getuige. Er moet sprake zijn van steunbewijs, dat afkomstig is van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Uit rechtspraak van de Hoge Raad kan onder meer worden afgeleid dat dit voorschrift betrekking heeft op de tenlastelegging in zijn geheel en niet slechts op onderdelen daarvan. Van steunbewijs is sprake als bijvoorbeeld de verklaring van aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in bewijsmateriaal dat afkomstig is uit een andere bron dan aangeefster. Daarbij geldt evenwel dat er geen te ver verwijderd verband mag bestaan tussen de verklaring van aangeefster en het overige bewijsmateriaal.

Wet Seksuele Misdrijven

Sinds 1 juli 2024 is de Wet Seksuele Misdrijven in werking getreden. Kern van die wet is dat het ‘dwangmodel’ waar de oude zedenwetgeving van uitging is veranderd in het ‘consentmodel’, omdat het ‘dwangmodel’ niet meer aansloot bij de maatschappelijke opvattingen. Het gaat er bij de tenlastelegging van feiten die zijn begaan na inwerkingtreding van de nieuwe wet dus niet om of de seks ‘gedwongen’ is geschied, maar of er steeds ‘consent’ was voor de gedragingen. De rechtbank staat aldus voor de vraag of het seksueel binnendringen van aangeefster door de verdachte – hetgeen gelet op de beide verklaringen vaststaat – telkens is gebeurd met ‘consent’ van aangeefster.

De verklaring van aangeefster.

Aangeefster heeft verklaard dat zij op 3 september 2024 met verdachte had afgesproken in een hotel in Eindhoven om met hem te praten over de relatie die zij in het verleden hadden. Toen zij met verdachte de hotelkamer inkwam is verdachte eerst gaan douchen. Daarna hebben verdachte en aangeefster orale, vaginale en anale seks gehad. Op het moment dat verdachte met zijn geslachtsdeel achter bij haar kont zat heeft aangeefster tegen verdachte gezegd dat ze nog nooit anale seks heeft gehad en dat zij dat niet wilde. Verdachte stopte zijn geslachtsdeel vervolgens in de anus van aangeefster, waarop zij zei “auw, auw, dit doet pijn”. Verdachte luisterde hier niet naar. Aangeefster zei daarop “ik wil dit niet, dit doet pijn, stop”, maar ook hierop werd niet gereageerd door verdachte.

De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft verklaard dat hij op 3 september 2024 met aangeefster in een hotel in Eindhoven had afgesproken en hij daar is gaan douchen, alvorens zij seks hebben gehad. Die seks bestond – zoals aangeefster ook verklaard heeft – uit orale, vaginale en anale seks. De verdachte heeft echter anders dan aangeefster verklaard dat zij wel vaker anale seks hadden en dat aangeefster expliciet te kennen had gegeven dat zij instemde met anale seks op dat moment. Dat zouden zij hebben besproken voorafgaand aan de seks en aangeefster zou toen uitdrukkelijk hebben gezegd dat zij het goed vond anale seks te hebben, zo heeft verdachte tijdens de terechtzitting verklaard.

De betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster.

De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verklaring van aangeefster betrouwbaar is. De rechtbank stelt vast dat aangeefster op vier momenten een verklaring heeft afgelegd, namelijk tijdens het informatief zedengesprek op 4 september 2024 (enkele uren na het voorval), tijdens de aangifte van 5 september 2024 (anderhalve dag na het voorval) en tijdens de aanvullende verklaringen van 12 september en 18 oktober 2024. Aangeefster heeft op twee momenten verklaard over de volgorde van de seksuele handelingen. Tijdens het informatieve gesprek heeft aangeefster verklaard dat zij eerst anaal, vervolgens oraal en daarna vaginaal gepenetreerd was. Bij haar aangifte komt aangeefster hier echter uit zichzelf op terug. Ze zegt dat zij zich heeft vergist in de volgorde en dat er eerst sprake was van orale penetratie, daarna anale penetratie en tot slot vaginale penetratie.

De rechtbank overweegt hierover dat een informatief zedengesprek een korter gesprek op hoofdlijnen is. Daarnaast lijkt het anaal binnendringen het meest springende punt voor aangeefster. Zo heeft zij enkele uren na het voorval via WhatsApp naar verdachte gestuurd “Ik gaf je aan hoe pijn je me deed toen je in me kont ging en je luisterde er niet na.”. Ook heeft ze twee vriendinnen bericht dat verdachte zijn geslachtsdeel in haar anus had gestopt. Verder valt op dat aangeefster consistent en gedetailleerd heeft verklaard over zowel de seksuele handelingen als over de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. De rechtbank ziet daarom geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster te twijfelen.

Aangeefster heeft weliswaar – zoals ook de verdediging heeft aangevoerd – niet altijd consistent en soms tegenstrijdig verklaard, maar dat doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de betrouwbaarheid van haar verklaring over de anale seks. De kern van de verklaring is gedetailleerd en consistent. Er zijn enige ondergeschikte inconsistenties – zoals bijvoorbeeld met betrekking tot tijdsbesef –, maar die moeten worden geacht te zijn beïnvloed door de impact van hetgeen haar overkomen is. Evenmin doet aan de betrouwbaarheid af dat er in het bloed van aangeefster sporen van benzodiazepine en sporen van cocaïne zijn aangetroffen. Nog daargelaten dat niets bekend is over de concentratie van deze stoffen in het lichaam van aangeefster (en dus ook niet over de mate waarop deze haar hebben beïnvloed), mag worden aangenomen dat zij in ieder geval niet onder invloed was op de dagen dat zij aangifte heeft gedaan en haar twee aanvullende verklaringen heeft afgelegd en waarin zij telkens – zoals gezegd ten aanzien van de kern van haar verklaring – hetzelfde heeft verklaard als op dag van het incident en het informatief zedengesprek. De verder ongefundeerde stelling van de verdediging dat haar medische en/of psychische gesteldheid ‘te denken’ geeft, doet daaraan evenmin af. Het verweer van de verdediging wordt dus verworpen.

Het steunbewijs.

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van aangeefster. Naar het oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van aangeefster steun in de verklaring van de verdachte, namelijk dat zij op 3 september 2024 in het [naam hotel] in Eindhoven anale seks hebben gehad.

De overtuiging van de rechtbank.

De rechtbank dient op basis van dat wettige bewijs ook nog tot de overtuiging te komen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem tenlastegelegde.

De rechtbank komt tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte aangeefster tegen haar wil anaal heeft gepenetreerd. De rechtbank komt tot dat oordeel op grond van het volgende.

Uit de verklaringen van aangeefster volgt dat zij niet eerder anale seks heeft gehad en dat zij tegen verdachte – toen hij haar anaal penetreerde – heeft gezegd dat het pijn deed, dat ze het niet wilde en ook “stop” heeft gezegd. Hierop reageerde verdachte niet. [getuige] heeft verklaard dat aangeefster tegen haar heeft gezegd dat verdachte zijn penis heel hard in haar anus heeft gestopt en dat zij toen steeds “stop, stop, ik wil dit niet” heeft gezegd, maar dat verdachte bleef doorgaan. Ook stuurde aangeefster kort na het incident nog een Whatsapp-bericht aan verdachte waarin ze schrijft: “Ik gaf je aan hoe pijn je me deed toen je in me kont ging en je luisterde er niet na[ar]”.

Daar staat tegenover dat verdachte wisselend heeft verklaard met betrekking tot de anale seks. Zo heeft de verdachte in eerste instantie bij de politie verklaard dat er alleen orale en vaginale seks had plaatsgevonden. Daarna heeft hij bij de rechter-commissaris tweemaal verklaard dat hij aangeefster wel anaal gepenetreerd had, maar dat dit niet de bedoeling was en dat hij met zijn geslachtsdeel op de verkeerde plek terecht kwam. Bij het voorlezen van zijn tweede verklaring bij de rechter-commissaris voegde verdachte daaraan toe dat zowel hij als aangeefster de anale penetratie lekker vonden. Tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak heeft verdachte vervolgens verklaard dat hij vaker anale seks heeft gehad met aangeefster en dat hij heeft gevraagd aan aangeefster of ze anale seks wilde, waarop ze naar zijn zeggen bevestigend antwoordde.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank de overtuiging verkregen dat de anale seks tegen de uitdrukkelijke wil van aangeefster heeft plaatsgevonden, zoals aangeefster heeft verklaard. De verklaring van de verdachte dat de anale seks met consent heeft plaatsgevonden acht de rechtbank ongeloofwaardig.

Ten aanzien van de orale en vaginale seksuele handelingen ziet de rechtbank geen wettig en overtuigend bewijs dat deze zijn verricht terwijl verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat daartoe de wil bij aangeefster ontbrak, zodat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken voor zover het die gedragingen betreft.

Opzetverkrachting.

De volgende vraag is of de handelingen van verdachte kwalificeren als opzetverkrachting. Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte met een ander seksuele handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, terwijl hij wist dat bij de ander de wil daartoe ontbrak.

Omdat aangeefster uitdrukkelijk heeft aangegeven dat zij niet anaal gepenetreerd wilde worden en dat verdachte moest stoppen, heeft verdachte door toch de anale seks door te zetten opzettelijk de ontbrekende wil bij aangeefster genegeerd.

De rechtbank acht de primair ten laste gelegde opzetverkrachting, ten aanzien van het brengen en houden van de penis in de anus van aangeefster, dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Dwang, geweld of bedreiging.

Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier onvoldoende bewijs voor de bewezenverklaring van dwang, geweld of bedreiging, waarmee de opzetverkrachting werd voorafgegaan, werd vergezeld of werd gevolgd, zodat de verdachte wordt vrijgesproken van dat deel van de tenlastelegging.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

Ten aanzien van feit 1 primair:

op 3 september 2024 te Eindhoven, met een persoon, te weten [slachtoffer] , seksuele handelingen, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, heeft verricht, immers heeft hij, verdachte, zijn penis in de anus van [slachtoffer] gebracht/gehouden

terwijl hij, verdachte, wist dat bij [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken moet worden van het ten laste gelegde feit. Er is geen straftoemetingsverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van het feit.

Bewezen is verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetverkrachting. Aangeefster en verdachte hebben afgesproken in een hotel in Eindhoven en hebben daar seks gehad. Op enig moment heeft de verdachte aangeefster daarbij anaal gepenetreerd met zijn penis. Toen aangeefster kenbaar maakte dat ze niet anaal gepenetreerd wilde worden en dat het pijn deed, heeft verdachte zich daar niets van aangetrokken en is hij doorgegaan met zijn seksuele handelingen. Verdachte heeft de gevolgen van zijn handelen voor aangeefster hiermee ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen seksuele behoeftes. Hij heeft bovendien geen enkel respect gehad voor de persoonlijke en lichamelijke integriteit van aangeefster. Het is algemeen bekend dat zedenfeiten grote impact hebben op het leven van slachtoffers en dat zij de psychische gevolgen nog lang met zich mee kunnen dragen. Uit de slachtofferverklaring van aangeefster blijkt dat dat in dit geval ook zo is. Verdachte heeft daarnaast geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Integendeel zelfs, nu hij ter terechtzitting heeft gesteld dat aangeefster de anale penetratie ook wilde, terwijl dit duidelijk niet het geval was. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De in het dossier bevindende stukken – waaronder communicatie tussen de verdachte en aangeefster via verschillende sociale media – scheppen een beeld van een zogenoemde ‘toxische’ relatie. Uit die communicatie volgt in de ogen van de rechtbank tevens dat de verdachte weinig tot geen respect voor haar erop nahield en haar op intimiderende en krenkende wijze bejegende.

De persoon van verdachte.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij bij zijn moeder woont en het contact met zijn twee kinderen en de moeder van zijn twee kinderen aan het opbouwen is. Voorts heeft hij verklaard dat hij werkzaam is als dakdekker.

De op te leggen straf.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Er zijn nog geen oriëntatiepunten voor opzetverkrachting als bedoeld in artikel 243, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Er bestaat wel een oriëntatiepunt voor verkrachting als bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht (oud). Voor de laatstgenoemde verkrachting met beperkte mate van dwang hanteren de oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden als uitgangspunt.

Gezien de aard en de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank enkel wettig en overtuigend bewijs ziet voor het éénmaal zonder consent van aangeefster seksueel binnendringen, namelijk tijdens de anale penetratie. Daarnaast acht de rechtbank niet bewezen dat er sprake was van dwang, geweld of bedreiging.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaren passend en geboden is.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de

penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke

invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van

Strafvordering.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De benadeelde partij heeft een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van de gestelde immateriële schadevergoeding van € 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

Door de raadsman van de verdachte is geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vordering vanwege de bepleite vrijspraak.

Het oordeel van de rechtbank.

Ingevolge artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek heeft een benadeelde partij onder meer recht op immateriële schadevergoeding indien diegene ‘op andere wijze aangetast is in zijn persoon’.

Van die aantasting is – zo volgt uit de rechtspraak van de Hoge Raad – onder meer sprake als de aard en de ernst van de normschending maken dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is er bij verkrachting sprake van die situatie, zodat voldoende is gebleken dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.

Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het feit en met de hoogte van de schadevergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven en De Rotterdamse Schaal (15.1 sub c). Alles overwegende, begroot de rechtbank de omvang van de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 5.000,00.

De rechtbank acht de vordering dan ook toewijsbaar tot een bedrag van € 5.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het resterende deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2024 tot de dag van de algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 243 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

opzetverkrachting.

- verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

- legt op de volgende straf:

Ten aanzien van feit 1 primair:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren;

voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;

Schadevergoedingsmaatregel:

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van € 5.000,00;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 50 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van € 5.000,00, bestaande uit immateriële schadevergoeding;

de vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.E. Bartels, voorzitter,

mr. W.M.T. Keukens en mr. S. van den Akker, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N. Slingerland, griffier,

en is uitgesproken op 23 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.E. Bartels
  • mr. W.M.T. Keukens
  • mr. S. van den Akker

Griffier

  • mr. N. Slingerland

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?