ECLI:NL:RBOBR:2026:2479

ECLI:NL:RBOBR:2026:2479

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 20-04-2026
Zaaknummer C/01/410869 / HA ZA 24-735
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Rabobank stelt een vordering te hebben op gedaagden uit hoofde van een aantal financieringen. Gedaagden voeren diverse verweren, waaronder het verweer dat Rabobank de op haar rustende (bijzondere) zorgplicht heeft geschonden, door een bedrag van € 105.000,00 aan gedaagden over te maken om het faillissement van gedaagde 1 af te wenden. De rechtbank is van oordeel dat de verweren van gedaagden niet slagen. De rechtbank vindt dat Rabobank de op haar rustende bijzondere zorgplicht niet heeft geschonden en zal de vorderingen van Rabobank toewijzen.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: C/01/410869 / HA ZA 24-735

Vonnis van 22 april 2026

in de zaak van

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

te Amsterdam,

eisende partij,

hierna te noemen: Rabobank,

advocaat: mr. B.A.J. Uitman,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

te [plaats] ,2. [gedaagde 2],

te [plaats] ,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagden] ,

advocaat: mr. M.M. van der Marel.

1. Kern van het geschil

Dit geschil gaat over een vordering die Rabobank stelt te hebben op [gedaagden] uit hoofde van een aantal financieringen. [gedaagden] voeren diverse verweren, waarbij het meest in het oog springende verweer is dat Rabobank de op haar rustende (bijzondere) zorgplicht heeft geschonden, door een bedrag van € 105.000,00 aan [gedaagden] over te maken om het faillissement van [gedaagde 1] af te wenden.

De rechtbank is van oordeel dat de verweren van [gedaagden] niet slagen. De rechtbank vindt dat Rabobank de op haar rustende bijzondere zorgplicht niet heeft geschonden en zal de vorderingen van Rabobank toewijzen.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 25 november 2024 met 21 bijlagen- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald

- de akte overlegging producties van Rabobank met bijlagen 22 t/m 29

- de mondelinge behandeling van 3 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

Een rechtsvoorganger van) Rabobank heeft aan [gedaagden] meerdere financieringen verstrekt. Daarnaast heeft Rabobank financieringen verstrekt aan vennootschappen die gelieerd zijn aan [gedaagden] . Het betreft de volgende financieringen:

€ 500.000,00 op 2 december 2004, hypothecaire geldlening [gedaagden] ,

€ 150.000,00 op 4 juni 2008, krediet in rekening-courant, tot 20 september 2012 besloten vennootschap [A] B.V. (hierna: [A] ), vanaf 21 september 2012 [gedaagden] ,

€ 200.000,00 op 10 oktober 2008, geldlening [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [A] en [B] B.V. (hierna: [B] ),

€ 400.000,00 op 10 oktober 2008, geldlening [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [A] en [C] B.V. (hierna: [C] ),

€ 150.000,00 op 6 januari 2010, hypothecaire geldlening [gedaagden] .

Op 13 februari 2010 is [A] in staat van faillissement verklaard.

Op 14 augustus 2012 is het faillissement geëindigd door het in kracht van gewijsde gaan van de rechterlijke goedkeuring van de in het faillissement van [A] getroffen regeling met de betrokken schuldeisers.

Bij overeenkomst van 21 september 2012 zijn Rabobank, [A] en [gedaagden] overeengekomen dat de rechten en verplichtingen van het aan [A] verstrekte krediet in rekening-courant worden overgedragen aan [gedaagden] .

Er is een betalingsachterstand ontstaan in de betaling van rente en aflossing door [gedaagden] .

Per brief van 5 februari 2016 heeft Rabobank de financieringen opgezegd en [gedaagden] gesommeerd om binnen veertien dagen na 5 februari 2016 al hetgeen zij uit hoofde van de financieringen aan Rabobank verschuldigd waren te voldoen.

Bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 19 september 2019 is [gedaagde 1] in staat van faillissement verklaard.

[gedaagde 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant. Het hof 's-Hertogenbosch heeft op 14 november 2019 het vonnis van 19 september 2019 vernietigd en opnieuw rechtdoende het verzoek tot faillietverklaring van [gedaagde 1] afgewezen (hierna: het arrest).

In juni 2022 hebben Rabobank en [gedaagden] een vaststellingsovereenkomst gesloten. In die vaststellingsovereenkomst is opgenomen:

1. U erkent dat de Restschuld per 01-07-2019 € 1.494.388,00 bedraagt, te vermeerderen met de verschuldigde renten en kosten tot en met het heden.

2. U verplicht zich - hoofdelijk - om uiterlijk per 30-11-2022 aan ons te hebben betaald een

bedrag van € 650.000,00 (hierna: het Afkoopbedrag) op bankrekening [rekeningnummer] ten name van Rabobank FR&R, met als betalingskenmerk: "Afkoopbedrag [gedaagde 1] ".

(…)

12. Indien U deze gemaakte afspraken niet volledig nakomt uiterlijk voor 31-11-2022 zal deze overeenkomst onmiddellijk per 1-12-2022 volledig komen te vervallen. U kan dan geen rechten meer aan deze overeenkomst ontlenen.

Tevens zal dan onmiddellijk de gehele vordering opeisbaar zijn inclusief alle lopende renten

en kosten (waaronder ook advocaat- en deurwaarderskosten) gerekend vanaf datum 01-07-

2019 tot en met algehele voldoening."

Bij brief van 20 april 2023 heeft Rabobank voor de laatste maal een betalingsvoorstel aan [gedaagden] gedaan. In die brief is geschreven:

“3. Als uiterlijk per 31 december 2023 niet is voldaan ontbinden wij de overeenkomst reeds nu voor alsdan en is onze oorspronkelijke vordering van € 1.494.388,- per 1 juni 2019 per direct opeisbaar en bent u per direct in gebreke.

4. Indien situatie 3 zich voordoet gaan wij over tot gerechtelijke incasso van onze vordering van € 1.494.388, - te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 1 juni 2023.”

Rabobank heeft de incasso van haar vordering uit handen gegeven aan Syncasso. Bij exploot van 7 maart 2024 heeft Syncasso [gedaagden] gesommeerd een bedrag van € 1.494.388,00, te vermeerderen met rente en kosten, te voldoen.

Bij aangetekende brief van 22 oktober 2024 heeft Rabobank [gedaagden] gesommeerd om een bedrag van € 1.494.388,00, te vermeerderen met rente en kosten, te voldoen, bij gebreke waarvan Rabobank rechtsmaatregelen zou treffen. Aan deze sommatie hebben [gedaagden] niet voldaan.

4. Het geschil

Rabobank vordert - samengevat – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Rabobank van:

€ 1.494.388,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2023 tot de dag van volledige betaling,

de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag van volledige betaling.

Rabobank vordert op grond van artikel 3:296 lid 1 BW betaling van de restschuld die is ontstaan na opzegging van de onder 3.1 genoemde financieringen waarvan [gedaagden] schuldenaar zijn. Rabobank stelt dat zij op basis van de overeenkomsten, de bijbehorende algemene voorwaarden en de schuldoverneming door [gedaagden] van het aan [A] verstrekte krediet gerechtigd is het gehele openstaande saldo van de leningen bij [gedaagden] op te vorderen. Daarnaast vordert zij krachtens artikel 6:119 lid 1 BW betaling van de wettelijke rente over de hoofdsom.

[gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van Rabobank, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Rabobank, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Rabobank in de kosten van deze procedure.

[gedaagden] voeren in hun conclusie van antwoord aan dat de overeenkomsten nietig zijn en/of vernietigbaar aangezien geen sprake is geweest van aanbod en aanvaarding en/of dat de overeenkomsten tot stand zijn gekomen onder invloed van bedreiging en/of bedrog en/of misbruik van omstandigheden en/of omdat [gedaagden] hebben gedwaald. Voorts voeren [gedaagden] aan dat de overeenkomsten niet voldoen aan de eisen die de wet daaraan stelt en/of zijdens [gedaagden] nimmer sprake is geweest van een geldige rechtshandeling aangezien wil en verklaring niet met elkaar in overeenstemming waren. Daarnaast betwisten [gedaagden] uitdrukkelijk dat zij in privé (hoofdelijk) aansprakelijk zijn voor de krediet- en/of geldleningsovereenkomsten die zijn aangegaan tussen Rabobank en de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid [A] , [B] en [C] aangezien nimmer sprake is geweest van een (rechtsgeldige) schuldoverneming en/of een cessie die voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt. Bovendien heeft Rabobank haar (bijzondere) zorgplicht geschonden door niet, althans onvoldoende, te waken voor overkreditering door onder andere steeds nieuwe vormen van (her)financiering aan te bieden en af te sluiten met [gedaagden] zonder voldoende of adequaat onderzoek te verrichten naar hun financiële draagkracht en/of andere verhaalsmogelijkheden. Kenmerkend hiervoor is dat een medewerker van ‘Bijzonder Beheer ’ een bedrag van € 105.000,- heeft overgemaakt namens ‘Rabobank/Privé’ om het faillissement op te heffen. Ook worden de juistheid van de gestelde bedragen, de opeisbaarheid van de vorderingen, het feit dat [gedaagden] in verzuim verkeren en dat Rabobank de financieringsrelatie mocht opzeggen betwist. Verder stellen [gedaagden] dat sprake is van verjaring ten aanzien van (een deel van) de vorderingen van Rabobank en dat het - gelet op de feiten en omstandigheden - naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als de vorderingen van Rabobank zouden worden toegewezen, althans als deze niet zouden worden gematigd.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

De restschuld is opeisbaar

Rabobank vordert betaling van de restschuld die is ontstaan na opzegging van de financieringsrelatie. [gedaagden] hebben in hun conclusie van antwoord diverse verweren gevoerd tegen het bestaan van de financieringsrelatie, de opzegging van de financieringen, de opeisbaarheid van de vorderingen en het intreden van verzuim. Tijdens de mondelinge behandeling hebben zij echter erkend dat de leningen en kredieten zijn verstrekt, dat Rabobank de financieringen heeft opgezegd, dat de financieringen daardoor opeisbaar zijn geworden en dat de leningen en kredieten niet zijn terugbetaald. Vervolgens hebben zij tijdens de mondelinge behandeling enkel de gestelde zorgplichtschending verder toegelicht.

Dat geen sprake is geweest van aanbod en aanvaarding, dat wil en verklaring niet met elkaar in overeenstemming waren of dat de overeenkomsten tot stand zijn gekomen onder invloed van bedreiging en/of bedrog en/of misbruik van omstandigheden en/of dwaling, is door [gedaagden] geenszins onderbouwd. Deze verweren volgt de rechtbank dus niet. Hetzelfde geldt voor de verweren dat geen sprake is geweest van een (rechtsgeldige) schuldoverneming en/of een cessie, dat Rabobank de financieringsrelatie niet mocht opzeggen, dat geen sprake is van verzuim, en dat de vorderingen zijn verjaard. Ook deze verweren zijn op geen enkele wijze onderbouwd en worden daarom gepasseerd. Het verweer dat Rabobank haar zorgplicht heeft geschonden resteert dan en komt hierna aan bod.

Schending van de bijzondere zorgplicht

De rechtbank overweegt over de schending van de bijzondere zorgplicht het volgende. Uitgangspunt is dat de maatschappelijke functie van een bank een bijzondere zorgplicht voor de bank meebrengt. Het kan daarbij onder meer gaan om onderzoeks-, advies-, informatie- en waarschuwingsplichten. De zorgplicht kan inhouden dat de bank onderzoek moet doen naar de financiële mogelijkheden, de deskundigheid en de doelstellingen van haar klant, zoals het onderzoek dat de bank moet verrichten bij een consument om overkreditering te voorkomen. De inhoud en reikwijdte van die zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate van deskundigheid en relevante ervaringen van de betrokken wederpartij, de ingewikkeldheid van het product en de daaraan verbonden risico’s.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben [gedaagden] toegelicht dat, anders dan lijkt te volgen uit hun conclusie van antwoord, het niet gaat om een schending van de zorgplicht bij de verstrekking van de primaire hoofdsom. Het gaat (dus) ook niet om overkreditering, zoals hierboven kort aangeduid. De schending van de zorgplicht is volgens hen gelegen in het feit dat Rabobank op 4 november 2019 vanuit ‘Bijzonder Beheer ’ een bedrag van € 105.000,00 aan hen heeft overgemaakt (op de derdenrekening van de voormalige advocaat van [gedaagde 1] ) om het faillissement van [gedaagde 1] af te wenden. Rabobank wilde niet dat [gedaagde 1] failliet zou gaan. Met het bedrag van € 105.000,00 had [gedaagde 1] voldoende saldo om alle vorderingen van de schuldeisers te voldoen, of binnen afzienbare tijd te voldoen, althans om een voor de schuldeisers bevredigende betalingsregeling te treffen. Als het faillissement echter niet was afgewend, dan had [gedaagde 1] na drie jaar tot een schone lei kunnen komen via het ‘Wsnp-traject’ (het traject ten aanzien van de Wettelijke Schuldsanering Natuurlijke Personen). Doordat Rabobank het bedrag van € 105.000,00 heeft betaald werd het faillissement afgewend en heeft zij dus voorkomen dat [gedaagde 1] een schone lei kreeg (althans zijn schulden kon aflossen) via dat traject. Hierdoor heeft Rabobank haar bijzondere zorgplicht geschonden, waardoor [gedaagden] de schuld aan Rabobank nu nog steeds boven hun hoofd hebben hangen. Dit brengt een onrechtmatige daad met zich mee die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid erop neerkomt dat Rabobank geen vordering toekomt, aldus [gedaagden] .

Rabobank heeft de betaling van € 105.000,00 door Bijzonder Beheer betwist. Zij heeft onderzoek gedaan, maar de betaling niet in haar administratie kunnen vinden. Als Rabobank een dergelijke betaling al zou hebben gedaan, dan zou zij hiervoor een geldleningsovereenkomst overeenkomen, waarin afspraken over rente zouden worden gemaakt. Bovendien meent Rabobank dat zij de op haar rustende zorgplicht niet zou hebben geschonden door het tegenhouden van een faillissement.

De rechtbank begrijpt dat [gedaagden] Rabobank verwijten dat [gedaagde 1] door het uitblijven van het faillissement uiteindelijk in een slechtere financiële positie is terechtgekomen, dan wanneer hij failliet zou zijn gegaan. Deze slechtere financiële positie is terug te voeren, zo begrijpt de rechtbank, op de gestelde regeling die Rabobank heeft gesloten met [gedaagde 1] , namelijk de gestelde betaling van € 105.000,00, waardoor het faillissement werd afgewend. De rechtbank begrijpt verder dat [gedaagden] menen dat Rabobank hen had moeten waarschuwen voor het aangaan van die regeling, dan wel over de gevolgen daarvan had moeten inlichten. Tijdens de mondelinge behandeling gaf [gedaagde 1] aan dat hij tijdens het afsluiten van de regeling werd bijgestaan door een advocaat.

Gelet op de hoofdregel van 150 Rv, rust de stelplicht en de bewijslast van de feitelijke grondslag van de gestelde schending van de zorgplicht door Rabobank op [gedaagden] . Zij beroepen zich namelijk op het rechtsgevolg van die gestelde schending, te weten dat Rabobank geen vordering toekomt.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben [gedaagden] in het licht van de gemotiveerde betwisting van Rabobank onvoldoende gesteld dat sprake is van een schending van de bijzondere zorgplicht. [gedaagden] hebben weliswaar gesteld dat zij bewijs kunnen leveren van de betaling van het bedrag van € 105.000,00, maar ook als die betaling vast zou komen te staan, is volstrekt onduidelijk gebleven waarom het treffen van een regeling met Rabobank om het faillissement af te wenden een schending van haar bijzondere zorgplicht zou opleveren. Het gaat hier immers niet om de verstrekking van (een aanvullend) krediet (waarvoor er volgens vaste jurisprudentie op een bank een bijzondere zorgplicht rust), maar om het treffen van een regeling om het faillissement af te wenden waarbij [gedaagden] zich door een advocaat hebben laten bijstaan.

Daarbij geldt dat er voor de rechtbank (te) veel onduidelijk is over de feitelijke gang van zaken ten aanzien van die gestelde regeling met (Bijzonder Beheer van) Rabobank en hoe die gestelde regeling heeft geleid tot het afwenden van het faillissement. Zo hebben [gedaagden] tijdens de mondelinge behandeling onvoldoende duidelijk gemaakt waarom [gedaagde 1] op 26 september 2019 zelf in hoger beroep is gegaan tegen het vonnis van de rechtbank waarbij hij in staat van faillissement werd verklaard. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan de rechtbank dit niet rijmen met hun stellingen. Als hij geen hoger beroep had aangetekend, dan was hij (ook) in staat van faillissement gebleven en had hij, volgens hun eigen stellingen, de Wsnp (mogelijk) kunnen ingaan en (mogelijk) in een financiële betere positie terecht gekomen.

Daarnaast heeft [gedaagde 1] tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat [D] (één van de schuldeisers en aanvrager van het faillissement) werd afgekocht met het bedrag van € 105.000,00 dat hij van Rabobank ontving. Rabobank zou zich niet hebben gesteld in het faillissement, aldus [gedaagde 1] . In het arrest van het hoger beroep over het faillissement is echter vermeld dat crediteur [D] een opeisbare vordering heeft van € 171.563,84 op [gedaagde 1] . Dat bedrag is een hoger bedrag dan het genoemde afkoopbedrag van € 105.000,00. Daarnaast is in het arrest vermeld dat [gedaagde 1] met Rabobank in september 2019 een regeling heeft getroffen, die wordt onderbouwd door een brief van Rabobank van 25 september 2019 (aldus het arrest, zie randnr. 3.2 en 3.56). Onduidelijk is welke regeling dat betreft en waarom Rabobank er toen nog belang bij had een andere regeling met [gedaagde 1] te treffen. Verder vermeldt het arrest dat er met een andere schuldeiser ook een regeling is getroffen, en dat er genoeg geld op de derdenrekening staat om nog overige schuldeisers te betalen (zie randnr. 3.6 van het arrest). Gelet op het voorgaande, kan de rechtbank de stelling dat (enkel) [D] is afgekocht met die € 105.000,00 om een faillissement af te wenden niet volgen.

Op vragen van de rechtbank over waarom [gedaagden] dit verweer ook niet eerder, en concreter, naar voren hebben gebracht, heeft [gedaagde 1] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij niet eerder bewijs over de gestelde regeling wilde inbrengen om ‘niet onnodig iemand te beschadigen die mij geholpen heeft’. Zijn advocaat verduidelijkte daarna dat het om de heer [E] van Bijzonder Beheer ging. De heer [E] zou de betaling van € 105.000,00 hebben aangeboden en de regeling hebben gesloten. Onduidelijk is hoe dat ‘helpen’ geduid moet worden tegen de achtergrond van het afwenden van het faillissement en de schending van de bijzondere zorgplicht. Kennelijk was [gedaagde 1] gebaat bij de betaling van dat bedrag destijds, en had hij er belang bij om het faillissement af te wenden. Ook onduidelijk is in hoeverre de heer [E] namens Rabobank handelde. Volgens (de gemachtigde van) [gedaagden] zou de betaling juist ‘buiten de boeken zijn gehouden’ en gaf de heer [E] ‘op eigen naam de lening uit’. Daarnaast zou de betaling, aldus de conclusie van antwoord, zijn overgemaakt ‘namens Rabobank/Privé’ (randnr. 8).

Gelet op het voorgaande, hebben [gedaagden] onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen ter onderbouwing van hun beroep op de gestelde zorgplichtschending. Omdat [gedaagden] niet aan hun stelplicht hebben voldaan, komt de rechtbank niet toe aan bewijslevering (waaronder het horen van getuigen, zoals tijdens de mondelinge behandeling is voorgesteld door [gedaagden] ). Bewijslevering is er immers niet om lacunes in de stelplicht te repareren.

Matiging

Ten slotte doen [gedaagden] een beroep op de bevoegdheid van de rechtbank om het te betalen bedrag te matigen. De rechter kan onder omstandigheden, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, een schadevergoeding matigen als volledige toekenning daarvan tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Er is in dit geval echter geen sprake van een vordering tot betaling van een schadevergoeding. Het gaat immers om een vordering tot nakoming van de financieringsovereenkomsten. Hierdoor is er voor de rechter geen ruimte om het te betalen bedrag te matigen.

Conclusie

Het verweer van [gedaagden] met betrekking tot het schenden van de (bijzondere) zorgplicht wordt ook gepasseerd. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een schending van de zorgplicht door Rabobank en (dus) ook niet van een onrechtmatige daad vanwege een dergelijke schending. De rechtbank zal de vordering tot betaling van € 1.494.388,00 toewijzen. De gevorderde wettelijke rente hierover wordt toegewezen zoals gevorderd. Hiertegen is ook geen afzonderlijk verweer gevoerd.

Proceskosten

[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rabobank worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

112,37

- griffierecht

6.617,00

- salaris advocaat

9.262,00

(2 punten × € 4.631,00)

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

16.180,37

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Hoofdelijke veroordeling

De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1] gesteld dat [gedaagde 2] er niet bij betrokken is geweest en verzocht het vonnis alleen op zijn naam te zetten. Voor zover [gedaagde 1] (en [gedaagde 2] ) hiermee beoogd hebben te stellen dat [gedaagde 2] niet (hoofdelijk) aansprakelijk is, kan dit niet slagen. [gedaagde 2] was partij bij de financieringsovereenkomsten en ook zij heeft de vaststellingsovereenkomst gesloten en ondertekend. Het voorgaande geldt dus ook ten aanzien van haar.

6. De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan Rabobank te betalen een bedrag van € 1.494.388,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 juni 2023, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 16.180,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. Smies, mr. A. de Boer en mr. A.A.M. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?