ECLI:NL:RBOBR:2026:2480

ECLI:NL:RBOBR:2026:2480

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 20-04-2026
Datum publicatie 20-04-2026
Zaaknummer 01-106125-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Vrijspraak van poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling. (Voorwaardelijk) opzet niet bewezen. Bewezenverklaring van overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994 en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 6 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden. De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering, gelet op de vrijspraak.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.106125.25

Datum uitspraak: 20 april 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [2000] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 juli 2025, 2 oktober 2025, 8 december 2025, 2 maart 2026 en 7 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 juni 2025.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 7 april 2026 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van feit 1 primair:

hij op of omstreeks 5 april 2025 te Erp, althans in de gemeente Meierijstad, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een politieambtenaar (geregistreerd onder [nummer] )

opzettelijk van het leven te beroven,

terwijl die politieambtenaar zijn politievoertuig op de weg had stilgezet om de door hem, verdachte, bestuurde personenauto tot stoppen te dwingen

en zich staande achter het geopende portier van dat politievoertuig bevond, met die door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid en/of hevig accelererend recht op die politieambtenaar en/of dat politievoertuig af is gereden en/of tegen de voorkant van dat politievoertuig aan is gebotst en/of door is gereden terwijl de ruimte tussen dat politievoertuig met geopende deur en een op de weg staande tractor te klein was,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

hij op of omstreeks 5 april 2025 te Erp, althans in de gemeente Meierijstad, althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan een politieambtenaar (geregistreerd onder [nummer] )

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

terwijl die politieambtenaar zijn politievoertuig op de weg had stilgezet om de door hem, verdachte, bestuurde personenauto tot stoppen te dwingen

en zich staande achter het geopende portier van dat politievoertuig bevond, met die door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid en/of hevig accelererend recht op die politieambtenaar en/of dat politievoertuig af is gereden en/of tegen de voorkant van dat politievoertuig aan is gebotst en/of door is gereden terwijl de ruimte tussen dat politievoertuig met geopende deur en een op de weg staande tractor te klein was,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van feit 2:

hij op of omstreeks 5 april 2025 te Veghel en/of te Keldonk en/of te Erp, althans in de gemeente Meierijstad en/of te Gemert, gemeente Gemert-Bakel,

als bestuurder van een voertuig (personenauto),

daarmee rijdende op de wegen, de N279 in Veghel en/of de Morgenstraat in Keldonk en/of de N616 tussen Erp en Gemert en/of de Pandelaar in Gemert,

zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door

tijdens het rijden een of meer ballon(nen) met lachgas te gebruiken en/of te rijden onder invloed van lachgas en/of op de N279 met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur zeer dicht achter een voor hem rijdend politievoertuig te gaan rijden en/of meermalen hard op te trekken terwijl dat politievoertuig vlak voor hem reed en/of slingerende bewegingen te maken over de rijstrook en/of de doorgetrokken middenstreep en/of de berm van de N279 en/of

met een snelheid van ongeveer 160 kilometer per uur, althans met overschrijding van de maximumsnelheid, over de Morgenstraat en/of de N616 richting Gemert te rijden en/of op de Pandelaar op een wegversperring in te rijden en/of tegen een betonblok aan te rijden,

door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;

Ten aanzien van feit 3:

hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 5 april 2025 in de gemeente Meierijstad, althans in Nederland,

een of meer politieambtenaren en/of een persoon genaamd [slachtoffer] en/of zijn echtgenote heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door telkens met zijn hand schietgebaren naar die politieambtenaren te maken en/of

door naar de auto waarin die [slachtoffer] en zijn echtgenote zich bevonden te lopen en/of met zijn hand een pistool na te bootsen en/of vervolgens door het geopende raam van het voertuig waarin [slachtoffer] en zijn echtgenote zaten te steken en/of op [slachtoffer] en zijn echtgenote te richten en/of daarbij telkens het woord "baf" te zeggen;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de feiten 1 primair, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 1 primair heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte met een aanzienlijke snelheid van circa 40 km per uur tussen het landbouwvoertuig en het politievoertuig is doorgereden. Bij die manoeuvre heeft het door verdachte bestuurde voertuig zowel het politievoertuig als het landbouwvoertuig geraakt. De ruimte tussen beide stilstaande voertuigen was veel te klein om tussendoor te rijden.

Terwijl verdachte tussen beide voertuigen doorreed stond verbalisant [nummer] in de deuropening van het politievoertuig, tussen het portier en het voertuig in.

Verdachte is rakelings langs het politievoertuig en de deur waarachter de verbalisant zich bevond afgereden. Als het door verdachte bestuurde voertuig het portier geraakt had, dan had de verbalisant klem gezeten tussen het portier en de auto. Dergelijke aanrijdingen kunnen, zelfs bij een snelheid lager dan 40 kilometer per uur, botbreuken, hoofdletsel of intern letsel veroorzaken en de kans dat een slachtoffer als gevolg daarvan komt te overlijden, is zeker niet uit te sluiten. Door het handelen van verdachte is, aldus de officier van justitie, een aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat verbalisant [nummer] het leven zou laten. Dat risico heeft verdachte bewust genomen om maar te kunnen ontkomen aan de politie.

De officier van justitie komt tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, een poging tot doodslag op verbalisant [nummer] .

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft vrijspraak van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde bepleit. Primair is de raadsvrouw van mening dat er geen sprake is van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat sprake is van een absoluut ondeugdelijke poging.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het tegen een betonblok aanrijden niet als het ernstig schenden van de verkeersregels kan worden beschouwd.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Vrijspraak ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair.

Vaststelling van de feiten ten aanzien van feit 1.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.

Verdachte heeft op 5 april 2025 een personenauto, Toyota Aygo met [kenteken] bestuurd op de Kempkesweg te Erp.

Vóór verdachte is een tractor met gierton (hierna: landbouwcombinatie) tot stilstand gekomen. Deze landbouwcombinatie stond deels op de weg en deels in de berm geparkeerd, aan de voor verdachte rechterzijde van de weg.

In de voor verdachte tegenovergestelde richting is een politieauto genaderd. Deze politieauto is, vanuit verdachte gezien, aan de linkerzijde van de weg en kort vóór de landbouwcombinatie stilgezet om verdachte tot stoppen te dwingen. Verbalisant [nummer] is achter het geopende portier van de politieauto gaan staan, aan de voor hem linkerzijde en voor verdachte rechterzijde van de politieauto.

Tussen de politieauto en de stilstaande landbouwcombinatie was een smalle doorgang.

Verdachte is vervolgens met zijn voertuig de landbouwcombinatie genaderd, heeft een stuurmanoeuvre naar (voor hem) links gemaakt, heeft zich langs de landbouwcombinatie gemanoeuvreerd en is vervolgens naar rechts gereden, door de smalle doorgang tussen de tegemoet staande politieauto en de stilstaande landbouwcombinatie.

Daarbij is, gelet op de schades aan de betrokken voertuigen, verdachte met zijn voertuig in aanrijding gekomen met de linkervoorzijde van de politieauto en de linkerzijde van de landbouwcombinatie. Het openstaande portier van de politieauto waar verbalisant [nummer] achter stond, heeft hierbij geen schade opgelopen.

De snelheid van het voertuig van verdachte.

Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft in haar rapport van 18 december 2025 gerapporteerd over de snelheid van de door verdachte bestuurde Toyota Aygo ten tijde van de botsing met de stilstaande voertuigen waaronder het politievoertuig.

Het NFI rapporteert dat de gemiddelde snelheid van de auto van verdachte 22 kilometer per uur bedroeg over een afstand van 43 meter voorafgaand aan de botsing. Indien sprake zou zijn van afremmen en daarna vol gas versnellen binnen die 43 meter, dan zou de Toyota Aygo, aldus het NFI, in theorie ter hoogte van de botsplaats een maximale snelheid van circa 40 kilometer per uur hebben kunnen bereiken.

[verbalisant 1] , die achter verdachte aanreed, heeft beschreven dat hij niet heeft waargenomen dat de remlichten van de Toyota Aygo zijn gaan branden op het moment dat het voertuig van verdachte het politievoertuig naderde. Op grond van deze bevindingen van de verbalisant gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte kort voor de botsing niet heeft geremd.

De rechtbank realiseert zich dat de mogelijkheid bestaat dat verdachte kort voor de botsing eerst het gas heeft losgelaten - waardoor de snelheid van het voertuig zou afnemen - en daarna heeft geaccelereerd. In aanmerking genomen evenwel de gemiddelde snelheid van 22 kilometer per uur van verdachte over de (betrekkelijk geringe) afstand van 43 meter is de rechtbank van oordeel dat het afremmende effect van het gaspedaal loslaten niet van dien aard had kunnen zijn dat dit, gecombineerd met het daarna vol gas accelereren, tot een snelheid van 40 kilometer per uur op de botsplaats, kon leiden.

Anders dan de officier van justitie gaat de rechtbank er dan ook van uit dat verdachte kort voor de botsing met een snelheid van circa 22 kilometer per uur of een licht hogere snelheid heeft gereden en niet met een snelheid van 40 kilometer per uur.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij heeft afgeremd en het voertuig zelfs tot stilstand heeft gebracht, om zich met een snelheid van circa 2 tot 3, maximaal 7 kilometer per uur door de opening tussen de politieauto en de landbouwcombinatie te manoeuvreren. De rechtbank schuift deze verklaring van verdachte gelet op het hiervoor overwogene terzijde.

Is er sprake van (voorwaardelijk) opzet?

Op basis van het dossier kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen dat verdachte vol opzet heeft gehad om verbalisant [nummer] , die achter het linkerportier van de politieauto stond, te doden of hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

De rechtbank ziet zich dan voor de vraag gesteld of sprake is van voorwaardelijk opzet

Om deze vraag te beantwoorden, zal moeten worden gekeken naar de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachte gegeven de omstandigheden waaronder die plaatsvonden. Daarvoor moet worden beoordeeld of er een aanmerkelijke kans bestond dat verbalisant [nummer] door het rijgedrag van verdachte gedood zou worden of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

De rechtbank overweegt daartoe allereerst dat de snelheid waarmee verdachte op de Kempkesweg op het stilstaande politievoertuig is afgereden niet exact vastgesteld kan worden, maar dat die snelheid, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, op het moment waarop het voertuig van verdachte het politievoertuig raakte, ongeveer 22 kilometer per uur of een licht hogere snelheid bedroeg. Het dossier bevat geen concrete aanwijzingen dat, indien het door verdachte bestuurde voertuig met die snelheid het politievoertuig frontaal had geraakt, of in ieder geval op een dusdanige wijze dat het politievoertuig daardoor in beweging zou zijn gekomen, daarmee de aanmerkelijke kans in het leven werd geroepen dat verbalisant [nummer] zodanig door het verschuivende politievoertuig zou worden geraakt dat hij daardoor zou hebben komen te overlijden, dan wel zwaar lichamelijk letsel zou hebben opgelopen.

Gebleken is voorts dat verdachte met zijn auto tussen het dienstvoertuig en de landbouwcombinatie door is gereden, hetgeen kennelijk ook zijn bedoeling was, en dat verdachte dat heeft kunnen doen zonder het linkerportier van het dienstvoertuig te raken. Uit het dossier blijkt immers niet van schade aan het linkerportier van het dienstvoertuig. Uit de grafische weergave van het NFI over de door verdachte afgelegde route blijkt naar het oordeel van de rechtbank bovendien niet dat er sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat het linkerportier van de politieauto door verdachte zou worden geraakt, laat staan dat de situatie zich voordeed dat de aanmerkelijke kans bestond dat het portier op een zodanige wijze geraakt had kunnen worden dat verbalisant [nummer] daardoor beklemd zou komen te geraken tussen het portier en het voertuig.

Naar het oordeel van de rechtbank kan aldus niet worden geoordeeld dat door het rijgedrag van verdachte sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood of op zwaar lichamelijk letsel van verbalisant [nummer] .

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten.

Het voorgaande neemt niet weg dat de situatie waarin verbalisant [nummer] en [verbalisant 2] zich op 5 april 2025 bevonden, zeer beangstigend moet zijn geweest.

Ten aanzien van feit 2 en 3

De bewijsmiddelen.

Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 2 en 3 verwezen naar de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

Ten aanzien van feit 2:

op 5 april 2025 te Veghel en/of te Keldonk en/of te Erp en/of te Gemert, gemeente Gemert-Bakel, als bestuurder van een voertuig, personenauto,

daarmee rijdende op de wegen, de N279 in Veghel en/of de Morgenstraat in Keldonk en/of de N616 tussen Erp en Gemert en/of de Pandelaar in Gemert,

zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door

tijdens het rijden ballonnen met lachgas te gebruiken en te rijden onder invloed van lachgas en op de N279 met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur zeer dicht achter een voor hem rijdend politievoertuig te gaan rijden en meermalen hard op te trekken terwijl dat politievoertuig vlak voor hem reed en slingerende bewegingen te maken over de rijstrook en de doorgetrokken middenstreep en de berm van de N279 en

met een snelheid van ongeveer 160 kilometer per uur over de Morgenstraat en de N616 richting Gemert te rijden en op de Pandelaar op een wegversperring, tegen een betonblok aan te rijden,

door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;

Ten aanzien van feit 3:

op 5 april 2025 in Nederland, politieambtenaren en een persoon genaamd [slachtoffer] en zijn echtgenote heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

door telkens met zijn hand schietgebaren naar die politieambtenaren te maken en

door naar de auto waarin [slachtoffer] en zijn echtgenote zich bevonden te lopen en met zijn hand een pistool na te bootsen en vervolgens door het geopende raam van het voertuig waarin [slachtoffer] en zijn echtgenote zaten te steken en op [slachtoffer] en zijn echtgenote te richten en daarbij telkens het woord "baf" te zeggen;

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft ten aanzien van de feiten 1 primair, 2 en 3 een gevangenisstraf van 54 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht gevorderd. Tevens heeft de officier van justitie een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 jaren gevorderd.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat bij feit 1 het zwaartepunt dient te liggen. Nu de raadsvrouw ten aanzien van dit feit vrijspraak heeft bepleit, kan enkel een straf worden opgelegd voor de feiten 2 en 3. De raadsvrouw vindt voor deze twee feiten een gevangenisstraf van maximaal enkele maanden aan de orde.

De raadsvrouw heeft tot slot opheffing van de voorlopige hechtenis verzocht, gelet op artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De aard en de ernst van de feiten.

Verdachte heeft, als bestuurder van een personenauto, zich op de weg zodanig gedragen, dat hij de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden. Door deze verkeersgedragingen was er levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de medeweggebruikers, en zijn passagier, te duchten.

Verdachte heeft extreem gevaarlijk rijgedrag vertoond, door langdurig tijdens een politieachtervolging met hoge snelheden te rijden, waarbij op meerdere plaatsen zeer gevaarlijke situaties voor de medeweggebruikers en zijn passagier zijn ontstaan.

Uit het dossier blijkt dat verdachte voorafgaand en ook tijdens de achtervolging meerdere ballonnen met lachgas heeft gebruikt en dat hij derhalve onder invloed verkeerde. Het is algemeen bekend dat het gebruik van lachgas de rijvaardigheid negatief beïnvloedt en dat lachgasgebruik onverenigbaar is met een verantwoorde verkeersdeelname.

De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij met zijn handelen totaal geen rekening heeft gehouden met de gevaren voor de verbalisanten en de overige medeweggebruikers en voor zijn passagier in de auto.

Tijdens deze dollemansrit heeft verdachte ook nog politieambtenaren bedreigd door schietgebaren naar hen te maken. Tevens heeft hij een medeweggebruiker en zijn echtgenote, na een verkeersincident, bedreigd door naar hun auto te lopen en door het geopende raam schietgebaren naar hen te maken en daarbij het woord ‘baf’ te zeggen.

Deze bedreigingen moeten voor de verbalisanten en de (overige) medeweggebruikers beangstigend zijn geweest.

De persoon van verdachte

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat verdachte de ernst van zijn handelen inziet. Verdachte is er laconiek onder en wekt niet de indruk spijt te hebben van zijn handelen.

De straf

Gelet op de ernst van de feiten en in verband met een juiste normhandhaving is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van het voorarrest.

Uit het oogpunt van preventie en voor de verkeersveiligheid vindt de rechtbank daarnaast het opleggen van een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden passend en geboden.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank, anders dan door de officier van justitie gevorderd, verdachte van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde zal vrijspreken.

De vordering van de benadeelde partij verbalisant onder [nummer] :

De benadeelde partij heeft met betrekking tot de immateriële schade een bedrag van

€ 1.500,-- gevorderd met wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft toewijzing van de gehele vordering bepleit, met de wettelijke rente. Tevens heeft de officier van justitie het opleggen van de maatregel van 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw is primair van mening dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak.

Subsidiair is de raadsvrouw van mening dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering omdat uit de vordering niet blijkt welk deel van de immateriële schade ziet op het schietincident en welk deel op het handelen van verdachte. Dit zou, aldus de raadsvrouw, civielrechtelijk moeten worden uitgezocht.

Beoordeling.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien verdachte wordt vrijgesproken van feit 1 primair en subsidiair, op welk feit de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden begroot op nihil.

Het beslag.

Verdachte heeft ter terechtzitting afstand gedaan van de goederen vermeld op de beslaglijst. Om die reden hoeft de rechtbank geen beslissing meer te geven met betrekking tot dit beslag.

De voorlopige hechtenis.

De rechtbank heeft bij aparte beslissing van 8 april 2026 de voorlopige hechtenis met ingang van die datum opgeheven, gelet op het bepaalde in artikel 67a, derde lid van het Wetboek van Strafvordering.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

57, 285 Wetboek van Strafrecht en

5a, 176, 179 Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Bewezenverklaring:

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

verklaart het ten laste gelegde onder de feiten 2 en 3 bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Kwalificatie:

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 2:

Overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994

Ten aanzien van feit 3:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Strafoplegging:

legt op de volgende straffen.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3:

 Een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

 Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij verbalisant onder [nummer] :

Ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair:

Bepaalt dat de benadeelde partij verbalisant onder [nummer] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.

Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.M. Hettinga, voorzitter,

mr. E.M.J. Raeijmaekers en mr. B.A.R. Janssen, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 20 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.M. Hettinga
  • mr. E.M.J. Raeijmaekers
  • mr. B.A.R. Janssen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?