RECHTBANK OOST-BRABANT
Parketnummer: 71.113932. [verdachte]
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 71.113932.24
Datum uitspraak: 23 april 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1977] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 3 maart 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
t.a.v. feit 1:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 april 2020 tot en met 15 april 2020 te Rijsbergen, in ieder geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van
- 100 kilo cocaïne (in of omstreeks de periode van 2 april 2020 tot en met 14 april 2020) en/of
- 100 kilo cocaine (op of omstreeks 15 april 2020),
althans (telkens) een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- (telkens) een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- (telkens) zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- (telkens) voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers heeft hij/hebben zij
- een (of meer) (crypto)telefoon(s) voorhanden gehad en/of
- op die (crypto)telefoon(s) een EncroChat applicatie geïnstalleerd en/of laten installeren en/of
- met de gebruiker(s) van account “ [naam 1] ” en/of “ [naam 2] ” en/of “ [naam 3] ” en/of “ [naam 4] ” inlichtingen uitgewisseld over de beschikbaarheid en/of de prijs en/of de kwaliteit van cocaïne en/of afspraken gemaakt over de levering van cocaïne en/of
- een of meer foto’s van blokken cocaïne gemaakt en/of laten maken en/of (vervolgens) verzonden/doorgestuurd en/of laten doorsturen aan de kopende partij(en) en/of mededader(s) en/of derde(n);
t.a.v. feit 2:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 januari 2020 tot en met 29 mei 2020 te Rijsbergen, in ieder geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van
- 2500 kilo cocaïne (in of omstreeks de periode van 14 januari 2020 tot en met 29 mei 2020)
althans (telkens) een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- (telkens) een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- (telkens) zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- (telkens) voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers heeft hij/hebben zij
- een (of meer) (crypto)telefoon(s) voorhanden gehad en/of
- op die (crypto)telefoon(s) een EncroChat applicatie geïnstalleerd en/of laten installeren en/of
- inlichtingen uitgewisseld over de prijs en/of de beschikbaarheid van cocaïne en/of over de verdeling van opbrengsten en/of over het regelen van schepen en/of bemanning en/of over (dek)ladingen voor het vervoeren van de cocaïne en/of over de beschikbaarheid en/of het gebruik van transportlijnen en/of over het/de land(en) en/of de zeehaven(s) en/of de route(s) van waaruit of waarover de cocaïne zal/zou worden verstuurd en/of waarheen de cocaïne zal/zou worden vervoerd (onder meer in (groeps)chats met de gebruiker(s) van de accounts “ [naam 1] ”, “ [naam 3] ”, “ [naam 5] ”);
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De beoordeling van de overeenkomst tussen de verdachte en het Openbaar Ministerie betreffende procesafspraken.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de procesafspraken die de verdachte en zijn raadsman met de officier van justitie hebben gemaakt. De overeenkomst is gedateerd op 6 maart 2026.
De rechtbank is bij de beoordeling van deze overeenkomst uitgegaan van het kader dat de Hoge Raad heeft gegeven in het arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252).
De rechtbank stelt vast dat de verdachte bij de totstandkoming van de overeenkomst werd bijgestaan door zijn raadsman mr. M.C.J. Heinen en dat de verdachte kennis heeft genomen van de inhoud van die overeenkomst.
De rechtbank gaat ervan uit dat partijen weten dat de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) leidend zijn bij de beoordeling van de tenlastelegging en dat de rechtbank geen partij is bij en niet is gebonden aan de gemaakte procesafspraken. De in de overeenkomst vastgelegde afspraken en de consequenties daarvan zijn door de rechtbank met de verdachte besproken. De verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd de inhoud van de overeenkomst en de procesrechtelijke gevolgen hiervan te kennen, te begrijpen en hiermee in te stemmen.
De rechtbank constateert dat de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De rechtbank stelt vast dat de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen geen afbreuk doet aan het aan de verdachte op grond van artikel 6 EVRM toekomende recht op een eerlijk proces.
De overeenkomst houdt – zakelijk weergegeven – in dat:• de officier van justitie ter terechtzitting voor de feiten onder 1 en 2 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 42 maanden en een geldboete van € 10.000,- eist;
• het Openbaar Ministerie – gelet op de ouderdom van de ten laste gelegde feiten en de persoonlijke omstandigheden rondom de zoon van verdachte – geen bevel tot gevangenneming zal vorderen;• de verdachte verklaart geen bezwaar te hebben tegen kennisgeving aan het CJIB van de gemaakte procesafspraken om te kunnen komen tot executie;• de verdachte geen onderzoekswensen indient dan wel de reeds ingediende en toegewezen onderzoekswensen intrekt;• de verdediging geen verweren ex artikel 348 Sv voert;• de verdediging geen bewijsverweren en strafuitsluitingsverweren voert;• de verdediging geen strafmaatverweren voert;• de zaak terugkeert naar de regiefase indien de rechtbank afwijkt van het door verdachte, diens advocaat en het Openbaar Ministerie overeengekomen afdoeningsvoorstel;• de verdediging en het Openbaar Ministerie geen hoger beroep instellen indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken;• verdachte aanwezig is bij de inhoudelijke zitting en de uitspraak;• verdachte zich niet aan de tenuitvoerlegging van zijn straf(fen) zal onttrekken.
De bewezenverklaring.
De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:
t.a.v. feit 1:
in de periode van 2 april 2020 tot en met 15 april 2020, in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van
- 100 kilo cocaïne (in de periode van 2 april 2020 tot en met 14 april 2020) en
- 100 kilo cocaïne (op 15 april 2020),
zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededaders, wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers hebben zij
- een cryptotelefoon voorhanden gehad en
- op die cryptotelefoon een EncroChat-applicatie geïnstalleerd en/of laten installeren en
- met de gebruikers van de accounts “ [naam 1] ” en “ [naam 3] ” en “ [naam 4] ” inlichtingen uitgewisseld over de beschikbaarheid en de prijs en de kwaliteit van cocaïne en afspraken gemaakt over de levering van cocaïne en
- foto’s van blokken cocaïne gemaakt en/of laten maken en vervolgens verzonden/doorgestuurd en/of laten doorsturen aan de kopende partij en mededader(s) en/of derde(n);
t.a.v. feit 2:
in de periode van 14 januari 2020 tot en met 29 mei 2020, in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van
- 2500 kilo cocaïne (in de periode van 14 januari 2020 tot en met 29 mei 2020)
zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers heeft hij/hebben zij
- een cryptotelefoon voorhanden gehad en
- op die cryptotelefoon een EncroChat-applicatie geïnstalleerd en/of laten installeren en
- inlichtingen uitgewisseld over de prijs en de beschikbaarheid van cocaïne en over de verdeling van opbrengsten en over het regelen van schepen en bemanning en over (dek)ladingen voor het vervoeren van de cocaïne en over de beschikbaarheid en het gebruik van transportlijnen en over de landen en de zeehavens en de routes van waaruit of waarover de cocaïne zou worden verstuurd en waarheen de cocaïne zou worden vervoerd (onder meer in (groeps)chats met de gebruikers van de accounts “ [naam 1] ”, “ [naam 3] ”, “ [naam 5] ”).
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft, conform de overeenkomst, gevorderd verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten te veroordelen tot een gevangenisstraf van 42 maanden en een geldboete van € 10.000,-.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft de rechtbank verzocht zich aan te sluiten bij de overeenkomst.
Het oordeel van de rechtbank.
Verdachte heeft zich in de periode van 14 januari 2020 tot en met 29 mei 2020 schuldig gemaakt aan – kort gezegd – het medeplegen van strafbare voorbereidingshandelingen die gericht waren op de in- en uitvoer van harddrugs (cocaïne). Binnen die periode, namelijk van 2 april 2020 tot en met 15 april 2020, heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen die gericht waren op de handel in harddrugs (cocaïne).
De rechtbank heeft acht geslagen op de afspraken in de overeenkomst en de daaruit voortvloeiende door de verdachte aanvaarde strafeis van de officier van justitie. De rechtbank heeft de uitkomst hiervan beschouwd in het licht van de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Hierbij zijn ook het wettelijke strafmaximum, de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte betrokken.
Gelet op de ernst van de feiten kan naar het oordeel niet worden volstaan met een andere straf dan een straf die vrijheidsbeneming medebrengt en een geldboete.
Tussen de verdachte en het Openbaar Ministerie is in de overeenkomst ten aanzien van feiten 1 en 2 een strafeis van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 42 maanden en een geldboete van € 10.000,- overeengekomen. De rechtbank is van oordeel dat deze straffen voldoende recht doen aan deze zaak, waarbij zowel het belang van de verdachte als dat van de maatschappij geëerbiedigd wordt.
De rechtbank is verder van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de straffen die door de officier van justitie zijn geëist en met welke eis verdachte heeft ingestemd, niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals deze blijkt uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting. De rechtbank zal de verdachte daarom veroordelen tot de straffen zoals de verdachte en het Openbaar Ministerie die in de overeenkomst hebben opgenomen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
23, 24c, 47, 57 Wetboek van Strafrecht
2, 10, 10a Opiumwet.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
t.a.v. feit 1:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en/of voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit
t.a.v. feit 2:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en/of voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straffen:
t.a.v. feit 1, feit 2:
Een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden.
Een geldboete ter hoogte van € 10.000,- subsidiair 75 dagen hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.E. Bartels, voorzitter,
mr. F. Kooijman en mr. E.H. Groen, leden,
in tegenwoordigheid van mr. M.A.I.A. Aarts, griffier,
en is uitgesproken op 23 april 2026.