ECLI:NL:RBOBR:2026:2540

ECLI:NL:RBOBR:2026:2540

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 21-04-2026
Zaaknummer C/01/422650 / KG ZA 26-14
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Aanbesteding van opvang Oekraïense ontheemden binnen gemeente Eindhoven. Economische meest voordelige inschrijving als gunningscriterium waarin zowel prijs- als kwaliteitsaspecten een rol spelen. Eiseres verzorgt op dit moment een deel van deze opvang en vindt dat de gemeente bij de beoordeling van het onderdeel implementatie en de bijbehorende planning (meer) rekening had moeten houden met het feit dat eiseres de zittende partij is. De klacht dat het betreffende gunningscriterium zoals in de aanbestedingsstukken verwoord daar onvoldoende op is toegespitst heeft eiseres te laat naar voren gebracht (Grossmann). De stelling dat de gemeente bij de toepassing van dit gunningscriterium rekening had moeten houden met het feit dat de inschrijving afkomstig was van een zittende partij wordt verworpen nu honorering daarvan is strijd komt met fundamentele beginselen van aanbestedingsrecht zoals het gelijkheidsbeginsel. Stelling dat aanbesteding van één van de percelen niet mogelijk is omdat de verhuurder van twee opvanglocaties niet bereid is om deze opvanglocaties ook aan de winnende inschrijver ter beschikking te stellen is niet aannemelijk geworden.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: C/01/422650 / KG ZA 26-14

Vonnis in kort geding van 21 april 2026

in de zaak van

SPRINGPLANK 040 B.V.,

te Eindhoven,

eisende partij,

hierna te noemen: Springplank,

advocaten: mr. C.J.M. Weebers-Vrenken en mr. P.R. Mars,

tegen

GEMEENTE EINDHOVEN,

te Eindhoven,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de Gemeente,

advocaat: mr. F.J.J. Cornelissen en mr. W. van Leeuwen

in welke zaak heeft verzocht te mogen tussenkomen dan wel voegen:

[tussenkomende partij] B.V.,

te [plaats] ,

tussenkomende partij,

hierna te noemen: [tussenkomende partij] ,

advocaat: mr. S.C. Brackmann.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 21 januari 2026 met producties 1 tot en met 11

- de brief van mr. Mars van 18 februari 2026 met het verzoek om geheimhouding van stukken

- de brief van mr. Cornelissen van 19 februari 2026 met een reactie op het verzoek om geheimhouding

- het bericht van mr. Weebers van 23 februari 2026 dat Springplank zich refereert aan het oordeel van de voorzieningenrechter ten aanzien van het verzoek om geheimhouding

- de brief van mr. Mars van 12 maart 2026 met de aanvullende producties 12 tot en met 16- de incidentele conclusie houdende een verzoek tot tussenkomst, subsidiair houdende een verzoek tot voeging, tevens akte overleggende productie van [tussenkomende partij] met productie 1

- de conclusie van antwoord in het incident tot tussenkomst subsidiair voeging van de Gemeente

- de conclusie van antwoord in het incident tot tussenkomst en subsidiair voeging van Springplank

- de beslissing van de voorzieningenrechter van 19 maart 2026 dat [tussenkomende partij] als tussenkomende partij wordt toegelaten en toegang wordt verleend tot alle processtukken

- de akte overlegging producties tevens houdende wijziging van eis van Springplank met de aanvullende producties 17 tot en met 22

- de conclusie van antwoord van de Gemeente met de producties 1 tot en met 4

- de akte inbrengen producties en bezwaar producties Springplank van de Gemeente met de aanvullende producties 5 tot en met 8

- de mondelinge behandeling van 26 maart 2026- de pleitnota van mr. Weebers en mr. Mars

- de pleitnota van mr. Cornellissen en mr. Van Leeuwen

- de pleitnota van mr. Brackmann.

De Gemeente en [tussenkomende partij] hebben bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging en de daarbij behorende producties van Springplank omdat deze te laat zouden zijn ingediend.

De voorzieningenrechter heeft ter zitting beslist dat de eiswijziging en de producties worden toegelaten waarbij aan de Gemeente en [tussenkomende partij] de mogelijkheid is geboden om aan het einde van de zitting aan te geven of zij er behoefte aan hebben om zich nog in een akte zonder aanvullende producties nader uit te laten over de toegelaten producties van Springplank.

De Gemeente en [tussenkomende partij] hebben van deze mogelijkheid uiteindelijk geen gebruik gemaakt en aan het eind van de mondelinge behandeling aangegeven dat zij zich in voldoende mate over de gewijzigde vorderingen en nader ingebrachte producties hebben kunnen uitlaten.

De voorzieningenrechter heeft vervolgens vonnis bepaald.

2. De feiten

De Gemeente vangt sedert de inval van Rusland in Oekraïne in februari 2022 ongeveer 1.500 ontheemden uit Oekraïne op, verspreid over 12 locaties en 60 woningen in Eindhoven.

De Gemeente heeft in dat kader op basis van incidentele subsidiebeschikkingen overeenkomsten gesloten met diverse maatschappelijke organisaties voor de facilitaire en sociale dienstverlening in het kader van die opvang op de betreffende locaties.

Springplank is één van die maatschappelijke organisaties.

De subsidiebeschikkingen die de Gemeente heeft afgegeven eindigen per 4 maart 2026 en worden niet verlengd.

De Gemeente heeft op 17 september 2025 een Europese openbare aanbesteding aangekondigd voor de inkoop van “Sociale- en facilitaire dienstverlening gemeentelijke opvang Oekraïners (GOO)”.

Gunningscriterium is de economisch meest voordelige inschrijving waarbij het prijselement voor 30% onderdeel uitmaakt van het totaal aantal te behalen punten en kwaliteitsaspecten 70%.

De opvanglocaties zijn in de aanbesteding verdeeld over vier percelen, aangeduid met de letters A tot en met D. Voor elk van de vier percelen sluit de Gemeente een afzonderlijke overeenkomst met een opdrachtnemer. Inschrijvers kunnen op meerdere percelen inschrijven.

In het Beschrijvend Document zijn de verschillende percelen als volgt omschreven:

Springplank is op dit moment ten aanzien van de percelen B en C belast met de opvang van ontheemde Oekraïners op basis van een door de Gemeente afgegeven subsidiebeschikking.

Op grond van subgunningscriterium G.2.3 wordt van de inschrijvers verlangd dat zij een implementatieplan indienen. In het Beschrijvend Document is daarover het volgende bepaald:

Over de wijze waarop de gunningscriteria worden beoordeeld is in het Beschrijvend Document het volgende bepaald:

Springplank heeft ingeschreven op alle vier de percelen (A tot en met D).

In de inschrijvingen heeft Springplank voor de tijdsplanning en fasering van de in gunningscriterium G2.3 bedoelde inplemantatie verwezen naar een bijlage.

Vast staat dat Springplank die bijlage voor de inschrijving op de percelen A en D wel maar voor de percelen B en C niet met haar inschrijving heeft ingediend. Het was ook niet de bedoeling van Springplank om voor de percelen B en C, waar zij de ‘zittende partij’ is, deze bijlage in te dienen. De verwijzing naar de bijlage in de inschrijvingen voor die twee percelen berust dan ook op een vergissing van Springplank.

Op 19 december 2025 heeft de Gemeente in haar gunningsbeslissingen kenbaar gemaakt dat zij de de percelen A en D aan Springplank zal gunnen en de percelen B en C aan [tussenkomende partij] .

Springplank heeft concform het bepaalde in artikel 3.2.4 van het Beschijvend Document een klacht ingediend over de beoordeling van haar inschijrving voor de percelen B en C met het verzoek aan de Gemeente om herbeoordeling op subgunninsgcriterium G2.3.

Op 15 janauri 2026 heeft de Gemeente de klacht van Springplank ongegrond verklaard en het verzoek om heroverweging van de eerder op subgunningscriterium G2.3 gegeven beoordeling afgewezen. de Gemeente meent dat dit criterium evenredig en deugdelijk is toegepast en deze toepassing niet in strijd komt met beginselen van gelijke behandeling en transparantie.

Springplank heeft vervolgens dit kort geding aanhangig gemaakt.

3. Het geschil

Springplank vordert - samengevat en na wijziging van eis – om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

de Gemeente te verbieden de opdracht voor wat betreft Perceel B aan [tussenkomende partij] te gunnen dal wel de Gemeente te gebieden de aanbestedingsprocedure voor dit perceel te staken en gestaakt te houden en, voor zover zij de opdracht nog wil gunnen, een heraanbesteding voor dit perceel te organiseren;

de Gemeente te gebieden om de (voorlopige) gunningsbeslissing ter zake Perceel C in te trekken en over te gaan tot een herbeoordeling van de inschrijving van Springplank op perceel C, met inachtneming van het vonnis en door een andere beoordelingscommissie en op basis van die gegeven een nieuwe voorlopige gunningsbeslissing te nemen;

de vorderingen (verweren) van [tussenkomende partij] af te wijzen;

Subsidiair:

de Gemeente te verbieden de (voorlopige) gunningsbeslissingen ter zake perceel B en C in te trekken en over te gaan tot herbeoordeling, met inachtneming van het vonnis en door een andere beoordelingscommissie en op basis van die gegeven een nieuwe voorlopige gunningsbeslissing te nemen;

De vorderingen (verweren) van [tussenkomende partij] af te wijzen;

In alle gevallen

De Gemeente te veroordelen in de proceskosten in de hoofdzaak te vermeerderen met wettelijke rente

[tussenkomende partij] vordert als tussenkomende partij om de Gemeente te gebieden om de gunningsbeslissing in stand te laten en de opdracht definitief te gunnen aan [tussenkomende partij] met veroordeling van Springplank in de proceskosten.

Springplank legt aan de vordering het volgende ten grondslag.

Springplank stelt zich primair op het standpunt dat de voorgenomen gunning van Perceel B aan [tussenkomende partij] feitelijk niet uitvoerbaar is omdat de betreffende panden aan de [adres] niet beschikbaar zijn voor [tussenkomende partij] . Die panden worden op dit moment verhuurd aan Springplank op basis van huurovereenkomsten die lopen tot medio 2028. Springplank kan de panden alleen met toestemming van de verhuurder aan derden zoals [tussenkomende partij] ter beschikking stellen. De verhuurder heeft aangegeven die toestemming niet te verlenen. Ook is de verhuurder niet bereid om de huurovereenkomsten met Springplank voortijdig te beëindigen. Springplank wil de panden daarnaast ook graag zelf behouden om in te kunnen zetten voor opvang.

De Gemeente kan in dat kader geen beroep doen op de herzieningsbepalingen in het Beschrijvend Document en de conceptovereenkomst om de opvanglocatie te wijzigen omdat die bepalingen enkel voorzien in de mogelijkheid tot wijzigingen tijdens de looptijd van de overeenkomst en niet al tijdens de aanbestedingsprocedure.

De panden aan de [adres] maken meer dan 10% uit van het totaal aantal opvangplekken zodat ook geen sprake is van een afwijking die valt binnen de marge van “verhuizing” in de zin van artikel 9 van het Programma van Eisen.

Voorts stelt Springplank zich op het standpunt (subsidiair ten aanzien van perceel B) dat met betrekking tot de voorgenomen gunning van beide percelen aan [tussenkomende partij] sprake is van (motiverings)gebreken die nopen tot een herbeoordeling.

In het algemeen geldt dat de Gemeente bij de beoordeling van de inschrijvingen van Springplank onvoldoende rekening heeft gehouden met haar bijzondere positie als zittende aanbieder op de percelen B en C.

Meer in het bijzonder heeft de Gemeente de inschrijving van Springplank op het subgunningscriterium G2.3 onjuist beoordeeld. De Gemeente heeft aan Springplank ten onrechte een lagere score toegekend omdat Springplank niet een implementatieplanning heeft ingediend.

Een dergelijke planning is voor Springplank echter louter hypothetisch en in feite niet relevant omdat zij als zittende aanbieder immers de opdracht al uitvoert en er voor haar dus niets te implementeren valt.

Springplank wordt door de toegepaste beoordelingssystematiek als zittende aanbieder structureel en op onaanvaardbare wijze benadeeld. Dat is in strijd met de beginselen van het aanbestedingsrecht. Door nieuwe aanbieders konden extra punten worden gescoord door aan te geven hoe zij de opdracht in de voor hen nieuwe situatie zouden gaan uitvoeren. Onduidelijk is hoe Springplank als zittende aanbieder daarvoor de maximale score had kunnen behalen nu er voor haar weinig te implementeren valt.

Springplank had bovendien als lokaal gevestigde partij ook hoger moeten scoren dan [tussenkomende partij] omdat de aanbesteding inzet op samenwerking met lokale partijen.

De Gemeente heeft ook onvoldoende deugdelijk uitgelegd waarom Springplank op dit onderdeel slechts een voldoende (6 punten) heeft gescoord en geen meerwaarde is toegekend vanwege het feit dat Springplank heeft aangegeven dat zij over een dashboard beschikt.

Verder geldt dat niet gebleken is dat [tussenkomende partij] een betrouwbare lokale partner is zoals Springplank dat (bewezen) wel is.

De Gemeente voert verweer.

Springplank kan geen beroep doen op de beweerdelijke onuitvoerbaarheid van de opdracht omdat zij haar bezwaren daarover niet binnen de vervaltermijn kenbaar heeft gemaakt waardoor haar rechten zijn komen te vervallen. Daarnaast geldt dat de rechten van Springplank om daarover te klagen zijn verwerkt omdat zij de beweerdelijke onuitvoerbaarheid niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld en zich daarmee niet voldoende proactief heeft opgesteld. De Gemeente doet in dat kader een beroep op de Grossmann-doctrine.

De Gemeente betwist verder dat het wegvallen van opvanglocaties aan de [adres] leidt tot onuitvoerbaarheid van de opdracht. In de met de opdrachtnemer te sluiten overeenkomst is immers voorzien in het geval van een locatiesluiting. De overeenkomst hoeft daarvoor dus niet gewijzigd te worden. Voor zover dat wel nodig zou zijn dan is die wijziging niet wezenlijk en daarom aanbestedingsrechtelijk toegestaan.

De Gemeente betwist dat subgunningscriterium G2.3 discriminatoir of disproportioneel is en Springplank als zittende partij benadeelt. Voor zover daarvan al sprake zou zijn dan kan dat hoe dan ook niet leiden tot een gunning van de opdracht aan Springplank of een herbeoordeling omdat de Gemeente op basis van een alsdan fundamenteel gebrekkige criterium niet mág gunnen maar een nieuwe aanbestedingsprocedure zal moeten optuigen, hetgeen Springplank evenwel niet vordert.

Daarbij komt dat Springplank haar rechten om gebreken in het subgunningscriterium aan de orde te stellen heeft verwerkt. Zij had dat al veel eerder aan de orde kunnen en moeten stellen. Ook hiervoor verwijst de Gemeente naar het Grossmann-arrest.

Voor zover Springplank stelt dat voor haar als zittende partij een ander beoordelingskader moet gelden dan voor andere inschrijvers geldt dat daarmee miskent dat de Gemeente daarmee in strijd zou handelen met het gelijkheidsbeginsel; de Gemeente zal de gunningscriteria ten opzichte van alle inschrijvers op dezelfde wijze moeten toepassen.

Het vragen van een implementatieplanning is ook proportioneel omdat voor de uitvoering van de te gunnen opdracht aan veel meer (al dan niet wettelijke) eisen en voorwaarden moet worden voldaan dan die welke thans op basis van de subsidiebeschikking gelden. Ook Springplank zal, als zittende partij, dus maatregelen moeten inplannen en implementeren om de opdracht in de toekomst uit te kunnen voeren op een wijze zoals in de aanbestedingsstukken en de daarop gebaseerde overeenkomst beschreven.

De Gemeente wijst er verder op dat zij beschikt over een grote mate van beleidsvrijheid bij het opstellen van de gunningscriteria, gelet op het feit dat sprake is van een SAS-procedure en ingevolge artikel 2:39 lid 2 AW de afdeling in de Aanbestedingswet over de gunningscriteria niet van toepassing is.

Het enkele feit dat Springplank vindt dat zij een hogere score had moeten krijgen is onvoldoende voor de rechter om in te grijpen. De beoordelingscommissie komt een ruime beoordelingsvrijheid toe en nu er geen sprake is van aperte procedurele of inhoudelijke onjuistheden in de beoordeling is er geen ruimte voor rechterlijk ingrijpen.

De Gemeente betwist dat [tussenkomende partij] geen betrouwbare partij is. Springplank heeft die stelling verder ook niet onderbouwd zodat daar reeds op die grond aan voorbij gegaan moet worden.

[tussenkomende partij] heeft als tussen komende [partij het volgende aangevoerd.

Ook [tussenkomende partij] stelt zich op het standpunt t dat Springplank haar rechten om bezwaar te maken tegen subgunningsciterium G2.3 heeft verwerkt.

De inschrijving van Springplank had bovendien moeten worden uitgesloten omdat Springplank bij haar inschrijving geen bijlage met een tijdsplanning heeft ingediend terwijl dat in het Beschrijvend Document wel is voorgeschreven.

Voor zover het ontbreken van de tijdsplanning niet zou moeten leiden tot uitsluiting dan van de inschrijving dan geldt dat de Gemeente daarvoor terecht een lagere score heeft toegekend. Ook voor Springplank als zittende partij geldt dat sprake is van implementatie omdat de eisen en voorwaarden voor de uitvoering van de te gunnen opdracht wijzigen ten opzichte van de huidige, door de subsidiebeschikking beheerste opdracht. De Gemeente zou in strijd handelen met fundamentele beginselen van het aanbestedingsrecht als zij de inschrijving van Springplank anders zou beoordelen dan die van de andere inschrijvers.

Springplank heeft ook niet gesteld dat sprake is van evidente fouten bij de beoordeling van haar inschrijving. De toegekende score is begrijpelijk en past ook binnen het beoordelingskader.

[tussenkomende partij] betwist dat de opdracht door haar niet uitgevoerd zou kunnen worden omdat een tweetal in perceel B gelegen opvanglocaties voor haar mogelijk niet beschikbaar is. De Gemeente is voor het uitvoeren van de opdracht niet gebonden aan de huidige opvanglocaties. De verhuurder realiseert zich bovendien kennelijk niet dat het niet [tussenkomende partij] , maar de Gemeente is die de percelen gaat huren.

[tussenkomende partij] bestrijdt verder dat zij geen betrouwbare partij is; die bewering is ook niet onderbouwd.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Aanleiding voor dit kort geding is de door de Gemeente georganiseerde aanbesteding voor de opdracht tot het opvangen van ontheemden uit Oekraïne. De Gemeente heeft aangegeven dat de opdracht voor twee van de vier percelen zal gunnen aan [tussenkomende partij] . Springplank is het daar niet mee eens en wil met dit kort geding voorkomen dat deze percelen, ten aanzien waarvan zij thans de zittende opdrachtnemer is, aan [tussenkomende partij] worden gegund.

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat Springplank daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.

Het spoedeisend belang van Springplank volgt uit de aard van de vordering. Uit het Beschrijvend Document volgt dat een inschrijver die bezwaar heeft tegen de uitkomst van de aanbesteding tijdig een kort geding aanhangig dient te maken om de bezwaren ter beoordeling aan de voorzieningenrechter voor te leggen. De Gemeente en [tussenkomende partij] hebben het bestaan van een voldoende spoedeisend belang terecht ook niet weersproken.

Springplank stelt zich na de wijziging van eis primair op het standpunt dat de opdracht voor zover die betrekking heeft op Perceel B door [tussenkomende partij] feitelijk niet (volledig) kan worden uitgevoerd. Springplank is op dit moment de zittende partij die Oekraïners opvangt op een tweetal locaties die zij rechtstreeks van een particuliere partij heeft gehuurd. Het gaat hier om 50 (van de in totaal 430 opvangplekken in perceel B) opvangplekken op de locaties [adres] [nummer 1] en [nummer 2] te Eindhoven. Volgens Springplank heeft de verhuurder aangegeven dat zij het perceel niet aan [tussenkomende partij] wil verhuren. [tussenkomende partij] zou aldus volgens Springplank op de twee betreffende locaties in perceel B geen Oekraïners kunnen opvangen omdat die locaties haar niet ter beschikking staan.

Indien de Gemeente de opdracht aan [tussenkomende partij] zou gunnen zal dat volgens Springplank dan ook onherroepelijk leiden tot onuitvoerbaarheid van de opdracht danwel wijziging van de overeenkomst, hetgeen aanbestedingsrechtelijk niet is toegestaan.

de Gemeente en [tussenkomende partij] hebben de juistheid van die stelling gemotiveerd en op deugdelijke gronden weersproken. Volgens de Gemeente staat het feit dat een tweetal opvanglocaties in perceel B mogelijk niet (langer) ter beschikking staan voor de opvang niet aan gunning van de opdracht aan [tussenkomende partij] in de weg omdat daarmee de opdracht niet wijzigt. De Gemeente wijst er daarbij op dat het regelen van de opvanglocaties geen onderdeel uitmaakt van de opdracht. Dat blijkt ook uit het Beschrijvend Document waar in paragraaf 2.3 staat vermeld:

Tot de opdracht behoren niet:

- Het regelen van de opvanglocaties zelf.

Daarnaast geldt dat in de te sluiten overeenkomst zelf is voorzien in de mogelijkheid dat een locatie kan worden gesloten. In het Programma van Eisen is als algemene eis onder 10 opgenomen dat de Gemeente een opzegtermijn in acht moet nemen indien zij besluit om een opvanglocatie te sluiten. Dat impliceert dat de Gemeente de bevoegdheid heeft om een opvanglocatie te sluiten.

Verder is in de Overeenkomst dienstverlening in artikel 3.1 bepaald dat de Gemeente de overeenkomst tussentijds kan wijzigen onder meer in het geval van tussentijdse sluiting van locaties.

Bij dit alles moet worden betrokken het feit dat deze aanbesteding een zogenaamde SAS-procedure (Sociale en Andere Specifieke Diensten) betreft, een bijzondere en vereenvoudigde aanbestedingsprocedure waarop ingevolge artikel 2.39 lid 2 Aanbestedingswet hoofdstuk 2.5 van de Aanbestedingswet, dat gaat over de wijziging van de opdracht tijdens de looptijd ervan, niet van toepassing is. Dat betekent dat tussentijdse wijzigingen in de opdracht – ook indien de overeenkomst zelf daar niet reeds in afdoende mate in zou voorzien - in beginsel dus zijn toegestaan. Dat kan anders zijn indien de wijziging wezenlijk van aard is. De Gemeente heeft gemotiveerd betoogd waarom daarvan volgens haar in dit geval geen sprake is. Zij wijst er daarbij, onder verwijzing naar het Pressetext arrest op dat:

het wegvallen van locaties niet leidt tot een andere kring van gegadigden of een andere uitslag van de aanbesteding;

het economisch evenwicht van de opdracht niet wijzigt;

het toepassingsgebied van de opdracht niet wordt verruimd.

Deze stellingen zijn door Springplank niet gemotiveerd en overtuigend weersproken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarmee voorshands onvoldoende aannemelijk geworden dat een eventuele onwilligheid van de verhuurder van de twee genoemde opvanglocaties om die opvanglocaties middellijk (via de Gemeente) aan [tussenkomende partij] ter beschikking te stellen ertoe leidt dat de uitvoering van de opdracht voor perceel B feitelijk niet mogelijk is.

Subsidiair zijn de bezwaren van Springplank tegen de gunningsbeslissing voor de beide percelen gericht op het subgunningscriterium G2.3 zelf en de toepassing ervan. Springplank stelt in dat kader onder meer dat in dit subgunningscriterium onvoldoende rekening is gehouden met haar bijzonder positie als zittende aanbieder op de percelen B en C. De Gemeente stelt terecht dat Springplank, voor zover zij klaagt over onjuistheden in het subgunningscriterium zelf, daarmee te laat is. Uit het Grossmann-arrest volgt dat een inschrijver bij onduidelijkheden of fouten in de aanbestedingsdocumentatie proactief moet handelen en daarover tijdig kritische vragen moet stellen. Dat is hier niet gebeurd. Springplank heeft in de inlichtingenronde noch op enig ander moment voordat de Gemeente haar gunningsvoornemen kenbaar heeft gemaakt vragen gesteld of geklaagd over onduidelijkheden of onvolkomenheden in subgunningscriterium G2.3. Pas nadat de Gemeente had aangegeven dat zij de percelen B en C aan [tussenkomende partij] zal gunnen heeft Springplank zich over de subgunningssystematiek zelf beklaagd. Dat is te laat.

Springplank heeft door niet tijdig aan de bel te trekken haar rechten op dat punt verwerkt. Dat zou anders kunnen zijn indien sprake zou zijn van een fundamenteel gebrek in de aanbesteding. Dat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter hier evenwel niet het geval.

De Gemeente en [tussenkomende partij] stellen in dat verband terecht dat algemene grondbeginselen van het aanbestedingrecht zich er tegen verzetten dat voor Springplank als zittende partij een ander (sub)gunningscriterium zou gelden – waarvan bijvoorbeeld geen implementatieplanning wordt verlangd - dan voor de overige inschrijvers, dan wel dat het subgunningscriterium anderszins ruimte zou laten aan de aanbestedende dienst om een inschrijving – vanwege het feit dat zij afkomstig is van de zittende opdrachtnemer - op dat punt anders te beoordelen. Een dergelijk gunningscriterium zou op voorhand evident in strijd komen met het gelijkheidsbeginsel en daarmee niet toelaatbaar zijn.

De Gemeente mág als aanbestedende dienst in dat verband bij de beoordeling van de inschrijving van Springplank ook niet de kennis betrekken die zij vanuit de samenwerking met Springplank in de uitvoering van de huidige opvangwerkzaamheden op de percelen B en C heeft opgedaan. De Gemeente dient zich bij de beoordeling louter te beperken tot de inhoud van de inschrijving van Springplank.

Verder miskent Springplank in haar betoog dat er voor haar als zittende partij bij opdrachtverlening wezenlijke veranderingen zullen moeten worden doorgevoerd. De Gemeente heeft in de randnummer 3.8 uitvoerig en onweersproken gesteld en toegelicht dat de aard en omvang van de werkzaamheden die Springplank thans op basis van de subsidiebeschikking uitvoert anders en beperkter zijn dan hetgeen voortvloeit uit het programma van eisen die de basis vormt van de aan te besteden opdracht.

Daarbij wijst de Gemeente er op dat de dienstverlenende partij in dat laatste geval afdwingbare verplichtingen aangaat waar dat in het geval van een subsidiebeschikking in beginsel niet het geval is.

De Gemeente wijst er op dat op de te gunnen opdracht een aanzienlijk omvangrijker pakket aan eisen en voorwaarden van toepassing is dan die welke voortvloeien uit de huidige subsidierelatie. De Gemeente noemt in dat kader onder meer de strengere eisen die gelden voor het personeel, de veiligheid, de schoonmaak van de locaties, de beveiliging als ook de bijkomende eisen met betrekking tot wet- en regelgeving waaraan moet worden voldaan. Springplank heeft de juistheid van die stellingen niet, althans niet voldoende gemotiveerd, weersproken.

De stelling van Springplank dat voor haar ten aanzien van de percelen B en C sprake is van een situatie waarbij er voor haar als zittende partij feitelijk nauwelijks iets zal veranderen als de opvang in het vervolg op basis van de te gunnen opdracht zullen worden uitgevoerd, lijkt dan voorshands ook niet juist. Springplank zal op vele fronten binnen de organisatie van de opvang veranderingen moeten doorvoeren die verder gaan dan zij thans – blijkens haar betoog - kennelijk voorziet.

Kortom, ook voor Springplank als zittende partij lijkt er vanwege de wijziging in en uitbreiding van de door de Gemeente gestelde eisen en voorwaarden nog genoeg te implementeren als zij de opdracht gegund zou krijgen. Springplank wordt in dat opzicht ook niet onredelijk benadeeld ten opzichten van de overige inschrijvers die niet al op één van de percelen actief zijn door ook van haar een implementatieplan met een tijdsplanning te verlangen.

Integendeel: het biedt voor Springplank juist kansen om zich als zittende partij op dat punt te onderscheiden van andere inschrijvers door een analyse te maken van de huidige en de nieuwe eisen en voorwaarden en vanuit een vergelijking van die twee een implementatieplan te schrijven waarmee zij inzichtelijk maakt hoe en binnen welk tijdpad zij de overgang zal maken naar de nieuwe uitvoeringspraktijk. Indien en voor zover uit die vergelijking zou volgen dat de bestaande praktijk (op onderdelen) geen wijziging ondergaat zou dan ook met kracht van argumenten op die onderdelen een implementatieplan(ning) achterwege kunnen blijven.

Springplank stelt zich verder op het standpunt dat haar inschrijving voor de percelen B en C op subgunninsgcriterium G2.3 onjuist is beoordeeld en dat aan haar op dat onderdeel een te lage score is toegekend. Ook die stelling treft geen doel. Vast staat dat Springplank een relatief summier implementatieplan heeft ingediend. Dat volgt uit de eigen stellingname van haar in dit kort geding. Springplank geeft – zoals hiervoor overwogen – ten onrechte aan dat er voor haar als zittende partij bij voortzetting van de opvang op die locaties in feite niets te implementeren valt. Springplank schijft in randnummer 43 van de dagvaarding in dat kader bijvoorbeeld: “Bij een volledige continuering zonder overgang is een implementatieplan, zoals dat binnen de aanbesteding is gevraagd, feitelijk niet aan de orde”.

De Gemeente stelt dat Springplank een hogere score had kunnen halen als zij haar implementatieplan verder had uitgewerkt en van een tijdsplanning had voorzien. Vast staat dat Springplank er bewust voor heeft gekozen om geen tijdsplanning in te dienen. Springplank schrijft in dat kader in randnummer 34 van de dagvaarding dat zij voor wat betreft haar inschrijving op de percelen B en C geen tijdsplanning heeft opgenomen omdat die niet van toepassing is op de lopende opdracht en werkzaamheden.

[tussenkomende partij] stelt zich op het standpunt dat het ontbreken van de tijdsplanning als bijlage bij de inschrijving gelet op het bepaalde in 6.1.3 van het Beschrijvend Document moet leiden tot uitsluiting van de inschrijving van Springplank door de Gemeente. Dat verweer faalt. De Gemeente stelt zich op het standpunt dat de aanbestedingsstukken niet dwingend voorschrijven dat een tijdsplanning als een afzonderlijke bijlage bij het implementatieplan wordt ingediend, maar ruimte laten om die tijdsplanning op te nemen in het implementatieplan zelf. Er bestaat volgens de Gemeente daarom geen aanleiding om de inschrijving van Springplank wegens het ontbreken van de bijlage uit te sluiten van beoordeling. De voorzieningenrechter deelt het standpunt van de Gemeente.

De Gemeente en [tussenkomende partij] stellen verder terecht dat de voorzieningenrechter een terughoudende rol heeft waar het betreft de inhoudelijke beoordeling van de inschrijvingen door de beoordelingscommissie. Als uitgangspunt geldt immers dat de beoordelingscommissie een zekere mate van beoordelingsvrijheid toekomt. Slechts ingeval van een evident onjuiste toepassing van een (sub)gunningscriterium of een apert onjuiste score kan de voorzieningenrechter ingrijpen. Daarvan is hier geen sprake. Zoals gezegd heeft Springplank een relatief summier implementatieplan ingediend zonder tijdsplanning. Dat de beoordelingscommissie op dit onderdeel van de inschrijving daarvoor dan een score toekent die niet hoger is dan voldoende (6 punten) is dan voorshands – mede ook gezien hetgeen hiervoor is overwogen - niet onbegrijpelijk, te meer nu de scores relatief zijn en dus in die zin zijn afgezet tegen hetgeen de overige inschrijvers hebben ingediend.

De Gemeente heeft voldoende gemotiveerd waarom de inschrijving van [tussenkomende partij] , die wel was voorzien van een tijdsplanning, op dit onderdeel hoger heeft gescoord. Dat Springplank het daar niet mee eens is valt te begrijpen maar maakt die motivering nog niet ontoereikend, mede in het licht van de daaraan te stellen eisen.

Slotsom is dan dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding bestaat om de Gemeente te verbieden om de opdracht aan [tussenkomende partij] te gunnen dan wel om haar te veroordelen tot een herbeoordeling van de inschrijvingen. Dat betekent dat de vorderingen van Springplank zullen worden afgewezen.

De vordering van [tussenkomende partij] om de Gemeente te gebieden om de gunningsbeslissing in stand te laten en de opdracht definitief te gunnen aan [tussenkomende partij] zal ook worden afgewezen. [tussenkomende partij] heeft onvoldoende belang bij een dergelijke voorziening nu geen enkele aanleiding bestaat om te veronderstellen dat de Gemeente haar gunningsbeslissing geen gestand zal doen. Bovendien doet toewijzing van de vordering afbreuk aan het recht van de Gemeente om nog van gunning af te zien. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan deze afwijzing een veroordeling van [tussenkomende partij] in de proceskosten van de Gemeente te verbinden.

Springplank zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van de Gemeente en [tussenkomende partij] betalen. De proceskosten worden voor ieder van hen begroot op:

- griffierecht

735,00

- salaris advocaat

1.177,00

Totaal

1.912,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

in het incident:

laat [tussenkomende partij] toe als tussenkomende partij in dit kort geding,

in de hoofdzaak:

wijst de vorderingen van Springplank en [tussenkomende partij] af,

veroordeelt Springplank in de proceskosten aan de zijde van de Gemeente en [tussenkomende partij] , voor elk van hen begroot op een bedrag van € 1.912,00,

veroordeelt Springplank tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van de Gemeente en [tussenkomende partij] als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Schoorlemmer en in het openbaar uitgesproken 21 april 2026

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?