RECHTBANK OOST-BRABANT
Parketnummer: [71.300430.23]
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 71.300430.23
Datum uitspraak: 23 april 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1964] ,
wonende te [adres]
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 3 maart 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 januari 2020 tot en met 14 juni 2020 te Tholen , in ieder geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van
- 2500 kilo cocaïne (in of omstreeks de periode van 14 januari 2020 tot en met 29 mei 2020) en/of
- een handelshoeveelheid cocaïne (in of omstreeks de periode van 03 juni 2020 tot en met 14 juni 2020)
althans (telkens) een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- (telkens) een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- (telkens) zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- (telkens) voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers heeft hij/hebben zij
- een (of meer) (crypto)telefoon(s) voorhanden gehad en/of
- op die (crypto)telefoon(s) een EncroChat applicatie geïnstalleerd en/of laten installeren en/of
- inlichtingen uitgewisseld over de prijs en/of de beschikbaarheid van cocaïne en/of over de verdeling van opbrengsten en/of over het regelen van schepen en/of bemanning en/of over (dek)ladingen voor het vervoeren van de cocaïne en/of over de beschikbaarheid en/of het gebruik van transportlijnen en/of over het/de land(en) en/of de zeehaven(s) en/of de route(s) van waaruit of waarover de cocaïne zal/zou worden verstuurd en/of waarheen de cocaïne zal/zou worden vervoerd (onder meer in (groeps)chats met de gebruiker(s) van de accounts “ [naam 1] ”, “ [naam 2] ”, “ [naam 3] ”);
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit.
Het oordeel van de rechtbank.
Bewijsmiddelen
Voor de overzichtelijkheid en de leesbaarheid zijn de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen uitgewerkt in de bijlage bij dit vonnis. De bewijsmiddelen gelden als in dit vonnis ingevoegd.
Juridisch kader
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het de bedoeling is om met de zelfstandige strafbaarstelling van die gedragingen mogelijk te maken dat in een vroeg stadium van de organisatie van die (internationale) handel in (hard)drugs kan worden ingegrepen. Voor een bewezenverklaring is vereist dat bij de dader het opzet heeft bestaan om de in- en uitvoer voor te bereiden of te bevorderen. Ook is vereist dat de verdachte aan die intentie uiting heeft gegeven door één of meer van de voorbereidings- of bevorderingshandelingen te verrichten die in artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet zijn beschreven. Voor het bewijs is niet vereist dat al bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf deze handelingen dienen. Ook is niet relevant dat de verwezenlijking van het misdrijf door bepaalde omstandigheden niet heeft plaatsgevonden. Voorbereidingshandelingen zijn zowel strafbaar wanneer de pleger in de voorbereidingsfase is blijven steken als wanneer het voorgenomen misdrijf waarop de voorbereidingshandelingen zich richten, is gerealiseerd of dat een poging daartoe is ondernomen. Voorbereidings- of bevorderingshandelingen kunnen lijken op (of zelfs overeenkomen met) gedragingen die over het algemeen worden gezien als medeplichtigheid. Dergelijke handelingen zijn in artikel 10a van de Opiumwet echter als zelfstandig misdrijf strafbaar gesteld.
Bewijsoverweging
Traject 1 in de periode tussen 14 januari 2020 en 29 mei 2020
De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte strafbare voorbereidings- en bevorderingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van de in- en uitvoer van 2.500 kilogram cocaïne in de periode tussen 14 januari 2020 en 29 mei 2020 (traject 1). De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Voor de bewijsvoering komt het aan op de inhoud van de ter beschikking gekomen chatberichten. Uit de bewijsmiddelen volgt dat gebruik is gemaakt van zogenoemde PGP-toestellen (Pretty Good Privacy), waarop EncroChat was geïnstalleerd. De gebruikers van de toestellen hadden de accounts niet op hun eigen naam geregistreerd, maar onder een nickname of gebruikersnaam eindigend op @encrochat.com.
De vraag die in deze zaak, in reactie op het verweer van de raadsman, allereerst moet worden beantwoord, is of verdachte te identificeren is als de gebruiker van het EncroChat-account [naam 4] .
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte de gebruiker is geweest van het EncroChat-account [naam 4] . De identificatie van verdachte als [naam 4] volgt onder meer uit het volgende.
Op 2 april 2020 stuurt [naam 4] een afbeelding naar [naam 1] . Uit het dossier volgt dat de inmiddels overleden [medeverdachte 1] geïdentificeerd is als de gebruiker van het EncroChat-account [naam 1] . Op de afbeelding is een e-mailbericht op een mobiele telefoon te zien met de tekst: “Good day [verdachte] , I am working with (…) to organize cargo for Trinidad. We are currently in talks with medical suppliers for the local Ministry of Health to route their cargo to the Europort for loading.. I am speaking to multiple logistics people today to coordinate. I will copy you on the emails and I will advise them that you are the European contact”. Het e-mailbericht lijkt te zijn verzonden naar het e-mailaccount van verdachte. Kennelijk kon [naam 4] over het e-mailaccount van verdachte kon beschikken.
Op 15 mei 2020 hebben [naam 4] en [naam 1] een gesprek over een boot. [naam 1] vraagt wat er achter op de boot staat voor naam of iets anders, waarop [naam 4] antwoordt: “De naam, thuishaven en imo nummer”. Om 12:57:06 uur vraagt [naam 1] welke. Om 12:57:42 uur antwoordt [naam 4] met: “ [nummer 1] ”. De rechtbank leidt hieruit af dat de gebruiker van het account [naam 4] in staat was om direct de gevraagde informatie te geven. Uit het dossier volgt dat het schip met de [naam 5] en [nummer 2] in 2020 eigendom was van het [bedrijf] waarvan verdachte de enig aandeelhouder was.
De verklaring van verdachte – dat het account van [naam 4] in gebruik was bij zowel de inmiddels overleden [medeverdachte 2] als een bekende van [medeverdachte 2] – acht de rechtbank ongeloofwaardig. Wat betreft [medeverdachte 2] overweegt de rechtbank dat uit het dossier volgt dat hij is geïdentificeerd als de gebruiker van het EncroChat-account [naam 3] . In het dossier zijn diverse chatgesprekken tussen [naam 6] en [naam 4] aangetroffen. Als [medeverdachte 2] de gebruiker zou zijn geweest van het account [naam 4] , zou dat betekenen dat hij die gesprekken met zichzelf heeft gevoerd, hetgeen onaannemelijk is. De rechtbank acht het ook niet aannemelijk geworden dat een bekende van [medeverdachte 2] gebruik maakte van het account [naam 4] . In de chatberichten van [naam 4] aan [medeverdachte 2] komt een beeld naar voren van iemand die verstand heeft van de scheepvaart en de daarbij behorende (technische) aspecten. [naam 4] noemt zichzelf in die gesprekken ‘expert in shipping’. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat de bekende van [medeverdachte 2] een bemanningslid is die weliswaar technische kennis heeft, maar niet over voldoende kennis van zaken beschikt om de chatgesprekken van [naam 4] te hebben kunnen voeren.
Op basis van het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat verdachte de gebruiker is geweest van het account [naam 4] .
Naar het oordeel van de rechtbank komt uit de inhoud van de chats via het account [naam 4] ondubbelzinnig naar voren dat verdachte betrokken is geweest bij strafbare voorbereidings- en bevorderingshandelingen ten aanzien van de in- en uitvoer van 2.500 kilogram cocaïne van en naar Nederland. Dat er volgens verdachte in de chatberichten zaken worden besproken die (vanwege de afmetingen en capaciteit van het schip) feitelijk en juridisch onmogelijk zijn, zoals bijvoorbeeld het vervoeren van 5.000 ton suiker of een ongeschikte kraan, leidt in het licht van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden, niet tot de conclusie dat de verdachte niet de gebruiker is van het account [naam 4] .
De raadsman heeft aangevoerd dat de ten laste gelegde voorbereidings- en bevorderingshandeling niet bewezen kunnen worden verklaard, omdat slechts kan worden vastgesteld dat in de berichten is gesproken over het treffen van voorbereidingen voor het invoeren van cocaïne maar verdachte daar niet daadwerkelijk uitvoering aan heeft gegeven. Dit verweer wordt op basis van de chatberichten verworpen. Uit de berichten blijkt dat de verdachte een belangrijke rol speelde bij het transport, omdat hij als ‘shipping expert’ en eigenaar van het schip verantwoordelijk was voor het vaarschema, inclusief de positie van de overdracht. Daarnaast was hij verantwoordelijk voor het regelen en de technische aspecten van de dekladingen, tussendeksels, ankers, kettingen, bakken en flatracks om de cocaïne te verbergen en de overdracht van de cocaïne onopgemerkt te laten verlopen. Bovendien is voor een bewezenverklaring van voorbereidingshandelingen niet vereist dat de handelingen daadwerkelijk zijn uitgevoerd.
Het verweer van de raadsman dat geen sprake is van invoer van cocaïne in of uit Nederland omdat de lading was bestemd voor Antwerpen, wordt eveneens verworpen. Uit de chatberichten volgt immers dat een deel van de eerste reis via Rotterdam en Antwerpen zou gaan. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat de haven van Antwerpen voor een zeeschip enkel bereikbaar is via het binnen de grenzen van Nederland gelegen gedeelte van de Westerschelde. Uit de omstandigheid dat het schip de haven van Antwerpen zou binnenkomen, volgt logischerwijs dat de cocaïne, die zich in het schip zou bevinden, kort tevoren in Nederland zou worden ingevoerd.
Traject 2 in de periode 3 juni 2020 en 14 juni 2020
De rechtbank heeft uit de wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat verdachte voorbereidings- of bevorderingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van het transport van een hoeveelheid cocaïne (traject 2). Uit de chatberichten volgt niet dat de verdachte hier enige rol van betekenis in heeft gespeeld. Verdachte heeft weliswaar een zekere [naam 7] als bemanningslid aangenomen, maar het kan niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat deze [naam 7] iemand van de ‘zettende’ partij was die op het schip controle zou houden over de beoogde lading harddrugs, en dat hij met het oog daarop door verdachte is aangenomen. Dan resteert alleen de omstandigheid dat het schip van verdachte bij de voorbereiding van dit transport betrokken lijkt te zijn geweest. De rechtbank acht dit echter op zichzelf beschouwd onvoldoende om te kunnen spreken van medeplegen van voorbereidingshandelingen. De rechtbank zal daarom verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
in de periode van 14 januari 2020 tot en met 29 mei 2020 , in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van
- 2500 kilo cocaïne (in de periode van 14 januari 2020 tot en met 29 mei 2020)
zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers heeft hij/hebben zij
- een cryptotelefoon voorhanden gehad en
- op die cryptotelefoon een EncroChat-applicatie geïnstalleerd en/of laten installeren en
- inlichtingen uitgewisseld over de prijs en de beschikbaarheid van cocaïne en over de verdeling van opbrengsten en over het regelen van schepen en bemanning en over (dek)ladingen voor het vervoeren van de cocaïne en over de beschikbaarheid en het gebruik van transportlijnen en over de landen en de zeehavens en de routes van waaruit of waarover de cocaïne zou worden verstuurd en waarheen de cocaïne zou worden vervoerd (onder meer in (groeps)chats met de gebruikers van de accounts “ [naam 1] ”, “ [naam 2] ”, “ [naam 3] ”).
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 5,5 jaren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft aangevoerd dat meer rekening moet worden gehouden met de aard en ernst van het strafbare feit (beginfase van voorbereidingshandelingen), dat de strafbare feiten hebben plaatsgevonden in 2020 en het tijdsverloop van de zaak tegen de achtergrond van het strafblad van verdachte (geen recente aanrakingen met politie en justitie). Daarom is verzocht om de duur van de gevorderde gevangenisstraf te matigen.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de in- en uitvoer van 2.500 kilogram cocaïne (traject 1). Verdachte heeft een essentiële rol gespeeld bij de voorbereiding van het drugstransport. Hij stelde zijn schip ter beschikking voor het transport en communiceerde via zijn cryptotelefoon over de mogelijkheden van het drugstransport, het verbergen van de cocaïne en het vaarschema. Daarmee vormde verdachte een belangrijke schakel in het geheel.
Het is algemeen bekend dat de handel in harddrugs grote schade toebrengt aan de maatschappij. Niet alleen brengt het gebruik van harddrugs grote gezondheidsrisico's met zich voor de gebruikers, ook kunnen deze drugs leiden tot een lichamelijke of geestelijke verslaving. Verslaafde gebruikers plegen geregeld misdrijven om aan geld te komen om in hun verslaving te voorzien. Daarnaast mag als bekend worden verondersteld dat de productie en handel in harddrugs merendeels het werkterrein vormen van nationale en internationale – niet zelden elkaar beconcurrerende – criminele netwerken, die daarmee grote winsten maken en die ter bescherming van hun illegale belangen de toepassing van verregaande vormen van geweld niet schuwen.
Kortom, de productie van en handel in harddrugs heeft op meerdere niveaus van de maatschappij een grote negatieve invloed. Aan al deze negatieve effecten heeft verdachte een bijdrage geleverd. De verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en kennelijk slechts gehandeld uit winstbejag.
Uitgangspunt strafoplegging
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor de (voltooide) in- en uitvoer van harddrugs van 20 kilogram of meer in georganiseerd verband wordt uitgegaan van een gevangenisstraf van 72 maanden. Voor de bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen kent de rechtspraak geen specifieke oriëntatiepunten. De rechtbank heeft daarom verder aansluiting gezocht bij straffen die in min of meer soortgelijke zaken zijn opgelegd.
Persoon van verdachte
Kijkend naar de persoon van verdachte, heeft de rechtbank gelet op het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. De rechtbank ziet in het strafblad van verdachte dan ook geen strafverzwarende omstandigheden.
Redelijke termijn
De rechtbank constateert dat het recht van verdachte op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is geschonden. De rechtbank heeft daarbij tot uitgangspunt genomen dat de redelijke termijn is aangevangen op 27 maart 2024, de dag dat verdachte door de politie is gehoord. Er is geen sprake van feiten of omstandigheden die maken dat het tijdsverloop geheel of gedeeltelijk is toe te rekenen aan de verdediging. Ook is er geen sprake van feiten of omstandigheden die ertoe dienen te leiden dat afgeweken wordt van het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg twee jaren bedraagt. Een en ander maakt dat bij het doen van uitspraak door deze rechtbank de redelijke termijn met bijna een maand is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding zodanig gering is dat de rechtbank volstaat met de constatering daarvan zonder aan die overschrijding enig rechtsgevolg te verbinden.
Op te leggen straf
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat verdachte wordt vrijgesproken van de voorbereidingshandelingen ten aanzien van de in-/uitvoer van een handelshoeveelheid cocaïne in de periode 3 juni 2020 tot en met 14 juni 2020 (transport 2) en de rechtbank van oordeel is dat de straf die zij zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
47 Wetboek van Strafrecht
2, 10, 10a Opiumwet.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en/of voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:
Een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.E. Bartels, voorzitter,
mr. F. Kooijman en mr. E.H. Groen, leden,
in tegenwoordigheid van mr. M.A.I.A. Aarts, griffier,
en is uitgesproken op 23 april 2026.