RECHTBANK OOST-BRABANT
vonnis
Locatie ‘s-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.126797.24Parketnummer vordering: 01.216114.22
Datum uitspraak: 22 april 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1963] ,
wonende te [woonplaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 maart 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 januari 2009 tot en met 23 augustus 2013 te ‘s-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland,
ontucht heeft gepleegd
met zijn minderjarig kind, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [1997] , door
- meermalen, althans eenmaal, de borsten van die [slachtoffer 1] te betasten en/of aan te raken en/of
- meermalen, althans eenmaal, de vagina van die [slachtoffer 1] te betasten en/of aan te raken en/of
- tijdens een massage zijn, verdachtes, (ontblote) penis tegen de (ontblote) billen van die [slachtoffer 1] te duwen en/of te drukken en/of te houden en/of
- meermalen, althans eenmaal, pornofilm(s) met die [slachtoffer 1] te kijken en/of pornofilm(s) aan die [slachtoffer 1] te tonen/te laten zien.
3. De vordering na voorwaardelijke veroordeling.
De zaak met parketnummer 01.216114.22 is aangebracht bij vordering van 11 juli 2024. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te ‘s-Hertogenbosch van 21 december 2022. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.
4. De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
5. Bewijs.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen, met uitzondering van het duwen en/of drukken en/of houden van de penis tegen de billen van aangeefster tijdens een massage, voor zover dit ziet op de omstandigheid dat de penis en de billen ontbloot zouden zijn, wegens het ontbreken van voldoende wettig bewijs. Verder stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat niet kan worden bewezen dat de ontucht is gepleegd in ‘s-Hertogenbosch, en dat daarom Nederland als pleegplaats dient te worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde feit, kort gezegd doordat het ontuchtige karakter van de verweten handelingen niet kan worden bewezen.
De handelingen die verdachte worden verweten zijn op zichzelf niet zonder meer in strijd met de sociaal-ethische norm, wat vereist is voor het bewijs van een ontuchtige handeling. Het eenmalig aanraken van de borsten van de dochter kan in de opvoeding een keer gebeuren. Het helpen van de dochter bij een voor haar onbekend probleem met haar vagina waarbij moeder niet in staat was daarbij te helpen, is ook niet zonder meer in strijd met de sociaal-ethische norm. Verdachte heeft zijn dochter weliswaar gemasseerd, maar stopte naar eigen zeggen toen hij merkte dat zijn penis stijf werd. Ook dat is niet in strijd met de sociaal-ethische norm. Over het ten laste gelegde samen porno kijken met het slachtoffer biedt het dossier onvoldoende duidelijkheid om daarvan te zeggen dat dit in strijd was met de sociaal-ethische norm. Op grond van de verklaring van verdachte is dat niet zo, aangezien hij verklaart dat zijn dochter zonder dat hij dit doorhad naar beneden kwam en bij hem op schoot kwam zitten. Hoe lang dat heeft geduurd en of zij ook echt samen hebben gekeken naar de porno is niet duidelijk. Verder heeft de raadsman aandacht gevraagd voor de bijzondere opvoedsituatie in het gezin van verdachte.
Het oordeel van de rechtbank.
Bewijsmiddelen.
De rechtbank gaat op grond van de inhoud van de hierna genoemde wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Een aangifte van [slachtoffer 1] , op 2 december 2022, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Waar doet u aangifte van?- Ik doe aangifte voor seksueel misbruik door mijn vader. Dit heeft voornamelijk plaatsgevonden toen ik 13 tot 15 jaar was. Dit heeft verschillende facetten.
Wanneer zijn deze feiten gepleegd?- Toen de vrouwelijke geslachtsorganen een beetje kwamen. Dus ongeveer 10 jaar geleden. Dus 2010/2011.
Waar heeft het seksueel misbruik plaatsgevonden?- [adres] in Empel.
Ik moest mijn borsten laten zien als ze aan het groeien waren. Dit meerdere malen. Hij vroeg ook of hij mocht voelen. Dit is ook gebeurd.
Ik weet dat ik in [adres] in de woonkamer bij de computer op zijn schoot heb gezeten en dat we samen porno hebben gekeken.
(…) Hij deed ons vaak masseren en stoeien op bed. Hij is daarin steeds verder gegaan.
Vertel ons eens alles over de keer dat je met je vader porno moest kijken.
- Ik weet dat mijn vader achter de computer zat. Ik weet niet hoe en wat en op een gegeven moment stond dat aan. Hij vroeg of ik op zijn schoot wilde komen zitten. Ik zat gewoon op zijn schoot en we hebben gekeken. Ik weet dat het porno was met man-vrouw.
Wanneer was dit?
- Sowieso toen ik 13 was.
Waar was dit?
- Thuis op de [adres] .
Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] op 21 december 2023, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
De juiste incident locatie, en dus ook de locatie die gebruikt zal worden in het dossier, betreft [adres] .
Tevens staan in het informatieve gesprek en de aangifte twee verschillende pleegperiodes. Vanuit beide documenten is na doorlezen gebleken dat de onzedelijke handelingen waren gestart na verhuizing naar het adres [adres] . De datum van inschrijving op dit adres betreft 19 maart 2008. Echter geeft [slachtoffer 1] aan dat de leeftijd waarop de ontuchtige handelingen begonnen waarschijnlijk zijn rond haar 12e levensjaar. De leeftijd van 12 jaar bleek ook uit andere stukken in het dossier zoals het aangeleverde rapport van Psytrec. [slachtoffer 1] is geboren op [1997] . Derhalve wordt de datum van 24 januari 2009 aangehouden als aanvang pleegperiode. Als einddatum wordt aangehouden 23 augustus 2013 aangezien [slachtoffer 1] aangaf dat de ontuchtige handelingen in dat jaar stopte.
De verklaringen van getuige [getuige] , afgelegd bij haar politieverhoor op 18 december 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Wat is volgens jou incest?
- Ik heb mijn man gevraagd: “Wat heb je met [slachtoffer 1] gedaan?” Hij zei dat [slachtoffer 1] rugpijn had. Het is jammer dat hij niet overlegd heeft met mij. Ze waren dan boven in het bed. Papa zei dat [slachtoffer 1] zich uit had gekleed. Hij is boven op haar gaan liggen en heeft haar rug gemasseerd. Vader lag zo dicht op hem (de rechtbank begrijpt: haar) en masseerde haar. (…)
Vertel eens alles wat je weet over eventuele seksuele handelingen die plaats hebben gevonden tussen [slachtoffer 1] en [verdachte] ?- [verdachte] heeft het mij zelf verteld en ook via een brief. [verdachte] zei dat hij de borsten van [slachtoffer 1] had aangeraakt.
- (…) [slachtoffer 1] had jeuk aan haar vagina en was met haar vader in de slaapkamer om het hier over te hebben. Toen kwamen moeder en [naam 2] erbij. We vroegen waar ze het over hadden. Toen ging het over de jeuk aan de vagina van [slachtoffer 1] . Toen is [verdachte] de kamer uitgegaan. Daarna is hij teruggekomen met zalf voor schimmel. Dit heeft hij toen op zijn vinger gedaan en wilde hij dit opsmeren op haar vagina. Dit heeft hij ook gedaan. Hierop werd [slachtoffer 1] boos en wilde niet dat vader dit deed. Ik heb vader bij zijn arm gepakt en hij is toen weggegaan.
De verklaringen van verdachte, afgelegd bij zijn politieverhoor op 18 december 2023, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven
(…) Ik heb haar toen boven gemasseerd. Ze had een onderbroek aan. Toen ik aan het masseren was, voelde ik mijn penis groter worden. (…)
(…) Ik had haar over haar rug gemasseerd. De onderbroek kwam tot over haar billen. Ze lag op haar buik en ik masseerde haar rug.
- De kont van [slachtoffer 1] zat tegen mijn penis aan. Ik zat op haar, ter hoogte van haar kont, om haar te masseren. Er ontstond wrijving en warmte. Door het masseren ging de deken eraf. De deken schoof van de kont af. Ik keek toen naar haar rug. Ik kon mij toen niet controleren. Ik voelde dat mijn penis stijf werd.
[slachtoffer 1] verklaarde het volgende: “Ik weet dat ik in de [adres] in de woonkamer bij de computer op zijn schoot heb gezeten en dat we samen porno hebben gekeken.” Vertel eens?- Ja dat klopt. Ik zat porno te kijken. [slachtoffer 1] is boven en komt meteen naar beneden en ziet de porno. Ik heb haar uitgelegd, oude vrouwen kunnen in porno spelen om geld te verdienen.
Wat is de reden dat je samen met jouw dochter naar porno keek?- Ze kwam beneden en ik zat in de hoek achter de computer. [slachtoffer 1] vroeg aan mij, mag ik kijken? Toen zei ik: je mag even kijken.
Hoe vaak hebben jullie samen gekeken naar porno?- 1 keer.
Een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] van 22 november 2023, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Op 12 november 2023 ontving ik, verbalisant [verbalisant 2] , per e-mail van aangeefster [slachtoffer 1]
een kopie van de chatgesprekken tussen aangeefster [slachtoffer 1] en verdachte [verdachte] .
09-10-19 00:51 - [slachtoffer 1] : Zijn er verder nog dingen die je kan herinneren?09-10-19 01:12 - Papa: Mama gaf boven een verkeerde zalf voor je vagina. Ik deed met mijn handen jouw vagina open en keek.
Bewijsoverwegingen.
In een zedenzaak doet zich vaak de situatie voor dat alleen de aangever en verdachte aanwezig zijn geweest bij de ten laste gelegde handelingen en dat zij allebei iets anders verklaren over wat er is gebeurd. Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sr) kan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, niet worden aangenomen op grond van enkel de verklaring van één getuige (in dat geval: aangever). Een belastende verklaring van een aangever moet voldoende steun vinden in het overige gebezigde bewijsmateriaal. Dit bewijsmateriaal dient uit een andere bron te stammen en inhoudelijk steun te bieden aan de eerste bewijsgrond.
Tegen die achtergrond heeft de officier van justitie er in deze zaak voor gekozen om – ondanks de uitgebreide en méér gedragingen omvattende aangifte – een relatief beperkt aantal, in haar ogen ontuchtige, handelingen aan verdachte ten laste te leggen. In haar requisitoir heeft de officier van justitie toegelicht dat deze handelingen wat haar betreft voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen, in de vorm van belastende verklaringen van verdachte zelf (schriftelijk of mondeling) en/of verklaringen van getuigen.
De rechtbank volgt de officier van justitie in het standpunt dat de tenlastegelegde handelingen wettig en overtuigend kunnen worden bewezen op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen. De rechtbank is verder van oordeel dat deze handelingen, gelet op de omstandigheden waaronder deze zijn verricht en rekening houdend met de leeftijd van het slachtoffer en haar relatie met verdachte, seksueel van aard en in strijd met de sociaal-ethische norm zijn.
Verdachte heeft de borsten van zijn dochter aangeraakt en de vagina van zijn dochter betast, hij heeft haar gemasseerd, waarbij hij min of meer op de billen van zijn dochter zat en een stijve penis kreeg, en hij heeft porno met haar gekeken, terwijl zij op zijn schoot zat. Het slachtoffer was ten tijde van deze handelingen in een (pre-)puberale leeftijd, was fysiek ook zodanig ontwikkeld, en is de dochter van verdachte. De ten laste gelegde handelingen passen naar het oordeel van de rechtbank niet bij de opvoeding en verzorging van een (gezonde, niet-hulpbehoevende) puber en gaan de grens van een gezonde, liefdevolle relatie tussen vader en dochter ver te buiten. Verdachte heeft daarmee handelingen van een seksuele aard verricht bij zijn dochter en gelet op de uiterlijke verschijningsvorm kan het niet anders zijn dan dat zijn (voorwaardelijk) opzet ook op deze seksuele aard was gericht. Hiermee is het ontuchtige karakter van de handelingen wettig en overtuigend bewezen.
Partiële vrijspraak
De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de penis van verdachte en de billen van het slachtoffer ontbloot waren tijdens een massage. Verdachte wordt daarom van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijgesproken.
6. De bewezenverklaring.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
in de periode van 24 januari 2009 tot en met 23 augustus 2013 te 's-Hertogenbosch
ontucht heeft gepleegd
met zijn minderjarig kind, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [1997] , door
- eenmaal de borsten van die [slachtoffer 1] aan te raken en
- eenmaal de vagina van die [slachtoffer 1] te betasten en
- tijdens een massage zijn, verdachtes, penis tegen de billen van die [slachtoffer 1] te houden en
- eenmaal porno met die [slachtoffer 1] te kijken.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
7. De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
8. De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
9. Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft erop gewezen dat verdachte bij het opleggen van de door de officier van justitie geëiste straf een jaar in de gevangenis zou moeten doorbrengen, terwijl hij in de basis zijn leven op orde heeft. Mede gelet op het taakstrafverbod heeft de verdediging de rechtbank daarom verzocht om een eventuele gevangenisstraf te combineren met een taakstraf, zodat verdachte niet (lang) in detentie hoeft door te brengen.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met zijn minderjarige dochter door haar borsten aan te raken, haar vagina te betasten, zijn penis op haar billen te drukken en porno met haar te kijken. Dit is een ernstig feit. Het slachtoffer was ten tijde van het gepleegd feit tussen de 12 en 16 jaar oud. Zij bevond zich nog in haar kindertijd, en aan het begin van haar lichamelijke en seksuele ontwikkeling. Zij was bovendien aan de zorg en waakzaamheid van verdachte toevertrouwd. Verdachte heeft desondanks een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer.
Dat dit soort feiten tot psychische schade bij slachtoffers kan leiden en dat zij vaak langdurig de gevolgen daarvan meedragen, is algemeen bekend. Uit de slachtofferverklaring en de medische informatie in het dossier is de rechtbank gebleken welke gevolgen het handelen van verdachte voor het slachtoffer heeft gehad en welk leed zij hiervan heeft ondervonden en nog steeds ondervindt.
De verontwaardigde en verongelijkte houding van verdachte tegenover het slachtoffer ter zitting en zijn focus op het door hemzelf beleefde onrecht zijn misplaatst en pijnlijk voor het slachtoffer. Verdachte ziet niet in hoe ernstig de door hem gepleegde handelingen zijn en heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Persoon van verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 5 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 25 maart 2026, opgemaakt door reclasseringswerker mevrouw [naam 1] . Uit dit advies volgt – kort samengevat – het volgende. De reclassering schat het risico op recidive bij verdachte in als laag. Verdachte is voldoende ingebed in zorg en heeft zowel op de praktische leefgebieden als op de emotieregulatie reeds jaren hulpverlening via het dovencentrum en maatschappelijk werk. In de afgelopen jaren is hij niet meer in beeld geweest voor zedengerelateerde feiten.Verdachte stelt zich (verder) vermijdend en als slachtoffer op en het is niet mogelijk om het (delict)gedrag met hem te bespreken. Onderzoek wijst ten slotte uit dat bij een lage score [de rechtbank begrijpt: op de gehanteerde risicotaxatieinstrumenten] bij zedendelinquenten enkel afstraffen meer recidiveverlagend werkt dan het inzetten van een intensieve zedenbehandeling. De reclassering ziet mede daardoor op dit moment geen noodzaak voor reclasseringsinterventies.
De op te leggen straf
Voor het plegen van ontucht door een volwassene met een kind geldt in beginsel een gevangenisstraf als uitgangspunt en de rechtbank is van oordeel dat ook in deze zaak een gevangenisstraf moet worden opgelegd. De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van de straf rechtbank rekening met de kwetsbare persoon van de verdachte. Verdachte is doof en communiceert via gebarentaal. Detentie zal voor hem naar alle waarschijnlijkheid dan ook een (volledig) sociaal isolement opleveren. Ook weegt de rechtbank mee dat het ten laste gelegde feit meer dan 12 jaar geleden heeft plaatsgevonden en dat verdachte zich sindsdien niet opnieuw aan (soortgelijke) strafbare feiten schuldig heeft gemaakt.
Verder stelt de rechtbank vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is overschreden. De redelijke termijn is naar het oordeel van de rechtbank aangevangen op 7 december 2023. Dit is de dag waarop verdachte het bericht ontving om te verschijnen op het politiebureau. De redelijke termijn is met ruim vier maanden overschreden. Waar de rechtbank zonder schending van de redelijke termijn naast een gevangenisstraf voor hierna te noemen duur een taakstraf voor de duur van 240 uren passend zou vinden, vindt zij rekening houdend met de schending van de redelijke termijn een taakstraf voor de duur van 200 uren passend.
Toepasselijkheid taakstrafverbod?
Bij de Wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het beperken van de mogelijkheden om een taakstraf op te leggen voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en bij recidive van misdrijven (Stb. 2012, 1) is artikel 22b Sr ingevoerd. Deze wet is in werking getreden op 3 januari 2012. De wet bevat in artikel II een bepaling van overgangsrecht inhoudende dat de wet geen gevolgen heeft voor feiten die zijn begaan voor de inwerkingtreding van die wet. De invoering van artikel 22b Sr houdt een wijziging in van de toepasselijke regels van sanctierecht, inhoudende dat de rechter wordt beperkt in de mogelijkheid tot het opleggen van een taakstraf. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het bewezenverklaarde in onderhavige zaak mede voor 3 januari 2012 is begaan, dient de genoemde bepaling buiten toepassing dient te blijven. Het taakstrafverbod is daarom niet van toepassing.
De rechtbank zal alles afwegende een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. De rechtbank zal een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, enerzijds om de ernst van het feit tot uitdrukking te brengen en anderszijds om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen. Daarbij geldt een proeftijd van twee jaren. Daarnaast zal zij aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis wanneer hier niet aan wordt voldaan.
10. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering toe te wijzen, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
Primair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, omdat er vrijspraak is bepleit. Subsidiair betwist de verdediging niet de grondslag van de vordering tot immateriële schadevergoeding, maar wel de hoogte. De verdediging heeft aangevoerd dat het letsel waarop de immateriële schadevergoeding is gebaseerd, mogelijk niet volledig een rechtstreeks gevolg is van het ten laste gelegde feit. De verdediging verzoekt de rechtbank daarom subsidiair een bedrag naar billijkheid toe te kennen.
Beoordeling.
Uit de onderbouwing van de vordering volgt dat [slachtoffer 1] (mede) door het bewezenverklaarde aan PTSS lijdt. De rechtbank is op basis hiervan van oordeel dat er sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze in de zin van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek, de vorm van psychisch letsel.
Op grond van hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld met betrekking tot het door haar ervaren psychische leed en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 7.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2013 tot aan de dag dat het gehele bedrag is voldaan. De rechtbank heeft bij de begroting van de schade tevens acht geslagen op de Rotterdamse Schaal, waarbij voor PTSS in de categorie ‘middelzwaar’ een bandbreedte van tussen de 5.500 en 16.000 euro geldt. De rechtbank heeft er verder rekening mee gehouden dat het psychisch letsel van het slachtoffer mogelijk ten dele door andere gebeurtenissen is veroorzaakt, zij het dat een deel van die gebeurtenissen ook samenhangt met de opvoedingssituatie.
De vordering zal concluderend voor een bedrag van € 7.000,00, worden toegewezen. De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2013 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
11. Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 01.216114.22.
Uit onderzoek ter terechtzitting zijn omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De rechtbank zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging, omdat de voorwaardelijke veroordeling ziet op een feit dat is gepleegd na het in deze zaak bewezenverklaarde.
12. Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 249 (oud) Wetboek van Strafrecht.
13. DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid:
- het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd.
- verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
Oplegging straf
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering met parketnummer 01-216114-22.
Benadeelde partij
Dit vonnis is gewezen door:
mr. F. van Buchem, voorzitter,
mr. J.H.P.G. Wielders en mr. M.W.M. Bankers, leden,
in tegenwoordigheid van mr. F.J.J. Weerts, griffier,
en is uitgesproken op 22 april 2026.