RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummers: 01-394709-24; 18-399449-24 (gevoegd ter terechtzitting)
Datum uitspraak: 22 april 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1995] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans gedetineerd te: [vestigingsplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 en 31 maart 2025, 26 mei 2025, 12 augustus 2025, 4 november 2025, 22 januari 2026 en 8 april 2026.
Op de zitting van 31 maart 2025 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlasteleggingen.
01-394709-24
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 7 februari 2025. De tenlastelegging is gewijzigd op de terechtzitting van 31 maart 2025. Aan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging tenlastegelegd dat:
Feit 1
hij in of omstreeks de periode van 1 november 2023 tot en met 11 december 2024 te Oss en/of ‘s-Hertogenbosch en/of elders in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer,
te weten die van [slachtoffer 1] (zijn [ex-]partner), door (telkens)
- voornoemde [slachtoffer 1] (anoniem) te bellen en/of
- ( dwingende en/of intimiderende en/of bedreigende) e-mails en/of WhatsApp
berichten te sturen en/of
- brieven en/of goederen in de brievenbus en tegen de woning te gooien en/of
- over de schutting van de tuin bij de woning van die [slachtoffer 1] te klimmen en/of
- die [slachtoffer 1] op verschillende locaties op te wachten,
(telkens) met het oogmerk voornoemde [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
Feit 2
hij op een tijdstip in de periode van 6 december 2024 tot en met 9 december 2024 te Oss, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] (indirect, via derden) dreigend de woorden toe te voegen " [slachtoffer 1] mijn maatje moet ik terug, en als dat niet lukt weet ik het ook niet. Ik heb geld genoeg, dan koop ik een geweer en dan schiet ik haar neer en daarna mijzelf. Want ik ga niet bij die kankerwouten in de cel zitten, want dat gaat dan gebeuren", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Feit 3
hij op of omstreeks 7 september 2024 te Oss [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door haar (meermalen) tegen haar hoofd en/of lichaam te slaan.
Feit 4 primair
hij op of omstreeks 24 maart 2024 te Poppel (België), in elk geval in België, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] (zijn [ex-]partner) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen haar bij haar keel heeft gepakt en/of haar vervolgens (aan haar nek) heeft opgetild, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Feit 4 subsidiair
hij op of omstreeks 24 maart 2024 te Poppel (België), in elk geval in België, (zijn (ex-)levensgezel), [slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar bij haar keel te pakken en/of haar (vervolgens) op te tillen.
18-399449-24
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 maart 2025. Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
Feit 1
hij in of omstreeks de periode van 15 april 2024 tot en met 13 september 2024, te Groningen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2] (zijn ex-partner), door (veelvuldig) voornoemde [slachtoffer 2] (anoniem) te bellen en/of te appen, en/of berichten en/of filmpjes en/of spraakberichten middels WhatsApp en/of middels meerdere socialmedia platformen te versturen naar voornoemde [slachtoffer 2] , met het oogmerk die [slachtoffer 2] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
Feit 2
hij op of omstreeks 23 mei 2024, in de gemeente Groningen en/of in de gemeente Maasdriel, althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] via WhatsApp dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je af" en/of "Jammer dat ik je niet heb doodgeslagen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
De formele voorvragen.
Het standpunt van de verdediging.
In de zaak met parketnummer 01-394709-24 betreft feit 1 een klachtdelict waarbij er een klachtvereiste geldt. Gelet op het bepaalde in artikel 66, eerste lid, Sr dient die klacht te worden ingediend binnen drie maanden na de dag waarop de klachtgerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde strafbare feit. Aangeefster heeft een klacht ingediend op 6 december 2024. Op een eerder moment dan 6 december 2024 heeft zij dat niet gedaan. Nu de tot klacht gerechtigde binnen drie maanden nadat zij op de hoogte was van het strafbare feit de klacht had moeten indienen, kan het Openbaar Ministerie wat betreft de periode van 1 november 2023 tot aan 6 september 2024 niet in de strafrechtelijke vervolging van dit feit worden ontvangen. Het Openbaar Ministerie dient over die periode, een periode van ruim tien maanden, niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging van verdachte, aldus de verdediging.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht het verweer te verwerpen. Belaging is een voortdurend delict, wat betekent dat de klachttermijn waarnaar de raadsman verwijst zich uitstrekt over de gehele pleegperiode. De klacht is daarmee binnen de wettelijke termijn gedaan.
Het oordeel van de rechtbank.
Belaging is pas voltooid wanneer gedurende een bepaalde periode inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de klachtgerechtigde. De termijn waarbinnen een klacht moet worden ingediend bij een voortdurend delict als belaging vangt daarom niet eerder aan dan wanneer de klachtgerechtigde kennis draagt van beëindiging van het delict. In dit geval is de klacht gedaan vijf dagen voor het einde van de tenlastegelegde pleegperiode. Daarmee is sprake van een tijdig ingediende klacht als bedoeld in artikel 66 lid 1 Sr. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht het onder 01-394709-24 feit 2 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en heeft gevorderd verdachte hiervan vrij te spreken. Er is onvoldoende wettig bewijs voor dit feit. De officier van justitie acht de overige onder beide parketnummers (primair) tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om verdachte vrij te spreken van het onder 01-394709-24 feit 2 tenlastegelegde wegens een gebrek aan voldoende wettig bewijs. Ook heeft de verdediging de rechtbank verzocht om verdachte vrij te spreken van het onder 01-394709-24 feit 4 primair tenlastegelegde, wegens een gebrek aan bewijs voor de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De verdediging heeft de rechtbank verder verzocht om verdachte vrij te spreken van het onder 18-399449-24 feit 2 tenlastegelegde, voor zover verdachte wordt verweten aangeefster te hebben bedreigd met de woorden “Jammer dat ik je niet heb doodgeslagen”. Dit is volgens de verdediging meer een verzuchting en geen bedreiging in de zin van artikel 285 Sr. De verdediging heeft zich voor de bewezenverklaring van de overige tenlastegelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
Vrijspraak 01-394709-24 feit 2
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen wat aan verdachte onder feit 2 van de zaak met parketnummer 01-394709-24 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig bewijs bevat voor dit feit, omdat de tenlastegelegde bedreiging slechts door één getuige (de auditu) is gehoord, en een verdachte niet kan worden veroordeeld op grond van een belastende verklaring van één getuige.
Bewijsmiddelen 01-394709-24
Een proces-verbaal van aangifte van 6 december 2024 door [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Begin november 2023 ging [verdachte] [de rechtbank begrijpt: verdachte] mij weer dwingen. Hij zei dat ik met hem mee moest gaan. Als ik dan niet meeging kwam hij voor mijn deur en ging vanalles tegen mijn raam gooien.
Hij bleef appen, bellen soms wel 30 keer per dag. Ik was echt bang van [verdachte] . Ik heb eind
januari 2024 geprobeerd de relatie[de rechtbank begrijpt: te verbreken], wat voor mij allang geen relatie meer was maar die ik uit angst liet in stand houden. Ik heb [verdachte] op alles geblokkeerd. In de tweede week van februari 2024 tijdens de carnaval is [verdachte] ineens weer in beeld gekomen. [verdachte] bleef mij toen de hele dag door lastig vallen dit deed hij met andere nummers of accounts van vrienden. Het waren zoveel belletjes en berichten op een dag dat dit bijna niet te tellen was. Ik was gelijk weer helemaal ontdaan en bang. Ik heb [verdachte] toen toch weer in mijn leven gelaten. Ik had toen het gevoel dat ik geen andere keuze had. Ik wilde rust en was bang voor [verdachte] als hij zijn zin niet kreeg. Ik was niet opgewassen tegen zijn opdringerig en agressief gedrag.
Ik ben op 24 maart 2024 zo hard geslagen door [verdachte] dat ik het ziekenhuis ( [ziekenhuis] ) in moest. [verdachte] heeft mij toen gebracht. Ik was zo bang dat ik niet durfde te vertellen dat [verdachte] mij zo mishandeld had. Ik heb op de spoedeisende hulp gezeten. Ik was helemaal blauw mijn ogen waren rood en blauw. Ik was echt bang dat ik dood gemaakt zou worden door [verdachte] . [verdachte] pakte mij bij mijn keel en tilde mij van de grond af. Ik had gevoel dat het leven aan mij voorbij flitste. Ik had echte doodsangst. Na dit voorval bleef [verdachte] mij dingen verwijten het werd steeds erger. [verdachte] bleef constant schreeuwen tegen mij er was geen moment rust. Ik had toen geen relatie meer. Ik had [verdachte] al meerdere malen gezegd dat het voorbij was. Ik was bang van [verdachte] ik was bang als ik hem geen gelijk gaf of zijn zin niet gaf dat [verdachte] mij helemaal in elkaar sloeg. Ik heb nog steeds last van de mishandeling ik kan soms moeilijk eten.
Ik ben op 24 maart zo hard geslagen door [verdachte] dat ik het ziekenhuis ( [ziekenhuis] ) in moest. Ik was helemaal blauw mijn ogen waren rood en blauw. Ik was echt bang dat ik dood gemaakt zou worden door [verdachte] . [verdachte] pakte mij bij mijn keel en tilde mij van de grond af. Ik had gevoel dat het leven aan mij voorbij flitsen. [verdachte] stopte niet hij bleef mij maar dwingen. Als ik geen gehoor gaf ging hij bij mij in de straat staan. [verdachte] achtervolgde mij, appte mij, en stuurde berichten. Ik kreeg toen wel gemiddeld 300 à 400 berichten per dag van [verdachte] . Het is op een gegeven moment wel afgezwakt eerst naar ongeveer 200 per dag en nu ligt het gemiddelde na 100 per dag. Ik heb na 7 september 2024 weer geprobeerd al het contact te verbreken maar [verdachte] blijft doorgaan door middel van nieuwe accounts en andere telefoonnummers. [verdachte] zegt zelf ook dat hij mij niet kan loslaten. Tot op heden blijft [verdachte] mij stalken.
Ik heb op 30 oktober een gesprek gehad met Veilig Thuis en de politie op het bureau in Oss. Toen ik daar weg ging kwam [verdachte] opeens naast mij rijden met zijn auto en vroeg of de man die met mij uit politie bureau kwam mijn nieuwe vriend was. Ik ben al verschillende [de rechtbank begrijpt: keren] lastiggevallen door [verdachte] als ik vanuit mijn werk met de trein uit Den Bosch kom. Ik ben meerdere [de rechtbank begrijpt: keren] lastiggevallen in Oss en Den Bosch op het treinstation. Ik heb op mijn werk geregeld dat afwisselend kan werken zodat ik op steeds andere tijden reis. [verdachte] gaat echter gewoon uren staan wachten op de station tot hij mij ziet. De laatste keer dat [verdachte] mij opstond te wachten heeft [verdachte] mij vastgepakt en zijn er mensen tussen gesprongen. [verdachte] heeft mij diverse keren op verschillende plaatsen staan opwachten. Nog steeds ondervind ik last van [verdachte] , laatst lag er een telefoon, chocoladeletter en een brief in een envelop met postzegel maar zonder frankering in mijn brievenbus. Ik herkende de telefoon als die van [verdachte] ook benoemt hij dat in de brief. Ik krijg nog steeds anoniem telefoontjes. Ik weet zeker dat deze afkomstig van [verdachte] . Ik word nog steeds stelselmatig lastig gevallen door [verdachte] . Ik heb hem meerdere malen aangeven hiermee te stoppen en ik heb hem ook steeds geblokkeerd. [verdachte] blijft mij opzoeken met verschillende accounts en telefoonnummers.
Een proces-verbaal ontvangst klacht door de hulpofficier van justitie van 6 december 2024, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
De klaagster [slachtoffer 1] verzocht uitdrukkelijk om tot vervolging van de mogelijke dader over te gaan.
Een proces-verbaal van aanhouding van verdachte van 8 december 2024, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Op 11 december 2024 werd aangehouden als verdachte: [verdachte] .
Een proces-verbaal van aangifte van 7 september 2024 door [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Op 7 september 2024 klom mijn ex over het muurtje waar mijn woning en achtertuin gelegen is. De deur, welke de toegang verschaft tot mijn woning en tuin was afgesloten. Dit is ongeveer 2 meter hoog. Ik hoorde later dat mijn buurvrouw [slachtoffer 1] , [verdachte] over het muurtje zag klimmen. [verdachte] liep vervolgens naar mijn voordeur en trok deze open. Ik dacht eerst dat [slachtoffer 1] de woning binnen kwam. Echter zag ik direct dat [verdachte] voor mij stond. [verdachte] stond op een afstand van 20 centimeter van mij vandaan. Ik vond dit erg intimiderend. [verdachte] begon direct tegen mij te schreeuwen. [verdachte] was het niet eens met dat de relatie voorbij was, dat ik dan maar dood moest en dat hij dan ook dood zou gaan of woorden van die trant. Vervolgens sloeg hij meerdere malen met een vlakke hand op mijn linker wang. Ik denk dat hij 3 à 4 keer heeft geslagen. Vervolgens pakte hij mij stevig vast en kneep hierbij in mijn beide armen. Ik heb hiervan echt veel last. Ook heb ik last van de slagen op mijn linkerwang.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 8 april 2026, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Ik heb aangeefster [slachtoffer 1] geslagen. Ik heb aangeefster [slachtoffer 1] veel WhatsApp-berichten gestuurd. Ik heb haar meerdere keren opgewacht op het centraal station. Ik ben op 7 september 2024 bij de woning van aangeefster [slachtoffer 1] over de schutting geklommen en haar woning binnengegaan. Ik heb haar toen op een gegeven moment een tik gegeven. Ik had op 24 maart 2024 ruzie met aangeefster [slachtoffer 1] in Poppel te België.
Een proces-verbaal van verhoor getuige J. Lagas van 13 december 2024, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Op zaterdag 7 september 2024, ving ik [slachtoffer 1] na het voorval op bij mij thuis. Ik hoorde van [slachtoffer 1] dat zij door [verdachte] klem werd gezet tegen de kast. Ik hoorde dat [slachtoffer 1] zei dat [verdachte] de deur op slot had gedaan zodat [slachtoffer 1] niet weg kon. [slachtoffer 1] liet mij zien wat [verdachte] haar had aangedaan. Ik zag rode plekken en zwellingen op haar lichaam. Ik zag ook krassen, deze komen van de kast waartegen zij was aangeduwd zei [slachtoffer 1] . Deze rode plekken en verdikkingen zag ik op armen, gezicht en op haar rug. Je kon aan deze plekken zien dat [slachtoffer 1] echt heel hard geduwd was. Ik zag de afdrukken nog op haar huid.
Een proces-verbaal van verhoor van verdachte van 10 december 2024, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
[verdachte] : Aangever geeft aan dat jij haar constant bleef bellen en berichten sturen. Wat kun
jij hierover verklaren?
A: Ja.
[verdachte] : Je staat haar op diverse plekken op te wachten bij de stations in Den Bosch en Oss. Waarom doe je zoiets?
A: Omdat ik op geen enkele manier geen contact met haar krijg.
[verdachte] : Tot op heden blijf je volgens de aangever haar lastig vallen op diverse manieren
middels anonieme telefoontjes en brieven en kleine attenties. Wat kun jij hierover verklaren?
A: Ja ik heb 1 of 2 brieven gestuurd. Ik heb haar wel eens anoniem gebeld ja.
Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring van 24 maart 2024, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Op 24-03-2024 zagen wij [slachtoffer 1] op de Spoedeisende Hulp.
Lichamelijk onderzoek: praat moeilijk omdat ze haar onderkaak niet makkelijk kan bewegen. Drukpijn op beide kaakkopjes. Kan mond niet goed openen. Blauwe plek op kin. In hals striemvormige hematomen, mn links.
Bewijsoverweging feit 4 primair
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op 24 maart 2024 heeft gepoogd aangeefster [slachtoffer 1] zwaar te mishandelen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, en overweegt daartoe als volgt.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
Gelet op de door aangeefster gegeven omschrijving van het geweld, namelijk het pakken bij en vervolgens van de grond tillen aan haar keel, in samenhang bezien met de inhoud van de geneeskundige verklaring van 24 maart 2024, was er in de gegeven omstandigheden een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat zij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Bij de keel bevinden zich kwetsbare en vitale delen van het lichaam en het is een feit van algemene bekendheid dat het dichtknijpen van de keel zuurstofgebrek en een hersenbeschadiging tot gevolg kan hebben. Daarbij is naar het oordeel van de rechtbank van belang dat verdachte met aanzienlijke kracht de keel moet hebben vast-/dichtgeknepen om een volwassen vrouw als aangeefster (enkel) aan haar keel (nek) van de grond te tillen. Het op de hals aangetroffen letsel past ook bij een aanzienlijke krachtsinwerking. Door aangeefster op deze manier vast te pakken en van de grond te tillen heeft hij de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ook bewust aanvaard.
De rechtbank is met betrekking tot het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans van oordeel dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken. Het onder feit 4 primair tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.
Bewijsmiddelen 18-399449-24
Een proces-verbaal van aangifte van 15 april 2024 (de rechtbank leest: 7 juni 2024) door [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Ik wil aangifte doen vanaf de periode 15 april 2024 tot het heden. Op 15 april was ik voor school in Kosovo. Hij benaderde mij via Instagram. Hij zag in mijn verhaal dat ik in het buitenland was. Hij stuurde boze berichten en speelde op mijn gevoel in. Hierop gaf ik mijn nummer, omdat ik het gevoel had dat ik niet anders kon. Ik gaf mijn nummer omdat ik bang was en dacht dat hij dan tevreden zou zijn en zou stoppen met de dreigementen. Hier maakte ik screenshots van. Vanaf het moment dat hij mijn nummer had, zijn de dreigementen weer dagelijks begonnen.
Van 15 april 2024 tot 23 mei 2024 stalkte [verdachte] mij via WhatsApp. Hij stuurde mij berichten als: "Dit is gewoon heel slecht voor mijn mentale gezondheid." "Jouw gedrag en je manier waarop je handelt zorgen er bijna voor dat ik het hele stukje ' [naam 1] ' gewoon op wil geven omdat het me alleen maar pijn doet." en "Fuck jou en je hele kkfamilie, fuck rianne, fuck je moeder, je bent kk gek in je kop." "Ik baal echt dat jij de moeder van mijn kind bent." Diezelfde dag, op 15 april 2024, stuurde hij een foto van een kinderopvang. Hij stuurde ook dat hij weet waar mijn ouders wonen. Dit maakte mij heel bang omdat hij eerder, voor het contactverbod, ook mijn ouders had opgezocht. Op 15 april 2024 stuurde [verdachte] alleen al 115 berichten. Ik stelde 15 april meteen de politie ik kennis omdat [verdachte] dreigementen uitte waar ik enorm angstig van werd.
[verdachte] stuurde in de periode van 15 april 2024 tot 23 mei 2024 manipulatieve berichten zoals: "Jij hebt me laten zien wat liefde is", "Ik mis je", "Ik heb nog nooit zo veel van iemand gehouden" en "Ik wil met je verder". Vervolgens kwamen er weer doodsbedreigingen. Ik reageerde hier niet op. Op 26 april 2024 blokkeerde ik [verdachte] op sociale media. Ik had hem toen alleen nog op Whatsapp. Wanneer [verdachte] berichten stuurde reageerde ik hier nauwelijks op, eigenlijk alleen als het over onze zoon ging. [verdachte] gebruikte een ander nummer om mij te bellen. Ik wist dat [verdachte] dit was omdat ik opnam en hij zich voorstelde. Als ik niet reageer vindt [verdachte] wel weer een andere manier om mij te benaderen. Op 23 mei 2024 stuurde [verdachte] : "Ik maak je af."
Op 24 mei 2024 voerde de politie een stopgesprek met [verdachte] . Na het stopgesprek belde [verdachte] mij weer met een ander, anoniem nummer. Naast het bellen stuurde hij berichten dat ik op moest nemen. Op 27 mei 2024 blokkeerde ik [verdachte] zijn eigen nummer ook op WhatsApp. Ik had [verdachte] toen op alle kanalen dus geblokkeerd. Na 27 mei 2024 is er geen contact meer geweest tussen [verdachte] en mij.
Ten tijde van de berichten en de bedreigingen voelde ik angst. Ik had angst dat hij mijn familie op zou zoeken of contact mee zou zoeken, dit heeft hij eerder gedaan. Dit deed hij twee jaar terug, toen het contactverbod nog niet gold. Nu is het contactverbod voorbij en ben ik bang dat dit weer zal gebeuren. Ook was ik bang dat hij [naam 1] , onze zoon, af zou pakken.
Een proces-verbaal ontvangst klacht door de hulpofficier van justitie van 7 juni 2024, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
De klaagster [slachtoffer 2] verzocht uitdrukkelijk om tot vervolging van de mogelijke dader over te gaan.
Een proces-verbaal van aangifte van 3 oktober 2024 door [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Ik doe aangifte van bedreiging met de dood door mijn ex-vriend [verdachte] . Zo heeft hij mij op 23 mei 2024 een WhatsApp gesprekje gestuurd met de tekst: "Ik maak je af". Vanaf 13 september 2024 is het rustig en heb ik niets meer van [verdachte] gehoord.
Een proces-verbaal van bevindingen van 24 mei 2024, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven: 24 mei 2024 sprak ik telefonisch met betrokkene [verdachte] voor een STOP-gesprek. [verdachte] was erg dwingend, gaf aan dat hij zijn kind wil zien zonder begeleiding dan wel bemoeienis van elke instantie. Gaf aan dat hij dit jaar zijn kind wil zien. Als dat niet gebeurt hij andere maatregelen gaat nemen. Weet waar de ouders van melder woont. Zal daar wel langs gaan.
Aangegeven dat hij via de telefoon contact zoekt met melder en bedreigingen uit. Dat hij daarmee moet stoppen. Dat dit een stopgesprek is. [verdachte] werd alleen maar kwader en gaf aan de verbinding te verbreken.
Op 25 mei 2024 werd [ik] gebeld door betrokkene [verdachte] . Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij nog over ons gesprek had nagedacht en dat hij van mening is dat hij zijn ex wel mag contacten en dat ook heeft gedaan. Vervolgens gaf ik aan dat het allemaal zijn mening is en dat dat hij niet zijn ex moet contacten. Wederom gaf hij aan dat hij haar wel mag contacten en wederom gaf ik aan dat als zij dat niet wil en dat aangeeft dat hij dat dan niet mag doen.
Een proces-verbaal van bevindingen van 10 september 2024, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Op 10 september 2024 was ik bij betrokkene [slachtoffer 2] op huisbezoek. Ze vertelde mij dat ze wederom is benaderd door haar ex partner [verdachte] , ondanks dat er met hem een STOP-gesprek is gevoerd. Ze gaf aan dat [verdachte] op de volgende momenten contact had gezocht:
Op 18 augustus 2024 ergens in de ochtend had [verdachte] contact gezocht via snapchat. [slachtoffer 2] heeft als account naam [gebruikersnaam] en [verdachte] had een vriendschapverzoek ingediend onder snapaccount naam [verdachte] . [slachtoffer 2] had het verzoek geweigerd.
Op 31 augustus 2024 werd [slachtoffer 2] meerdere keren gebeld door een privé-nummer. Ze nam toen op en herkende de stem van [verdachte] en hoorde hem zeggen: "Hoi met [verdachte] ". Ze had vervolgens hem weggedrukt.
Op 8 september 2024 omstreeks 15:50 uur werd [slachtoffer 2] weer door een privé-nummer gebeld. Ze had niet opgenomen. Vervolgens kreeg ze bericht van het telefoonnummer van [verdachte] met daarin het bericht: "hoi met [verdachte] , [verdachte] zit er doorheen, als je niet opneemt komt het je duur te staan." Daarna nog rond 19:35 uur tien keer door een privé-nummer gebeld.
Omstreeks 17:23 uur werd haar moeder door [verdachte] benaderd via WhatsApp telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Gaf aan dat hij zijn zoon wilt zien, god zal straffen en door hen zijn leven kapot was gemaakt. Daarna nog dertig keer gebeld door een privénummer en de nummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] . Omstreeks 19:50 uur geappt door telefoonnummer [telefoonnummer 1] maar waren de berichten ook weer verwijderd. Ze wist de inhoud hiervan niet. Ging om acht berichten.
Op 9 september 2024 werd ze geappt door telefoonnummer [telefoonnummer 3] door [verdachte] . In de berichten eist hij dat ze de volgende dag voor 16:00 uur contact op moet nemen, anders zou hij haar opzoeken.
Een proces-verbaal van bevindingen van 4 oktober 2024, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
[slachtoffer 2] verklaarde desgevraagd dat zij berichten heeft ontvangen van, en gebeld is door de volgende telefoonnummers waarvan aangever weet of vermoedt dat [verdachte] die nummers gebruikt.
Het zijn de volgende telefoonnummers:
- [telefoonnummer 4]
- [telefoonnummer 5]
- [telefoonnummer 6]
- [telefoonnummer 7]
- [telefoonnummer 8]
Een proces-verbaal van verhoor van verdachte van 27 oktober 2024, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
[verdachte] : Er zijn vijf (5) verschillende telefoonnummers gebruikt, [telefoonnummer 9] , [telefoonnummer 10] , [telefoonnummer 11] , [telefoonnummer 12] en [telefoonnummer 13] . Wat kun jij hier over verklaren?A: Ik heb er twee en ik heb een keertje van nummer gewisseld. Een nieuw abonnement. Mijn nummer nu is [telefoonnummer 5] . Daarvoor was het [telefoonnummer 7] .
Een proces-verbaal van bevindingen van 4 oktober 2024, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Ik heb de opnamen beluisterd en bekeken welke bij de aangifte waren gevoegd. De opnamen [de rechtbank begrijpt: waaronder de spraakberichten] zijn niet beschreven door de grote hoeveelheid. In het WhatsApp bericht Foto 1 , 23 mei, is te lezen: "Ik maak je af".
Bewijsoverweging
Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het uiten van de bewoordingen “Jammer dat ik je niet heb doodgeslagen” geen bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht oplevert in de zin van artikel 285 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Hoewel deze woorden onmiskenbaar kunnen bijdragen aan een gevoel van onveiligheid, leveren deze geen daadwerkelijke doodsbedreiging op. Verdachte wordt daarom partieel vrijgesproken van feit 2.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen eventueel in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
01-394709-24
Feit 1:
in de periode van 1 november 2023 tot en met 11 december 2024 te Oss en/of ‘s-Hertogenbosch en/of elders in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] (zijn [ex-]partner), door
- voornoemde [slachtoffer 1] (anoniem) te bellen en
- ( dwingende en/of intimiderende en/of bedreigende) (WhatsApp-)
berichten te sturen en
- brieven en/of goederen in de brievenbus en tegen de woning te gooien en
- over de schutting van de tuin bij de woning van die [slachtoffer 1] te
klimmen en
- die [slachtoffer 1] op verschillende locaties op te wachten,
(telkens) met het oogmerk voornoemde [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
Feit 3:
op 7 september 2024 te Oss [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door haar (meermalen) tegen haar hoofd en lichaam te slaan.
Feit 4 primair:
op 24 maart 2024 te Poppel (België) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] (zijn ex-partner) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen haar bij haar keel heeft gepakt en haar vervolgens (aan haar nek) heeft opgetild, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
18-399449-24
Feit 1:
in de periode van 15 april 2024 tot en met 13 september 2024, in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2] (zijn ex-partner), door (veelvuldig) voornoemde [slachtoffer 2] (anoniem) te bellen en te appen, en berichten en filmpjes en spraakberichten middels WhatsApp en middels meerdere social media- platformen te versturen naar voornoemde [slachtoffer 2] , met het oogmerk die [slachtoffer 2] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
Feit 2:
op 23 mei 2024, in Nederland, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 2] via WhatsApp dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je af"..
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en maatregelen.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen:
De officier van justitie heeft met betrekking tot laatstgenoemde maatregel aangevoerd dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor oplegging van deze maatregel, en dat daarmee de mogelijkheid wordt gecreëerd om verdachte na afloop van de tbs-maatregel onder toezicht te stellen om dreigende recidive snel te kunnen signaleren en daarop tijdig te kunnen acteren.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft uitvoerig stilgestaan bij de geëiste maatregel tot terbeschikkingstelling. De verdediging heeft onderbouwd aangevoerd waarom een terbeschikkingstelling in dit geval niet noodzakelijk is, en dat terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege in ieder geval een te ingrijpende maatregel is.
Gelet op de relatief geringe ernst van de strafbare feiten, de lange duur van de voorlopige hechtenis, maar ook gezien het ultimum-remedium-karakter van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege en de huidige wachtlijsten en de passentenproblematiek binnen het tbs-stelsel, verzoekt de verdediging de rechtbank om de gevorderde maatregel niet op te leggen. Dat er deskundigen zijn die hebben geoordeeld dat dit een passend kader is zegt immers niets over de proportionaliteit. Bovendien hebben de deskundigen geen rekening gehouden met aspecten als de wachttijden en de duur van de voorlopige hechtenis.
Als de rechtbank van oordeel is dat een voorwaardelijke straf met reclasseringstoezicht ontoereikend is en dat het herhalingsgevaar daarvoor te groot is, dan zou terbeschikkingstelling met voorwaarden een zeer passend alternatief voor de gevorderde maatregel zijn. Er is geen goede reden om te veronderstellen dat een voorwaardelijke tbs-maatregel nergens toe gaat leiden. Niet voor niets hebben de rapporteurs van Forensisch Maatwerk tot het opleggen van terbeschikkingstelling met voorwaarden geconcludeerd. Terbeschikkingstelling met voorwaarden zou een stuk beter passen bij de aard en de ernst van de zaak, maar ook bij de aard en de ernst van de problematiek.
Mocht de rechtbank komen tot het opleggen van een tbs-maatregel, dan meent de verdediging dat er in deze zaak alleen een gemaximeerde tbs-maatregel kan worden opgelegd, nu de tbs-maatregel niet zal worden opgelegd voor een gewelds- of zedendelict. Ook is er geen sprake van een misdrijf gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam. Dat betekent dat alleen een gemaximeerde tbs-maatregel kan worden opgelegd.
Voorwaardelijk verzoek
Het advies van de rapporteurs van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) om een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen is in de kern terug te voeren op een gebrek aan ziektebesef en motivatie bij verdachte. Juist op dat cruciale onderdeel ontbreekt het in het rapport in de visie van de verdediging aan een toereikende onderbouwing. De deskundigen hebben het advies om af te zien van terbeschikkingstelling met voorwaarden gemotiveerd met slechts twee zinnen. Voor het geval de rechtbank een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege noodzakelijk acht, heeft de raadsman daarom een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van de psychiater en psycholoog die het PBC-rapport hebben opgesteld.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf en maatregel(en) die aan verdachte dien(t)(en) te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee belagingen, een poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel, een mishandeling en een bedreiging met de dood. Deze feiten heeft verdachte gepleegd tegen twee (ex-)partners die hij ondanks vele duidelijke signalen van aangeefsters zelf alsook van opsporingsambtenaren,is blijven lastig vallen. De belagingen bestonden onder andere uit het veelvuldig bellen en appen, waarbij verdachte zich van zeer dwingende en dreigende taal bediende, en in het geval van aangeefster [slachtoffer 1] ook uit het fysiek opwachten en thuis opzoeken. Verdachte heeft verder bij aangeefster [slachtoffer 1] geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te passen door haar bij de keel te grijpen en daaraan van de grond te tillen. Uit de inhoud van de dossiers en de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen is duidelijk geworden hoezeer deze strafbare feiten hebben ingegrepen op het dagelijks leven van aangeefsters, en hoeveel angst zij hierdoor hebben ervaren. Verdachte heeft langere tijd en op verschillende manieren een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en hun gevoelens van veiligheid en geluk daarmee duurzaam aangetast.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 3 december 2025. Hieruit volgt dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Verdachte is op 24 februari 2022 veroordeeld voor onder meer een bedreiging en mishandelingen, gepleegd jegens een van de slachtoffers in deze zaak. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee.
Verdachte is gedurende zes weken opgenomen geweest en onderzocht in het PBC. De rechtbank heeft kennisgenomen van de hierover opgemaakte Rapportage Pro Justitia van het NIFP van 10 februari 2026, ondertekend door psycholoog F.M.G. Stadhouders en psychiater R.L.I. Pol. Ook de reclassering heeft over verdachte gerapporteerd in een rapport van 23 maart 2026. De inhoud van deze rapportages zal hierna worden besproken.
De PBC-rapportage
De psychiater en de psycholoog van het Pieter Baan Centrum hebben in hun rapport onder meer het volgende geconcludeerd en geadviseerd.
Verdachte is een 30-jarige, bovengemiddeld intelligente man, bij wie sprake is van complexe psychopathologie in de vorm van een aandachtsdeficiëntie- en hyperactiviteitsstoornis (ADHD), een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken en een stoornis in het gebruik van cannabis. Tijdens het onderzoek in het PBC is naar voren gekomen dat sprake is van een gestagneerde persoonlijkheidsontwikkeling. Verdachte hanteert onrijpe afweermechanismen, die gedurende de onderzoeksgesprekken in het PBC massief aanwezig waren en uiterst bepalend zijn geweest in het contact. Zo is sprake van (primitieve) externalisatie, bagatelliseren, devalueren en projecteren. Emoties worden door verdachte actief en hevig afgeweerd. Ook lijkt verdachte weinig zicht te hebben op zijn eigen emotionele binnenwereld, hetgeen duidelijk wordt gekleurd door zijn onveilige opgroeisituatie waarbinnen geen aandacht was voor zijn affectieve behoeften.
Verdachte heeft zichzelf gaandeweg (onbewust) gepantserd, waarbij hij anderen amper toelaat en zijn onderliggende kwetsbaarheden afweert door zichzelf op te blazen en vijandig op te stellen. Naast de bovenbeschreven instabiliteit op alle leefgebieden en onrijpe afweermechanismen, zijn er problemen op het gebied van identiteit en zelfbeeld, emotie- en impulsregulatie en het mentaliserend vermogen (het vermogen om het eigen gedrag en dat van anderen te kunnen begrijpen vanuit onderliggende mentale toestanden). Verdachte heeft een inconsistent en kwetsbaar zelfbeeld. Hierbij heeft hij de behoefte om samen te vallen met de ander en te streven naar symbiose, waarbij de relatie als kader fungeert waardoor hij zijn zelfbeeld op peil kan houden. Bij het wegvallen hiervan ontstaat dermate veel stress dat fragmentatie optreedt, waarbij verdachte desintegreert en zijn innerlijke structuur wegvalt. Dit uit zich in wisselvallig en tegengesteld gedrag, waarbij de realiteitstoetsing onder druk komt te staan. Verdachte is geneigd om zijn innerlijke belevingswereld als objectieve werkelijkheid te zien en te redeneren vanuit zijn eigen momentane perspectief, waarbij hij nauwelijks in staat is zich in te leven in het perspectief van de ander. Bij tegenslag nemen emoties snel de overhand, wat kan resulteren in heftige, impulsieve reacties en destructief of suïcidaal gedrag. Hierbij zijn er duidelijke beperkingen zowel in de agressie- als impulsregulatie. De ADHD-symptomatologie versterkt de beperkingen voortvloeiend vanuit de persoonlijkheidsstoornis.
Alle geclassificeerde stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van de tenlastegelegde feiten.
De deskundigen menen dat de aanwezige problematiek verdachte duidelijk beperkte in zijn keuze- en handelingsvrijheid, waarbij er doorwerking wordt gezien van de psychopathologie in het bewezenverklaarde en er sprake was van een verminderde wilsvrijheid ten opzichte van de gemiddelde mens. Toch was geen sprake van een volledige beperking in de keuze- en handelingsvrijheid. Geadviseerd wordt alle bewezenverklaarde feiten in een sterk verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Indien verdachte onbehandeld zou terugkeren naar de situatie van voor het bewezenverklaarde is de inschatting dat sprake is van een hoog recidiverisico voor zowel nieuwe geweldsdelicten als belaging.
De beschreven psychopathologie en de daarmee samenhangende risicofactoren maken dat een psychotherapeutisch behandeltraject nodig is. De behandeling dient zich te richten op het verbeteren van het persoonlijkheidsfunctioneren. Hierbij is het verstevigen van de identiteit, het verbeteren van het interpersoonlijk functioneren, het bevorderen van het mentaliserend vermogen en het verbeteren van de emotie-, impuls- en agressieregulatie essentieel om het risico op recidive te verlagen. Hierbij dient eveneens aandacht te zijn voor de (vroegkinderlijke) traumatisatie en de aanwezige hechtingsproblematiek. Naast psychotherapie zien de deskundigen ook een rol voor psychofarmacologische behandeling.
Hoewel nog geen eerdere behandelpogingen zijn ondernomen, schatten de deskundigen in dat een langdurige en intensieve behandeling noodzakelijk is om een afname van delictrisico’s te bewerkstelligen. Dit heeft te maken met de ernst en aard van de psychopathologie. Zo is bij verdachte ten gevolge van de hechtingsproblematiek sprake van een verhoogd basaal wantrouwen, waarbij hij geneigd is om anderen, met name ook hulpverleners, op afstand te houden. Daarnaast zullen de massief aanwezige onrijpe afweermechanismen en de weerstand tegen behandeling de totstandkoming van een therapeutische werkrelatie bemoeilijken. Ook het gebrek aan vermogen tot introspectie en de neiging om emoties actief af te weren vormen potentiële uitdagingen in de behandeling. Hierdoor wordt het niet onwaarschijnlijk geacht dat het proces van in therapie komen geruime tijd (jaren) zal duren. Gezien bovengenoemde factoren is een intensieve klinische behandeling met een hoge zorgintensiteit aangewezen. Behandeling binnen een minder intensief (ambulant) kader, wordt door de deskundigen als volstrekt ontoereikend beschouwd. Binnen een dergelijk traject zal het niet mogelijk zijn om tot een adequate psychotherapeutische behandeling te komen.
Kijkend naar het kader waarin de behandeling plaats zou moeten vinden, kan geconcludeerd worden dat deze, gezien de forse psychopathologie en de hoge kans op recidive, dient plaats te vinden binnen het kader van de maatregel van een terbeschikkingstelling. De mogelijkheid van een terbeschikkingstelling met voorwaarden is door de deskundigen overwogen. Dit wordt als onvoldoende haalbaar beschouwd vanwege de weerstand van verdachte tegen een klinische behandeling, in combinatie met het gebrek aan inzicht en de eerder aanwezige problemen rondom het houden aan voorwaarden. Ingeschat wordt dat verdachte zich niet aan een voorwaardelijk kader kan conformeren. Om de kans op recidive adequaat te kunnen verlagen is dan ook het advies om de behandeling te laten plaatsvinden binnen het kader van de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging.
Het reclasseringsadvies
De reclassering heeft in haar rapport onder meer het volgende overwogen. Er is sprake van een lange voorgeschiedenis van hulpverlening, zowel ambulante begeleiding en behandeling als in woonvoorzieningen, vrijwillig en forensisch. Tot op heden heeft dit geen blijvende gedragsverandering weten te bewerkstelligen. Ondanks dat verdachte zich vrijwillig bij [naam 2] heeft aangemeld voor onder andere een agressieregulatie training (niet geverifieerd), is zijn houding ten aanzien van de inzet van (reclassering)interventies ambivalent en leert het verleden dat de kans op onttrekking aan eventuele bijzondere voorwaarden hoog is. De reclassering schat het recidiverisico in op hoog afgaande op de eerdere veroordelingen inzake huiselijk geweld, de forse psychische problematiek en het geringe ziekte-inzicht. De reclassering ziet een verleden waarbij verdachte niet afsprakengetrouw was en zich niet kon conformeren aan de bijzondere voorwaarden. Daarnaast wordt zijn houding zowel in reclasseringsrapportages als in de opgestelde Pro Justitia-rapportages omschreven als vijandig, verbaal agressief en leek hij in het verleden veelal zijn eigen gang te gaan. Verder wordt er omschreven dat het huidige functioneren van verdachte reden geeft tot zorg. Dit is gebaseerd op onvoldoende probleembesef en de daarbij aanwezige emotionele instabiliteit. Hierdoor bestaan er twijfels over het slagen van toekomstige interventies. Verdachte lijkt voornamelijk bezig te zijn hoe hij zo snel mogelijk klaar kan zijn met een eventueel kader. De reclassering adviseert negatief over tbs met voorwaarden.
Verdachte heeft wel aangegeven dat hij zich wil conformeren aan bijzondere voorwaarden en reclasseringsafspraken. Op grond van het gesprek met verdachte vraagt de reclassering zich af of hij daadwerkelijk gemotiveerd is of dat hij enkel wil meewerken om sneller zijn klinische behandeling af te ronden. Verdachte geeft aan behandelgemotiveerd te zijn en zich te realiseren dat hij behandeling nodig heeft. Opvallend is dat hij ondanks deze uitspraken ambivalent blijft. Onder andere deze ambivalente uitspraken, negatieve beëindigde reclasseringstoezichten en de gestagneerde behandelpogingen zorgen ervoor dat de responsiviteit wordt ingeschat op laag. Het geringe zelfinzicht is hier ook een wezenlijk onderdeel van.
Rapporterend reclasseringswerker mevrouw K. Hoekman is als getuige-deskundige gehoord tijdens de terechtzitting van 8 april 2026. Zij heeft gepersisteerd bij de hiervoor weergegeven inhoud van haar schriftelijke rapport.
Tbs met bevel tot verpleging van overheidswege
De rechtbank neemt de conclusies en adviezen van de psycholoog en de psychiater over. Met hen is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk maakt. De rechtbank overweegt voorts dat is voldaan aan de formele voorwaarden om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. In het geval van verdachte bestond tijdens het begaan van de bewezenverklaarde feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Daarnaast betreffen d bewezenverklaarde feiten belaging en bedreiging misdrijven als vermeld in artikel 37a lid 1 sub 2° Sr.
De rechtbank is op grond van de inhoud van de hiervoor besproken rapportages van oordeel dat een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege noodzakelijk is, en dat niet kan worden volstaan met een tbs-maatregel met voorwaarden. De deskundigen en de reclassering hebben goed onderbouwd waarom een tbs-maatregel met voorwaarden in dit geval als onvoldoende kansrijk wordt ingeschat. Voor de rechtbank is de beschreven complexe en meervoudige psychische problematiek waar bij verdachte sprake van is en die ten grondslag ligt aan het delictgedrag, in combinatie met zijn gebrek aan ziektebesef en -inzicht, doorslaggevend. Om de kans op recidive te verlagen tot een aanvaardbaar niveau zal jarenlange, intensieve klinische behandeling nodig zijn met een hoge zorgintensiteit, terwijl verdachte zich vanaf de start van het persoonlijkheidsonderzoek in deze zaak meermaals ambivalent en met weerstand heeft uitgelaten over een klinische behandeling. Ook de recalcitrante en onvoorspelbare houding van verdachte jegens hulpverleners, ook tijdens zijn opname in het PBC – toen verdachte wist hoe belangrijk zijn gedrag was voor het uiteindelijke advies – sterkt de rechtbank in de overtuiging dat een tbs-maatregel met voorwaarden ontoereikend is om het gevaar dat van verdachte uitgaat in te perken. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de inschatting van de deskundigen, en acht zich voldoende voorgelicht om te kunnen beslissen over oplegging van de tbs-maatregel. Het voorwaardelijk verzoek van de raadsman tot het horen van de psychiater en de psycholoog wordt daarom afgewezen.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte ter beschikking stellen. De rechtbank zal voorts bevelen dat verdachte van overheidswege verpleegd wordt.
Ongemaximeerde tbs
De rechtbank zal de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opleggen voor ongemaximeerde duur. De terbeschikkingstelling wordt onder meer opgelegd voor een poging tot zware mishandeling, een feit dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, zodat sprake is van een geweldsmisdrijven in de zin van artikel 38e Sr. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaren te boven gaan.
Gevangenisstraf
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard en ernst van de feiten en met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van de reeds door verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd. De rechtbank houdt in strafverminderende zin rekening met de sterk verminderde toerekenbaarheid van verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde, als een gevolg van zijn psychische stoornissen.
Vrijheidsbeperkende maatregel
Ter voorkoming van strafbare feiten zal de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid opleggen. Gelet op de aard en ernst van de feiten is een contactverbod met beide aangeefsters passend, en wel voor de maximale duur van 5 jaren, met bepaling dat voor elke overtreding één week vervangende hechtenis wordt toegepast, met een maximum van zes maanden. Gelet op het door alle deskundigen als hoog ingeschatte recidiverisico en het gegeven dat verdachte eerder ook al is veroordeeld voor belaging van een van de slachtoffers in deze zaak moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens aangeefsters. De vrijheidsbeperkende maatregel zal daarom dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr. Aan verdachte wordt een ongemaximeerde tbs-maatregel opgelegd. Dat impliceert dat beëindiging van de maatregel pas aan de orde is als het recidiverisico laag is. Daarbij kunnen er in het kader van een voorwaardelijke beëindiging van de tbs met dwangverpleging ook allerlei voorwaarden gesteld worden die het recidiverisico inperken. In dit geval is de rechtbank er niet op voorhand van overtuigd dat een verdere inperking van de bewegingsvrijheid van verdachte ook na beëindiging van de tbs-maatregel noodzakelijk is.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
37a, 37b, 38e, 38v, 38w, 45, 57, 285, 285b, 300, 302 en 304 Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 01-394709-24 feit 2 is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart het tenlastegelegde voor het overige bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
01-394709-24 feit 1 en 18-399449-24 feit 1:
telkens, belaging.
01-394709-24 feit 3:
mishandeling.
01-394709-24 feit 4 primair:
poging tot zware mishandeling.
18-399449-24 feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
- verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
- legt op de volgende straf en maatregelen:
een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht;
een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege, ongemaximeerd in duur;
een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat de veroordeelde gedurende vijf jaren zich onthoudt van – direct of indirect – contact met [slachtoffer 2] , geboren op [2001] en [slachtoffer 1] , geboren op [1997] . De rechtbank beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximale duur van zes maanden. De rechtbank bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft. De rechtbank beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,
mr. F. van Buchem en mr. M.W.M. Bankers, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R.H.A. de Poot, griffier,
en is uitgesproken op 22 april 2026.