ECLI:NL:RBOBR:2026:2608

ECLI:NL:RBOBR:2026:2608

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 24-04-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer 01/015113-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen gericht op de productie van [met]amfetamine. Het beroep op onrechtmatig verkregen bewijs wordt verworpen. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Tevens wordt verdachte de maatregel tot verhaal van kosten [art. 13d Opiumwet] opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team Strafrecht

Parketnummer: 01.015113.26

Datum uitspraak: 24 april 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1997] ,

wonende te [adres 1] ,

thans gedetineerd in [verblijfplaats] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 april 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

door het vervoeren en/of voorhanden te hebben van 460 kilo, althans een (grote) hoeveelheid methyl-4-fenylacetoacetaat (E4PA), welke stof kan worden gebruikt voor het vervaardigen van BMK (benzylmethylketon), een grondstof voor (met)amfetamine, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 maart 2026. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 13 april 2026 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 januari 2026 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten

- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of

- het opzettelijk vervaardigen van (met)amfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De rechtmatigheid van de verkregen bewijsmiddelen.

Het standpunt van de verdediging.

Ter terechtzitting van 13 april 2026 heeft de raadsman aangevoerd dat de doorzoeking van de auto van verdachte onrechtmatig is geweest. Kort gezegd meent de raadsman dat op het moment van het afpakken van de autosleutel van verdachte, het openen van het voertuig en het openen van twee dozen in het voertuig geen verdenking bestond. De verdenking op grond van de Opiumwet is pas hierna ontstaan. De Wet op de economische delicten (hierna: WED) biedt geen basis voor het doorzoeken van een auto en het openen van de dozen. Er is dus sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Dit moet in de visie van de raadsman leiden tot bewijsuitsluiting.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting van 13 april 2026 op het standpunt gesteld dat de staandehouding van verdachte en de daaropvolgende doorzoeking van zijn voertuig, rechtmatig zijn geweest. De officier van justitie sluit zich daartoe aan bij de gronden die de rechter-commissaris en later de raadkamer ten grondslag hebben gelegd aan het oordeel dat de aanhouding van verdachte en de doorzoeking van zijn voertuig rechtmatig zijn geweest.

Het oordeel van de rechtbank.

Op grond van de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting van 13 april 2026 stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 15 januari 2026 zien verbalisanten op de Meerenakkerweg te Eindhoven een VW Caddy met het kenteken [kenteken] rijden. Het voertuig valt op doordat het remlicht meerdere malen kort werd geactiveerd. Verbalisanten zien bovendien dat het voertuig zwaarbeladen is. Bij controle van het kenteken blijkt dit voertuig op naam van verdachte te staan. Uit bevraging van de politiesystemen blijkt dat verdachte in december 2025 een positieve speekseltest op cannabis heeft gehad en dat hij in 2024 was veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet. Gelet op deze feiten hebben verbalisanten het voertuig staandegehouden en hebben zij vastgesteld dat verdachte de bestuurder van dit voertuig was.

Nadat verdachte staande was gehouden hebben verbalisanten verdachte medegedeeld dat zij de lading van zijn voertuig wilden controleren aan de hand van de op die lading betrekking hebbende vrachtbrief. Daarop heeft verdachte medegedeeld dat hij die vrachtbrief niet bij zich had.

Vervolgens hebben verbalisanten verdachte verzocht de laadruimte van zijn voertuig te openen om de controle van de door verdachte vervoerde lading mogelijk te maken. Dat heeft verdachte geweigerd. Daarop hebben verbalisanten de sleutel van het voertuig uit de broekzak van verdachte gehaald. Met die sleutel hebben zij de laadruimte van het voertuig geopend. In de laadruimte hebben verbalisanten een aantal dozen aangetroffen. Eén van de dozen is door verbalisanten geopend, waarna de dozen in beslag zijn genomen.

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verbalisanten op grond van de bevoegdheden die zij op grond van het bepaalde in artikel 23 van de WED hadden, rechtmatig hebben gehandeld bij de staandehouding van verdachte en bij het openen van de laadruimte van het door verdachte bestuurde voertuig en twee dozen die zich daarin bevonden. Alle daaruit verkregen bewijsmiddelen zijn naar het oordeel van de rechtbank rechtmatig verkregen en kunnen dus bijdragen aan het bewijs van het aan verdachte tenlastegelegde feit.

De rechtbank verwerpt het door de raadsman gevoerde verweer dat het bewijs tegen verdachte op onrechtmatige wijze is verkregen.

De beoordeling van het tenlastegelegde feit.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft bepleit verdachte van het tenlastegelegde vrij te spreken omdat bij verdachte de wetenschap ontbrak dat hij een middel vervoerde dat bestemd was voor de vervaardiging van een bij de Opiumwet verboden middel.

Het oordeel van de rechtbank.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in dit vonnis. Na de uitwerking en opgave van de bewijsmiddelen zal de rechtbank nog enkele overwegingen wijden aan het bewijs.

De bewijsmiddelen.

 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 13 april 2026 afgelegd.

Op 15 januari 2026 reed ik als bestuurder van mijn VW Caddy over de Meerenakkerweg in Eindhoven. Toen mij door de politie een stopteken werd gegeven, heb ik mijn auto op de Langendijk in Eindhoven geparkeerd. Daarop wilde de politie in mijn auto kijken. Daarmee heb ik niet ingestemd. Hierna heeft de politie mij medegedeeld dat ik ervan werd verdacht een milieudelict te hebben gepleegd omdat mijn auto te zwaar beladen zou zijn en dat dit de reden voor de controle van de lading in mijn auto zou zijn. De politie heeft mij herhaaldelijk toestemming gevraagd de lading van mijn auto te mogen controleren. Dat heb ik telkens geweigerd. De sleutels van mijn auto heb ik niet aan de politie gegeven omdat ik niet aan de controle wilde meewerken.

Uiteindelijk heeft de politie zelf mijn sleutels gepakt en de laadruimte van mijn auto geopend. Daar troffen zij een aantal dozen met poeder aan. Vervolgens heeft de politie mij naar de vrachtbrief van de lading gevraagd om te kunnen controleren waaruit de lading bestond. Ik heb toen gezegd dat ik de vrachtbrief niet bij me had. Bij het laden van mijn auto was ik aanwezig. Ik heb toen niet gecontroleerd wat er in de dozen zat.

U deelt mij mede dat ik bij mijn verhoor op 17 januari 2026 bij de rechter-commissaris heb verklaard “dat is het risico van het vak”. Daarmee heb ik bedoeld te zeggen dat ik er maar op moet vertrouwen dat mijn opdrachtgever eerlijk is over wat hij te vervoeren aanbiedt en dat de lading overeenstemt met wat op de vrachtbrief staat.

 het proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer PL2100-2026010477-10, opgemaakt en afgesloten op 15 januari 2026. Dit proces-verbaal houdt onder meer zakelijk weergegeven in het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

[pag. 15, 16] Op 15 januari 2026 omstreeks 16.00 uur reden wij op de Meerenakkerweg in Eindhoven. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , zag een voertuig rijden voorzien van kenteken [kenteken] . Ik bevroeg het kenteken en ik zag dat de ten naam gestelde [verdachte] was, geboren op [1997] . Wij zagen dat het voertuig zwaarbeladen was doordat de achterkant van het voertuig doorgezakt was en de voorkant licht omhoogsteeg. Wij gaven het voertuig een stopteken en ik, verbalisant [verbalisant 1] , deelde de bestuurder mede dat hij de weg moest vervolgen richting de Meerenakkerweg. Wij zagen dat hij hieraan voldeed en dat hij zijn voertuig tot stilstand bracht op de Langendijk in Eindhoven.

Nadat de bestuurder zijn voertuig tot stilstand had gebracht, liep ik verbalisant [verbalisant 1] , naar de bestuurderszijde van het voertuig. Ik zag dat de bestuurder zijn Nederlands rijbewijs en kentekenbewijs gaf. Hierna deelde ik, verbalisant [verbalisant 1] , hem mede dat wij zijn rijbewijs en kentekenbewijs wilde controleren op de Wegenverkeerswet en ook zijn vrachtbrief en laadruimte op de Wet economische delicten. Ik, verbalisant [verbalisant 2] opende de bus. Wij zagen dat er in de bus een aantal dichte dozen stonden. Er werd een doos geopend. Wij zagen dat er in de doos een zak zat met daarop Chinese tekens en "non-dairy-creamer". Wij hielden de bestuurder aan en brachten hem over naar het politiebureau. De bestuurder bleek te zijn genaamd [verdachte] , geboren op [1997] [= verdachte].

 het proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer PL2100-2026010477-19, opgemaakt en afgesloten op 15 januari 2026. Dit proces-verbaal houdt onder meer zakelijk weergegeven in het relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en Teuben.

[pag. 27, 28] Op 15 januari 2026 omstreeks 16.20 uur kregen wij het verzoek van collega [verbalisant 1] om aan te sluiten bij een controle van een Volkswagen Caddy op de Meerenakkerweg te Eindhoven. Wij zagen dat collega's [verbalisant 1] en [verbalisant 2] naar de achterkant van de Caddy liepen en de deuren openden. Wij hoorden dat zij zeiden dat de Caddy helemaal vol lag met dozen. Ik, verbalisant [verbalisant 4] , opende een van de dozen om de inhoud te controleren. Ik zag dat op een doos het adres was weggebrand. Ik opende de doos en rook direct een chemische geur en zag een zilverkleurige zak zitten. Vervolgens opende ik een andere doos. Deze zag er hetzelfde uit als de overige dozen in de Caddy. Ik opende de doos en zag dat er een witte zak in zat met Chinese symbolen erop en de tekst: "Non-Dairy-Creamer". Ik rook een licht chemische geur.

Vervolgens werd het voertuig met inhoud in beslag genomen en overgebracht naar een andere locatie voor onderzoek. Wij zagen dat op de dozen twee adressen stonden: [adres 2] en [adres 3] .

 het proces-verbaal van bevindingen LFO, proces-verbaalnummer 2026-01-15 (PL2100-2026010444) opgemaakt en afgesloten op 19 januari 2026. Dit proces-verbaal houdt onder meer zakelijk weergegeven in het relaas van verbalisant [verbalisant 3].

[pag. 52, 53] Op 16 januari 2026 heb ik een onderzoek ingesteld aan de lading van een motorvoertuig. Naar aanleiding van een controle aan een motorvoertuig werden in de laadruimte dozen aangetroffen, waarin zich vermoedelijk stoffen bevonden voor de vervaardiging en of bewerking van synthetische drugs. Het motorvoertuig werd ten behoeve van een in te stellen onderzoek door het LFO veiliggesteld op het terrein van het Bureau van Politie Eindhoven, gevestigd Mathildelaan 4 te Eindhoven.Door mij is het betreffende voertuig op het terrein van de Politie Eindhoven, aangetroffen. Het motorvoertuig was van het fabrieksmerk Volkswagen en voorzien van het Nederlands kenteken [kenteken] . In de laadruimte werden 23 kartonnendozen aangetroffen. Deze dozen waren voorzien van diverse etiketten. Op een etiket van UPS stond vermeldt “Ship To, [naam] , [adres 3] . De dozen waren gezien de vermelding op de etiketten van twee partijen. Te weten; partij van 1 t/m 8 en 1 t/m 50. In de dozen bevonden zich verschillende verpakkingen met eenzelfde verpakte inhoud van een geel/beige substantie die werd geïdentificeerd als zijnde Methyl-4-Fenyl-Acetotacetaat, de pre-precursor voor de vervaardiging van Benzyl Methyl Keton (BMK). BMK is de grondstof voor de vervaardiging van amfetamine of metamfetamine. Totaal werd er circa 460 kilogram pre-precursor aangetroffen. Vanuit de partij werden uit vier willekeurige verpakkingen monsters genomen. Deze monsters werden respectievelijk voorzien van het SIN-nummer: AARY1151NL, AARY1152NL, AARY1153NL en AARY1154NL.

 een ander geschrift, te weten een rapport “drugsonderzoek aan materialen aangetroffen op 15 januari 2026 in Eindhoven” van het NFI van 7 april 2026 met zaaknummer 2026.03.12.112. Dit rapport houdt onder meer zakelijk weergegeven in het relaas rapporteur dr. J.W. Hulshof.

Verkregen informatie: In de laadruimte van het motorvoertuig [kenteken] werden dozen met Chinese etiketten aangetroffen.Vraagstelling 2: Bevat het onderzoeksmateriaal grondstoffen/hulpstoffen/tussenproducten voor de vervaardiging en/of bewerking van [synthetische] drugs?

Onderzoeksmateriaal en resultaat:

Conclusie:In het onderzoeksmateriaal is een zout van het enolaat van ethyl 4-fenylacetoacetaat (E4PA) aangetoond. In relatie tot drugs worden zouten van het enolaat van E4PA gebruikt voor het vervaardigen van BMK (benzylmethylketon), een grondstof voor amfetamine en metamfetamine.

Nadere overwegingen van de rechtbank.

Ter terechtzitting van 23 april 2026 heeft de raadsman gemotiveerd aangevoerd dat verdachte niet wist waaruit zijn lading bestond. Door en namens verdachte is betwist dat verdachte wist of reden had te vermoeden dat hij een stof vervoerde die gebruikt wordt voor de vervaardiging van (met)amfetamine.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte wel wist dat hij iets vervoerde dat niet was toegestaan.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting van 13 april 2026 stelt de rechtbank het volgende vast. Nadat verbalisanten een van de dozen in de laadruimte van het voertuig van verdachte hadden geopend, roken zij een chemische lucht. Op de dozen stonden diverse Chinese tekens en op de etiketten die zich op deze dozen bevonden, waren adressen weggebrand. Verdachte heeft verklaard dat hij bij het laden van zijn voertuig aanwezig is geweest. Hij heeft dus ook kunnen en moeten zien dat adressen waren weggebrand en dat op diverse dozen andere adressen stonden dan zijn uiteindelijke bestemming. Verdachte heeft bovendien de vrachtbrief niet kunnen overleggen. Uit het dossier blijkt ook niet dat verdachte heeft verklaard wat hij dan wél vervoerde, terwijl hij toch bij het inladen betrokken was. Pas ter terechtzitting is door verdachte verklaard dat hij dacht dat hij kippenvoer zou vervoeren. Tenslotte stelt de rechtbank vast dat verdachte alles in het werk heeft gesteld om de controle van de laadruimte van zijn voertuig te voorkomen.

Ter terechtzitting van 13 april 2026 is verdachte uitdrukkelijk gevraagd op welk adres hij de in zijn voertuig aangetroffen dozen had geladen, op welk adres hij deze dozen moest afleveren, wat de naam van de afnemer van zijn lading was en wat de naam van zijn opdrachtgever was. Verdachte heeft deze vragen niet willen beantwoorden omdat hij bang is daardoor nog verder in de problemen te komen. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte wist althans er sterk rekening mee hield dat zijn opdrachtgever en/of de afnemer zijn lading, geen bonafide, legale ondernemers waren. Dat verdachte vermoedde dat hij kippenvoer vervoerde acht de rechtbank dan ook onaannemelijk.

Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte minst genomen ernstig reden heeft gehad te vermoeden dat hij iets vervoerde dat niet was toegestaan.

De rechtbank verwerpt het door de verdediging gevoerde verweer dat bij verdachte de wetenschap ontbrak over de aard van de lading die hij vervoerde dan ook.

De conclusie.

Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen, een en ander zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.

De bewezenverklaring.

De rechtbank komt tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 15 januari 2026 te Eindhoven, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het opzettelijk vervaardigen van metamfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door het vervoeren en voorhanden hebben van 460 kilo methyl-4-fenylacetoacetaat (E4PA), welke stof kan worden gebruikt voor het vervaardigen van BMK (benzylmethylketon), een grondstof voor metamfetamine.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden met aftrek van voorarrest waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte de maatregel als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet op te leggen. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Mocht de rechtbank tot een veroordeling van verdachte komen, dan heeft de verdediging bepleit verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de tijd die verdachte tot aan de uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De ernst van het bewezenverklaarde feit.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen, gericht op de productie van (met)amfetamine. Amfetamine is een harddrug die zeer verslavend en schadelijk voor de volksgezondheid is. De handel in harddrugs is zeer lucratief. De productie en verkoop ervan gaat vaak gepaard met andere vormen van zware, georganiseerde criminaliteit, waaronder ernstige vormen van geweld. Daar komt bij dat het afval dat ontstaat door de productie van synthetische drugs vaak rechtstreeks in de natuur wordt geloosd, hetgeen grote schade aan het milieu veroorzaakt. Verdachte heeft met zijn handelen een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de productie van harddrugs, met alle eerdergenoemde gevolgen van dien. Verdachte heeft zich geen rekenschap gegeven van de schadelijke gevolgen van zijn handelen voor anderen en voor het milieu.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Verdachte was geen onbekende op het gebied van Opiumwetdelicten. In 2022 heeft verdachte een strafbeschikking betaald, onder meer voor de overtreding van het bezit van harddrugs en softdrugs. Dit heeft hem niet weerhouden het hiervoor bewezen verklaarde feit te plegen.

De strafmodaliteit.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf. De rechtbank zal bepalen dat een deel van de op te leggen gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd als verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.

De op te leggen maatregel tot verhaal van kosten [art. 13d Opiumwet].

Artikel 13d van de Opiumwet maakt het mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid en er ten aanzien van die voorwerpen de maatregel van onttrekking aan het verkeer wordt opgelegd of had kunnen worden opgelegd, worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat in het voertuig van verdachte gevaarlijke goederen aanwezig waren, te weten 460 kilo methyl-4-fenylacetoacetaat [E4PA]. Verdachte heeft afstand gedaan van deze onder hem in beslag genomen voorwerpen.

Deze stof is een voorwerp van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Op 16 januari 2024 heeft de officier van justitie beslist dat met dit voorwerp moet worden gehandeld als ware dit onttrokken aan het verkeer [pag. 172].

Voorts is vast komen te staan dat er kosten zijn gemaakt om deze goederen te vernietigen. Bij de stukken bevindt zich een proces-verbaal van de politie met bijlagen [pag. 77-82] waaruit blijkt dat de kosten van de vernietiging van de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen zijn vastgesteld op € 3.617,49. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de omvang van deze kosten.

Gelet op de aard van de onder verdachte in beslag genomen goederen had de rechtbank ten aanzien van deze goederen de maatregel van onttrekking aan het verkeer kunnen opleggen, maar dat is gelet op de afstandsverklaring niet nodig. Dat betekent dat aan de eisen van artikel 13d van de Opiumwet is voldaan. De rechtbank zal verdachte dan ook de verplichting opleggen die gemaakte kosten aan de Staat te betalen, een en ander zoals hierna in het dictum van dit vonnis zal worden omschreven.

De conclusie.

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van achttien maanden met aftrek van voorarrest waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Tevens zal verdachte de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 3.617,49 als vergoeding voor de vernietiging van de onder verdachte in beslag genomen voorwerpen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en

10a en 13d van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10, voor te bereiden en/of te bevorderen stoffen voorhanden hebben, waarvan hij ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

 een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis inverzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf groot zes maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

 Legt aan [verdachte] op de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 3.617,40, ter vergoeding van de kosten van de vernietiging van de onder verdachte in beslag genomen chemicaliën.

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 36 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Flikkenschild, voorzitter,

mr. R.J. Heuft en mr. S.V. Vullings, leden,

in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,

en is uitgesproken op 24 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. N. Flikkenschild
  • mr. R.J. Heuft
  • mr. S.V. Vullings

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?