RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 01.315824.25
Datum uitspraak: 24 april 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2000] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 april 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 maart 2026. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 1 november 2018 tot en met 29 augustus 2021 te Eindhoven en/of te Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, met [slachtoffer] , geboren op [2005] , die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] .
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De beoordeling van het tenlastegelegde feit.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daartoe is – kernachtig weergegeven – aangevoerd dat verdachte weliswaar een relatie had met [slachtoffer] (hierna: aangeefster), maar dat geen sprake was van een gering leeftijdsverschil. Dat leeftijdsverschil is onaanvaardbaar groot en daarom kwalificeert de officier van justitie de seks tussen hen als ontuchtige handelingen in de zin van artikel 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
Het standpunt van de verdediging.
Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de verdediging vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit. De verdediging stelt zich kort gezegd op het standpunt dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om te kunnen spreken van een seksuele relatie met een ontuchtig karakter.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de tenlastegelegde seksuele handelingen,
waarvan verdachte erkent dat die hebben plaatsgevonden, ontuchtige handelingen zijn als bedoeld in artikel 245 (oud) Sr. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.
Het juridische kader
Uit de wetsgeschiedenis van artikel 245 (oud) Sr blijkt dat deze bepaling strekt tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht moeten worden niet of onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien.
Volgens vaste jurisprudentie kan bij seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtige karakter onder omstandigheden ontbreken. Als relevante omstandigheden in dat verband kunnen gelden de vaststelling dat die handelingen vrijwillig hebben plaatsgevonden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen evenals het bestaan van een affectieve relatie tussen beiden. Normale consensuele seksuele contacten tussen jongeren zijn niet als ontuchtig aan te merken en vallen derhalve buiten de strafwetgeving. De maatstaf die de wetgever hierbij voor ogen heeft gehad is of de desbetreffende seksuele handeling algemeen als sociaal-ethisch is aanvaard.
Bij het oordeel over het al dan niet ontuchtige karakter van seksuele handelingen komt het in belangrijke mate neer op de weging en waardering van de omstandigheden van het geval.
De feiten
Op grond van de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting van 13 april 2026 stelt de rechtbank het volgende vast.
Het leeftijdsverschil tussen aangeefster (geboortedatum [2005] ) en verdachte (geboortedatum [2000] ) is bijna vijf jaar. Zij zijn online met elkaar in contact gekomen toen aangeefster dertien jaar oud en verdachte zeventien jaar oud was. Verdachte wist dat aangeefster toen dertien jaar was. In die periode zat aangeefster op de middelbare school en woonde ze bij haar ouders. Ook verdachte zat op school. Hij woonde bij zijn moeder.
Aanvankelijk vond het contact tussen aangeefster en verdachte vooral online plaats. Zij hebben een aantal maanden met elkaar geappt en elkaar gesproken. Vervolgens hebben zij elkaar ontmoet en hebben zij een relatie gekregen. Aangeefster en verdachte hebben ongeveer 4 jaar een relatie gehad. In het begin van deze relatie heeft verdachte de ouders van aangeefster ontmoet. Verdachte heeft verklaard dat hij de toestemming van de ouders van aangeefster wilde krijgen om een relatie met aangeefster aan te gaan. Die toestemming heeft verdachte gekregen. Met instemming van haar ouders bezocht aangeefster verdachte met enige regelmaat. De moeder van aangeefster bracht haar wel eens naar de woning van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat zij dan samen dingen deden, zoals uit eten gaan. Ook zijn aangeefster en verdachte met toestemming van de moeder van verdachte en de ouders van aangeefster samen op vakantie geweest. De moeder van verdachte en de moeder van aangeefster hebben elkaar ontmoet.
De rechtbank ziet de relatie tussen verdachte en aangeefster gelet op het voorgaande als een affectieve relatie.
Aangeefster en verdachte hebben vaginale en orale seks met elkaar gehad. Dat heeft verdachte erkend. Volgens verdachte hebben zij voor de eerste seks gehad toen aangeefster vijftien jaar was. Zij hadden op dat moment ongeveer twee jaar een relatie. Volgens verdachte zijn de seksuele handelingen altijd vrijwillig geweest. Hij heeft aangeefster nooit gedwongen.
Aangeefster heeft echter verklaard dat voor het eerst gemeenschap heeft plaatsgevonden toen zij dertien jaar oud was en verdachte achttien jaar. Aangeefster heeft ook verklaard dat de gemeenschap tussen verdachte en haar steeds onder dwang van verdachte heeft plaatsgevonden. Verdachte zou aangeefster telkens hebben geforceerd en pijn hebben gedaan.
Deze verklaring van aangeefster wordt niet door bewijsmiddelen ondersteund. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.
Aangeefster heeft verklaard dat zij aan haar huidige vriend, getuige [getuige 1] , als eerst heeft verteld wat haar zou zijn overkomen. [getuige 1] heeft verklaard dat de dwang eruit bestond dat de leeftijd niet klopte. De rechtbank stelt vast dat hij hier niet meer over heeft verklaard. [getuige 1] heeft niet verklaard over de eerste keer dat verdachte en aangeefster seks hebben gehad.
In het dossier bevindt zich verder de verklaring van de moeder van aangeefster, getuige [getuige 2] . Zij heeft verklaard dat aangeefster en verdachte verkering hadden. Op het moment dat aangeefster de beslissing had genomen om aangifte te doen tegen verdachte heeft zij aan haar moeder iets verteld over een strafbaar feit dat door verdachte zou zijn gepleegd. Aangeefster heeft toen gezegd dat verdachte haar meerdere malen heeft verkracht en dat hij deed wat zij niet wilde. Daarvoor heeft aangeefster niets aan haar moeder verteld. Haar moeder heeft verklaard dat zij nooit iets heeft gemerkt aan aangeefster.
De rechtbank stelt vast dat [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard over wat aangeefster aan hen heeft verteld. Hun verklaringen zijn dus te herleiden tot één bron, namelijk aangeefster. Het valt de rechtbank op dat [getuige 1] ten aanzien van de dwang niet in lijn heeft verklaard met wat aangeefster heeft verklaard. Daarnaast valt het de rechtbank op dat [getuige 2] nooit iets aan aangeefster heeft gemerkt. De rechtbank ziet daarom geen steunbewijs in de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] .
Ook verder heeft de rechtbank geen steun voor de verklaring van aangeefster in het dossier aangetroffen.
Dat betekent dat de rechtbank niet kan vaststellen dat verdachte aangeefster op enig moment heeft gedwongen om seks met hem te hebben. De rechtbank volgt daarom de verklaring van verdachte dat sprake was vrijwilligheid. Omdat er ook geen steunbewijs is voor de verklaring van aangeefster dat zij dertien jaar was toen er voor de eerste keer gemeenschap plaatsvond, gaat de rechtbank ervan uit dat de eerste gemeenschap plaatsvond toen aangeefster vijftien jaar en verdachte negentien of twintig jaar was.
Ondanks dit leeftijdsverschil, was naar het oordeel van de rechtbank sprake van een gelijkwaardige relatie. Hiervoor heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte en aangeefster een affectieve relatie hadden, dat zowel aangeefster als verdachte op dat moment nog naar school gingen en thuis bij hun ouders woonden. De levensfases waarin zij zich bevonden liepen dus niet wezenlijk uiteen. De rechtbank heeft ook vastgesteld dat de eerste seksuele handelingen tussen verdachte en aangeefster plaatsvonden toen verdachte en aangeefster al ongeveer twee jaar een relatie hadden. Ten slotte merkt de rechtbank op dat zij niet kan vaststellen de seksuele handelingen tegen de wil van aangeefster hebben plaatsgevonden.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat onder deze omstandigheden niet kan worden gezegd dat de seksuele handelingen tussen verdachte en aangeefster in strijd zijn geweest met de sociaal-ethische norm. De rechtbank is daarom van oordeel dat het ontuchtig karakter aan de seksuele handelingen ontbreekt. De ten laste gelegde seksuele handelingen zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aan te merken als ontuchtige handelingen in de zin van artikel 245 (oud) Sr.
De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte zal worden vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft.
De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Spreekt verdachte van het tenlastegelegde feit vrij.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Flikkenschild, voorzitter,
mr. R.J. Heuft en mr. S.V. Vullings, leden,
in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,
en is uitgesproken op 24 april 2026.