ECLI:NL:RBOBR:2026:2617

ECLI:NL:RBOBR:2026:2617

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 24-04-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer 01/005015-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Verdachte heeft ontploffing veroorzaakt bij de voordeur van het slachtoffer. De ontploffing heeft veel materiële schade veroorzaakt. Daarnaast is 18 gram cocaïne in zijn bezit aangetroffen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijk gevangenisstraf van achttien maanden met aftrek van voorarrest. De vorderingen van de benadeelde partijen worden geheel toegewezen onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team Strafrecht

Parketnummer: 01.005015.26

Datum uitspraak: 24 april 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1981] ,

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats,

postadres: [adres 1]

thans gedetineerd in [verblijfplaats] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 april 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 maart 2026. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 26 december 2025 te Helmond opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een explosief tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten een woning, gelegen aan [adres 2] te duchten was;

2. hij op of omstreeks 12 januari 2026 te Eindhoven opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 18 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van de tenlastegelegde feiten.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht beide tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de verdediging vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde feit bepleit. Kort gezegd vindt de verdediging dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat voldoende bewijs ontbreekt. Het dossier bevat slechts aanwijzingen voor betrokkenheid van verdachte. Dat is onvoldoende.

Voor het bewijs van het onder 2 tenlastegelegde feit heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen.

Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Nadere overwegingen van de rechtbank t.a.v. het onder 1 tenlastegelegde feit.

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 26 september 2025 omstreeks 01.45 uur is een explosief ontploft bij de woning van [slachtoffer 1] , gelegen aan [adres 2] te Helmond.

Aan de hand van camerabeelden en de ambtshalve kennis van politiefunctionarissen is vastgesteld dat het voertuig waarmee de dader van deze aanslag zich heeft verplaatst, een Mercedes A 180 betreft, waarvan het kenteken bestaat uit de combinatie van twee letters [ [kenteken] ], drie cijfers en één letter. Bij de politie is ambtshalve bekend dat verdachte in een Mercedes A 180 met het kenteken [kenteken] rijdt en dat verdachte in het verleden een conflict met [slachtoffer 1] heeft gehad. Gebaseerd op deze kennis heeft de politie het onderzoek voortgezet.

Bij zijn verhoor door de politie heeft verdachte verklaard dat hij in december 2025 in het bezit was van een Mercedes A 180 met het kenteken [kenteken] en dat hij zijn auto aan niemand uitleent. Van de bewijsmiddelen maakt ook een tijdlijn deel uit, vastgesteld aan de hand van beelden gemaakt met beveiligingscamera’s van woningen gelegen aan de [adres 1] in Deurne. Uit die camerabeelden blijkt dat het voertuig van verdachte op 26 december 2025 om 01:36 uur vanaf de oprit van zijn toenmalige verblijfadres, [adres 1] in Deurne, vertrekt en daar om 01:55:32 uur, ongeveer 20 minuten later, weer terugkeert.

Uit camerabeelden gemaakt met beveiligingscamera’s van woningen gelegen aan de [adres 2] en de Maaslaan in Helmond, blijkt dat een Mercedes A 180, waarvan het kenteken begint met [kenteken] , om 01:44:01 uur wordt geparkeerd ter hoogte van de [adres 2] [huisnummer] te Helmond. De bestuurder van dit voertuig stapt uit en loopt in de richting van de woning aan de [adres 3] . Om 01:47:26 uur is een lichtflits waarneembaar, gevolgd door een harde explosie. [slachtoffer 2] is op dat moment in de woning gelegen aan [adres 2] te Helmond aanwezig. Hij hoort omstreeks een 01:45 uur een harde klap die het hele huis doet trillen. Als hij polshoogte gaat nemen constateert [slachtoffer 2] dat er veel schade aan en bij de voordeur van de woning is. Op de camerabeelden is te zien dat om 01:47:30 uur een persoon gehaast naar het hiervoor genoemde geparkeerde voertuig loopt, in dat voertuig stapt en wegrijdt.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt voorts dat de afstand vanaf het woonadres van verdachte in Deurne naar de woning van [slachtoffer 1] in Helmond waar de explosie heeft plaatsgevonden, ongeveer 8,4 kilometer bedraagt.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte op 26 december 2025 om 01:36:00 uur als bestuurder van zijn voertuig, een Mercedes A 180, voorzien van het kenteken [kenteken] , vanaf de oprit van zijn woning gelegen aan de [adres 1] te Deurne is vertrokken, dat verdachte zijn auto in de buurt van de woning van [slachtoffer 1] in Helmond heeft geparkeerd, dat hij daar ongeveer drie minuten uit zijn auto is geweest en dat in die periode de explosie bij de woning van [slachtoffer 1] heeft plaatsgevonden. Vervolgens is verdachte om 01:55:32 uur weer teruggekeerd bij zijn woning aan de [adres 1]

Naar het oordeel van de rechtbank is het alleszins aannemelijk dat het voor verdachte mogelijk is geweest om op 26 december 2025 tussen 01:36:00 uur en 01:55:32 uur van Deurne naar Helmond te rijden, daar in het hiervoor genoemde tijdsbestek van drie minuten van zijn auto naar de woning van [slachtoffer 1] te lopen, een explosief tot ontbranding te brengen, naar zijn auto terug te lopen en vervolgens om 01:55:32 uur bij zijn woning in Deurne terug te keren.

Naast de hiervoor genoemde tijdslijn, overweegt de rechtbank dat op de telefoon van verdachte screenshots zijn aangetroffen van foto’s van de schade aan de voordeur van [adres 2] in Helmond. Deze screenshots zijn gemaakt in de ochtend van 26 december 2025. Ook heeft de ex-partner van verdachte op 26 december 2025 via WhatsApp een screenshot van een nieuwsartikel over 2 explosies in die nacht (waaronder de explosie op de [adres 2] ) naar verdachte gestuurd, waarop verdachte heeft gereageerd met “Denk na. Ik spreek jou thuis en niet ap”.

De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden wijzen zodanig op de betrokkenheid van verdachte bij het delict, dat van hem een redelijke verklaring mag worden verlangd om die te weerleggen. Verdachte heeft dit nagelaten door zich zowel bij zijn verhoor door de politie als bij de behandeling van deze zaak ter terechtzitting van 13 april 2026 (grotendeels) op zijn zwijgrecht te beroepen. Dat betrekt de rechtbank in het nadeel van verdachte bij haar selectie en waardering van het voorhanden zijnde bewijsmateriaal.

Conclusie.

Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het onder 1 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank ook het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Dit zal hierna onder “De bewezenverklaring” nader worden omschreven.

De bewezenverklaring.

De rechtbank komt tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1. op 26 december 2025 te Helmond opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een explosief tot ontploffing te brengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor een goed, te weten een woning gelegen aan [adres 2] , te duchten was;

2. op 12 januari 2026 te Eindhoven opzettelijk opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 18 gram van een materiaal bevattende cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde feit vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit heeft de verdediging bepleit te volstaan met een taakstraf van 30 uren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Ernst van de feiten.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing bij de voordeur van een woning en het voorhanden hebben van 18 gram cocaïne, waarbij het zwaartepunt in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank ligt op het teweegbrengen van de ontploffing.

De ontploffing vond plaats in de nachtelijke uren en had flinke materiële schade tot gevolg. Ten tijde van de ontploffing was [slachtoffer 2] aanwezig in de woning. Dat hij heel erg is geschrokken en zich lange tijd onveilig heeft gevoeld in zijn eigen woning, zoals uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring blijkt, acht de rechtbank zeer begrijpelijk. Dit soort explosies zorgt niet alleen bij de aanwezigen in die woning en de overige bewoners in de straat en de betreffende woonwijk, maar ook ver daarbuiten voor grote gevoelens van onveiligheid. Verdachte heeft hier door zijn handelen aan bijgedragen.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank heeft in de justitiële documentatie van verdachte gezien dat verdachte in een proeftijd loopt van een eerdere veroordeling voor onder andere wapenbezit en handelen in strijd met het Vuurwerkbesluit.

De op te leggen straf.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Alles afwegende acht de rechtbank uit een oogpunt van vergelding en ter bescherming van de maatschappij en in verband met een juiste normhandhaving, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf. De rechtbank is van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 24.664,96 aan materiële schade, te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering bestaat uit diverse posten voor herstel van de woning na de explosie.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat de vordering kan worden toegewezen. Voor wat betreft de hoogte van het toe te wijzen bedrag, refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering in verband met de bepleite vrijspraak.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering voor zover die strekt tot vergoeding van de herstelkosten van de vloer. De rechtbank is van oordeel dat niet duidelijk is geworden waaruit deze schade precies bestaat en dat daarmee ook niet aannemelijk is geworden dat deze schade rechtstreeks door het onder 1 bewezenverklaarde feit is veroorzaakt.

De rechtbank acht de overige onderdelen van de gevorderde schadevergoeding toewijsbaar als rechtstreeks door het onder 1 bewezenverklaarde feit toegebrachte schade tot een bedrag van

€ 19.469,86. Deze schade bestaat uit stucwerkzaamden [€ 2.125,50], vervangen van de meterkastombouw en kapstok [€ 2.026,75], vervangen binnendeur [€ 1.391,50], renovatie kunststof puien met beglazing € 12.341,01], texen van gang en trappengat [€ 556,60] en verwijderen van afdak voordeur en plaatsen van nieuwe [€ 1.028,50].

Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op € 907,50. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 december 2025 tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Door de benadeelde partij wordt een immateriële schadevergoeding gevorderd van € 5.000,--.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat de vordering kan worden toegewezen. Voor wat betreft de hoogte van het toe te wijzen bedrag, refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering in verband met de bepleite vrijspraak.

Het oordeel van de rechtbank.

De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek onder andere recht op vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade indien zij op andere wijze in de persoon is aangetast. Van een dergelijke aantasting in de persoon is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit volgt dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan die naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze sprake is. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending maken dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Er is niet onderbouwd dat sprake is van geestelijk letsel. Wel is gesteld dat het incident enorme angst teweeg heeft gebracht bij de benadeelde partij. Hij heeft de situatie als zeer bedreigend en beangstigend ervaren. Gedurende een lange periode heeft hij, vanwege de impact van het incident, niet meer bij zijn vader geslapen, maar alleen bij zijn moeder. Daarnaast heeft hij last van slaapproblemen en een continu gevoel van onrust. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een feit op grond waarvan een aantasting in de persoon, gelet op de aard en de ernst van de normschending, ondanks het ontbreken van onderbouwing kan worden aangenomen. Daarmee is voldoende gebleken dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.

Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding neemt de rechtbank categorie 19.3 onder (b) van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Deze categorie ziet op een ontploffing in of vlakbij de woning van de benadeelde waar de benadeelde op dat moment aanwezig was. De categorie heeft een bandbreedte van € 1.000,- tot € 5.000,-. De rechtbank houdt rekening met de aard en ernst van het feit, de leeftijd van de benadeelde partij en het feit dat hij daarna enige tijd niet meer in dit huis durfde te wonen. Alles overwegende begroot de rechtbank de omvang van de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 5.000,--.

De rechtbank acht de vordering dan ook in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 december 2026 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

36f, 57, 60a en 157 van het Wetboek van Strafrecht en

2 en 10 van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

1. opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

2. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

ten aanzien van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten.

 een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis inverzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt op de volgende maatregelen.

 maatregel van schadevergoeding aan [slachtoffer 1] [feit 1]

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] van een bedrag van € 19.469,86 en bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 122 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het toegewezen bedrag, bestaande uit materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

 maatregel van schadevergoeding aan [slachtoffer 2] [feit 1]

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] van een bedrag van € 5.000,-- en bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 50 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het toegewezen bedrag, bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] [feit 1]:

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] van een bedrag van

€ 19.469,86, bestaande uit materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op € 907,50 en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] [feit 1]:

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 5.000,-- bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J. Heuft, voorzitter,

mr. N. Flikkenschild en mr. S.V. Vullings, leden,

in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,

en is uitgesproken op 24 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. R.J. Heuft
  • mr. N. Flikkenschild
  • mr. S.V. Vullings

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?