RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 01.183611.24
Datum uitspraak: 24 april 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2005] ,
wonende te: het adres zoals vermeld in het reclasseringsrapport van 4 maart 2026.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 april 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 maart 2026. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. hij op of omstreeks 3 juni 2024, te Oss, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal met een stanleymes in de hals/nek, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 3 juni 2024, te Oss, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal met een stanleymes in de hals/nek, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. hij op of omstreeks 3 juni 2024, te Oss, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal met een stanleymes in/op de arm, althans het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie vindt het onder 1 primair tenlastegelegde feit, poging tot doodslag en het onder 2 tenlastegelegde feit, poging tot zware mishandeling, wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft - op de gronden zoals verwoord in de pleitaantekeningen – integrale vrijspraak bepleit omdat er geen opzet is geweest op het doden of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen.
De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in dit vonnis. Na de uitwerking en opgave van de bewijsmiddelen zal de rechtbank nog enkele overwegingen wijden aan het bewijs.
1. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 13 april 2026, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
Op 3 juni 2024 rond 12.30 uur was er een ruzie tussen een vriend van mij genaamd [naam] en een groep van vijftien jongens. [slachtoffer 2] had mij gevraagd de ruzie uit te praten. Dat lukte niet en de groep heeft zich daarna tegen mij gekeerd waarna de ruzie van [naam] mijn ruzie is geworden. Toen is besloten dat wij om 16.00 uur weer bij elkaar zouden komen om te vechten. Vervolgens ben ik naar mijn werk bij een dakdekkersbedrijf gegaan. Tijdens mijn werkzaamheden werd ik opgebeld dat ik naar de [adres 1] moest komen. Daarop heb ik contact met anderen opgenomen omdat ik wist dat de kans groot was dat er om 16.00 uur gevochten zou worden. Toen ik werd gebeld, wist ik dat ik om 16.00 uur met een grote groep geconfronteerd zou worden. Mij is toen ook gezegd dat ik naar [naam school 1] moest komen.
Om 16.00 uur ben ik naar het schoolplein van [naam school 1] in Oss gegaan. Ik wist dat ik het stanleymes dat ik tijdens mijn werkzaamheden had gebruikt, nog bij me had. Het was niet mijn bedoeling dat mes te gebruiken, maar ik heb dat meegenomen om mij te kunnen verdedigen als de situatie uit de hand zou lopen. Hoewel ik wist dat de kans groot was dat er om 16.00 uur gevochten zou worden, ben ik toch naar het schoolplein van [naam school 1] gegaan. Daar werd ik omringd door meerdere personen en vervolgens kreeg ik een klap op mijn hoofd.
2) het proces-verbaal van verhoor verdachte toetsing rechtmatigheid inverzekeringstelling van 6 juni 2024, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
U vraagt mij wat er is gebeurd. Ik moest gaan werken. Ik heb een baan aangeboden gekregen als dakdekker. Daar ben ik naar toe gegaan. Ik ben even mijn gereedschap op gaan halen en ik ben aan het werk gegaan. Vanuit het werk ben ik gelijk doorgegaan omdat ze mij gingen bellen dat ik moest komen. Toen ben ik gelijk naar [naam school 1] gegaan, daar zouden wij 1 op 1 gaan vechten zeiden ze. U zegt mij dat iemand anders zegt dat ik juist anderen heb uitgenodigd voor een vechtpartij. Ik weet hoe het in Oss gaat, dat is nooit 1 op 1.
3) het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , proces-verbaalnummer PL2100-2024119110-23, opgemaakt en afgesloten 4 juni 2024, p.105-108, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
Op 3 juni 2024 ben ik betrokken geweest bij een steekincident. Twee vrienden zaten te vechten. Ik wilde ze uit elkaar halen en toen pakte hij een stanleymes. Een van hen heet [verdachte] . Hij had het mes. Hij was daarmee aan het zwaaien. Ik zag het mes pas toen ze mij wegduwde. Het incident heeft zich voorgedaan bij die basisschool, dat is Sint Jan bij de Appie. Op 3 juni 2024 rond 11.30 uur werd ik gebeld door een vriend die vertelde dat hij ruzie had. Daarna zegt hij dan kom rond een bepaalde tijd naar [naam school 1] . Ik ben gewond geraakt doordat hij zwaaide met het mes. Toen ik [verdachte] van die vriend haalde, begon hij te zwaaien en toen heeft hij mij geraakt. Ik heb veel pijn aan mijn verwondingen. Er zit ook een diepe snee bij mijn oor. De wond in mijn nek is gehecht en de wond in mijn oor is gelijmd.
4) het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , proces-verbaalnummer PL2100-2024119134-2, opgemaakt en afgesloten 3 juni 2024, p. 94, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
Op 3 juni 2024 omstreeks 16.00 uur kwam ik bij de [adres 2] in Oss aan. Ik zag dat daar een grote groep stond. Ik zag dat een jongen, genaamd [verdachte] , aan het vechten was. Ik zag dat [verdachte] een stanleymes trok. Ik stond nabij het gevecht. Ik keek enkel naar het gevecht. Ik zag dat [verdachte] rondzwaaide met het stanleymes. [verdachte] sneed mij met zijn stanleymes in mijn linker onderarm. Hierdoor voelde ik een hevige pijn aan mijn arm. Ik zag dat er heel veel bloed uit mijn onderarm liep.
5) het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], proces-verbaalnummer PL2100-2024119110-2, opgemaakt en afgesloten 3 juni 2024, p. 117, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
Op 3 juni 2024 omstreeks 16.35 uur stond ik op het schoolplein van [naam school 1] . Ik zag dat er een jongen aan kwam lopen richting de groep jeugd die er stond. Ik hoorde dat veel mensen daar zeiden dat deze jongen [verdachte] heet. Mensen lieten mij screenshots van snapchat gesprekken zien, waarop afspraken gemaakt werden met [verdachte] om te gaan vechten.
Ik zag dat [verdachte] met een jongen stond te praten. Ik zag dat zij op dat moment aan de rand van het park stonden van het Fratershof. Ik zag dat ze het park in wilden lopen. Ik zag dat [verdachte] met een stanleymes hevig aan het rondzwaaien was en dat er twee jongens gewond uit de groep liepen. Dit waren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Ik zag dat [slachtoffer 1] een snijwond in zijn nek had. Ik zag dat [slachtoffer 2] een snijwond had op zijn arm.
6) het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] opgemaakt en afgesloten 11 juni 2024, p. 142, voor zover inhoudende:
(…) ik zag alleen dat [verdachte] op zijn pols en elleboog bloed had Op zijn hoofd zat bloed. De groep ging het steegje in. [verdachte] kwam toen naar mij gelopen met het mes in zijn handen. Hij zei toen dat ik weg moest.
V: Hoe zag dat mes eruit?
A: Dat was een stanleymes met een haak aan de achterkant. Die wordt gebruik om dakleer te snijden. Ik heb niet gezien wat voor een kleur dat mes was.
V: Hoe ver was dat mes uitgestoken?
A: Toen hij op mij af liep ongeveer 4 centimeter.
De bewijsoverwegingen.
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Verdachte heeft op 3 juni 2024 ruzie gekregen met een aantal jongens bij [naam school 2] in Oss. Omstreeks 12:30 uur zijn afspraken gemaakt om later die dag, om 16:00 uur, te vechten op een andere locatie in Oss. Deze afspraken zijn in de loop van de middag bevestigd op sociale media. Verdachte was ervan op de hoogte dat tijdens deze afspraak om 16:00 uur een grote groep jongens op hem zou staan te wachten. Verdachte heeft bewust een stanleymes meegenomen naar de afspraak.
Vlak nadat verdachte was aangekomen op de afgesproken plek, heeft hij een klap tegen zijn hoofd gekregen. Verdachte heeft het stanleymes gepakt, het mes uitgeschoven en daarmee om zich heen gezwaaid naar de omstanders. Met het stanleymes, waarvan het mes ongeveer 4 centimeter was uitgeschoven, heeft verdachte [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) in zijn nek gesneden (feit 1) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) in zijn arm gesneden (feit 2).
Feit 1 – poging tot doodslag
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of het handelen van verdachte, het snijden met een stanleymes in de hals/nek van [slachtoffer 1] , moet worden aangemerkt als een poging tot doodslag.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] . Uit het dossier blijkt niet dat verdachte als doel had om [slachtoffer 1] te doden. Van vol opzet is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen sprake. De vraag is dan ook of verdachte wel voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 1] heeft gehad.
Van voorwaardelijk opzet is sprake indien verdachte bij zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 1] zou komen te overlijden. Of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bij de beantwoording van de vervolgvraag of de aanmerkelijke kans ook bewust is aanvaard, spelen de gedragingen van verdachte eveneens een rol.
De rechtbank is van oordeel dat de kans op de dood van [slachtoffer 1] naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk was. Het is een feit van algemene bekendheid dat de keel en de hals een kwetsbaar gebied vormen, waarin zich vitale delen van het lichaam bevinden, zoals de halsslagaders en de luchtpijp. Als verdachte deze vitale lichaamsdelen met het stanleymes had geraakt, dan had dat binnen korte tijd de dood tot gevolg kunnen hebben. De aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 1] was dan ook aanwezig.
Verdachte heeft met zijn handelen die aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 1] ook bewust aanvaard. Verdachte heeft in een dynamische en onoverzichtelijke situatie plotseling een mes getrokken en daarmee om zich heen gezwaaid, onder meer in de richting van de hals/nek van [slachtoffer 1] . Deze handeling moet naar haar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van [slachtoffer 1] dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] .
Feit 2 – poging tot zware mishandeling
Onder de omstandigheden die hiervoor zijn omschreven waarbij verdachte in een dynamische en onoverzichtelijke situatie rondzwaait met een uitgeschoven stanleymes in de richting van zijn omstanders, bestond niet alleen de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 1] , maar ook op zwaar lichamelijk letsel bij andere personen in aanwezige groep.
Verdachte heeft [slachtoffer 2] in zijn onderarm geraakt. [slachtoffer 2] heeft daaraan een diepe snijwond overgehouden. De aanmerkelijke kans was aanwezig dat verdachte bijvoorbeeld zenuw of spier in de arm van [slachtoffer 2] zou raken en dat er langdurig of blijvend letsel zou optreden. Door in de omschreven situatie rond te zwaaien met uitgeschoven stanleymes heeft verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] dan ook bewust aanvaard.
Conclusie.
Concluderend is de rechtbank op grond van de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, van oordeel dat de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag van [slachtoffer 1] en de onder 2 ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] kunnen worden bewezen.
De bewezenverklaring.
De rechtbank komt tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
1. op 3 juni 2024 te Oss, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met een stanleymes in de hals/nek van die [slachtoffer 1] heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. op 3 juni 2024 te Oss, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een stanleymes in de arm van die [slachtoffer 2] heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van verdachte.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft een beroep gedaan op noodweer, dan wel noodweerexces. Verdachte was alleen en werd aangevallen door meerdere personen uit een grote groep. Onttrekking aan de wederrechtelijke aanranding was niet mogelijk omdat hij was ingesloten. Verdachte heeft het stanleymes als afweermiddel gebruikt. Mocht de rechtbank oordelen dat de gekozen wijze van verdediging niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, dan is die overschrijding het gevolg van een hevige gemoedsbeweging waarin verdachte in de noodzakelijke verdediging te ver is gegaan. Verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte nadat hij het mes had getrokken een andere keuze had kunnen en moeten maken dan met het mes te zwaaien. Aan het vereiste van subsidiariteit is niet voldaan. Verdachte heeft bovendien zelf een vechtafspraak gemaakt waar hij bewapend met een mes naartoe is gegaan. Er is daarom ook sprake van eigen schuld (culpa in causa). Het beroep op noodweer en noodweerexces moet daarom worden afgewezen.
Het oordeel van de rechtbank.
Voor een geslaagd op beroep op noodweer ex artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) is vereist dat sprake is van een verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, welke verdediging noodzakelijk en proportioneel is.
Gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, kunnen aan een beroep op noodweer(exces) in de weg staan vanwege eigen schuld (culpa in casa). Dit is slechts het geval bij bijzondere omstandigheden. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie, of wanneer hij willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel of dat een verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel van een wapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende.
Bij de beoordeling van de vraag of in het onderhavige geval een geslaagd beroep op noodweer(exces) kan worden gedaan gaat de rechtbank uit van de feiten en omstandigheden zoals zij die hiervoor onder “De bewijsvraag” heeft vastgesteld.
Gelet op die vaststellingen is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een noodweersituatie waarin verdachte zich mocht verdedigen. Onder de gegeven omstandigheden, waarin verdachte alleen in een grote groep werd aangevallen, bestond naar het oordeel van de rechtbank voor de verdachte ook geen reële en redelijke mogelijkheid om te vluchten. Daarmee is ook aan het subsidiariteitsvereiste voldaan.
De rechtbank is echter van oordeel dat de gedragingen van verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding zijn voorafgegaan, in de weg staan aan het slagen van het beroep op noodweer(exces).
Verdachte heeft een afspraak gemaakt om later die middag te vechten. Het was verdachte bekend dat er in de middag een grote groep jongeren aanwezig zou zijn. Verdachte was door diverse vrienden en zijn vriendin gewaarschuwd om niet (alleen) te gaan. Verdachte is in de middag bezig geweest met het verzamelen van vrienden ter ondersteuning bij de confrontatie. Verdachte is na zijn werk naar de afspraak gegaan, wetende dat het in een vechtpartij zou uitlopen. Hij heeft voorafgaand aan de confrontatie nog enkele eigendommen afgegeven aan zijn broertje, maar heeft het stanleymes bewust meegenomen naar de confrontatie. Bij het opzoeken en aangaan van de confrontatie heeft verdachte er naar het oordeel van de rechtbank rekening mee gehouden dat hij het stanleymes zou trekken.
Deze gedragingen en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, staan naar het oordeel van de rechtbank een geslaagd beroep van verdachte op noodweer(exces) in de weg, zodat het verweer wordt verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zich willens en wetens in de situatie gebracht waarin het uiteindelijk tot een vechtpartij is gekomen waar hij het mes heeft getrokken, terwijl hij dat mes precies voor die situatie had meegenomen. Verdachte had op meerdere momenten die dag én vlak voor de vechtpartij andere keuzes kunnen en moeten maken.
Conclusie.
De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer(exces). De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor overwogen van oordeel er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Verdachte is strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
Door en namens verdachte is aangevoerd dat, mocht verdachte een straf worden opgelegd, hij bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zijn baan en daarmee zijn inkomen kan verliezen.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de bewezenverklaarde feiten.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en een poging tot zware mishandeling door zijn slachtoffers met een stanleymes te snijden in de nek respectievelijk in de onderarm. Dat [slachtoffer 1] niet is overleden en geen zwaarder letsel heeft opgelopen, is een groot geluk en niet aan verdachte te danken. Ook mag verdachte van geluk spreken dat hij ‘maar’ twee slachtoffers heeft gemaakt met zijn handelingen. De rechtbank vindt het uitermate kwalijk en zorgelijk dat verdachte een afspraak maakt voor een vechtpartij en vervolgens ook nog een mes heeft meegenomen en gebruikt. Hij heeft op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers, die de littekens van het voorval blijvend bij zich dragen. De slachtofferverklaringen geven daar ook blijk van.
Het geweld heeft zich afgepeeld op klaarlichte dag op straat. De afspraken voor de vechtpartij zijn gemaakt bij een middelbare school en van het incident waren meerdere (jonge) personen getuigen. Deze omstandigheden dragen bij aan de strafwaardigheid van de feiten. Dit soort geweldsfeiten hebben immers een grote impact op het gevoel van veiligheid in de maatschappij.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Verdachte is een jonge man die ten tijde van de bewezenverklaarde feiten geen vaste woon- of verblijfplaats had en in een tent sliep. Als gevolg van de steekpartij zou verdachte zijn bedreigd en niet langer in Oss kunnen komen.
Verdachte is niet eerder veroordeeld voor geweldsdelicten. Voor deze feiten heeft verdachte 60 dagen in voorlopige hechtenis gezeten.
Over verdachte is op 4 maart 2026 een reclasseringsrapport uitgebracht. De kans op algemene en geweldsrecidive wordt door de reclassering ingeschat als gemiddeld. Hoewel de reclassering interventies op gedragsverandering noodzakelijk vindt om recidive te beperken, wordt er weinig responsiviteit gezien bij verdachte. Hij zou zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis ook niet aan de voorwaarden en de opgelegde behandeling meegewerkt, waardoor geen diagnostiek is afgerond. Daarom adviseert de reclassering bij veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden.
De op te leggen straf.
De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming op zijn plaats. De rechtbank is van oordeel, dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf die vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur als hierna te melden. De rechtbank zal bepalen dat een deel van de op te leggen gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd als verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.
De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf passend is voor de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal verdachte dan ook overeenkomstig die eis veroordelen.
Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Op het onvoorwaardelijk gedeelte van deze gevangenisstraf zal de tijd die verdachte al in voorarrest heeft gezeten in mindering worden gebracht.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 5.000,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor wat betreft de hoogte van de toe te kennen vordering refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft verzocht om matiging van het gevorderde bedrag.
Beoordeling.
De hoogte van de gevorderde immateriële schade is deels gebaseerd op het lichamelijk letsel van de benadeelde partij. [slachtoffer 1] heeft aan het feit een litteken in zijn hals/nek overgehouden. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding neemt de rechtbank categorie 10 onder (c) van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Deze categorie ziet op littekenvorming op het lichaam. Bij [slachtoffer 1] is sprake van littekenvorming in de nek/hals. Dit betreft een lastig te verbergen locatie op het lichaam die door veel mensen zal worden gezien. De categorie heeft een bandbreedte van € 1.500,- tot € 5.500,--. De rechtbank houdt rekening met de aard en ernst van het feit, de leeftijd van de benadeelde partij en de aard en de omvang van het litteken. Ook de locatie van het litteken neemt de rechtbank mee in haar afweging. Alles overwegende begroot de rechtbank de omvang van de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 5.000,--.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2024 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .
De benadeelde partij vordert een bedrag van € 5.133,55 aan schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 5.000,-- aan immateriële schade en € 133,45 aan materiële schade voor een beschadigde trui en een verklaring van de polstherapeut.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor wat betreft de hoogte van de toe te kennen vordering refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw heeft verzocht om matiging van het gevorderde bedrag. Er is geen verweer gevoerd op de materiële schade.
Beoordeling.
De rechtbank acht de vordering van de benadeelde partij geheel toewijsbaar. De materiële schade is door de verdediging niet betwist en acht de rechtbank, gelet op de onderbouwing daarvan met stukken, aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde bedrag van € 133,45 toewijzen.
De hoogte van de gevorderde immateriële schade is deels gebaseerd op het lichamelijk letsel van de benadeelde partij. [slachtoffer 2] heeft aan het feit een groot litteken op zijn onderarm overgehouden. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding neemt de rechtbank categorie 10 onder (c) van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Bij [slachtoffer 2] is sprake is van een groot en duidelijk zichtbaar litteken. De categorie heeft een bandbreedte van € 1.500,- tot € 5.500,--. De rechtbank houdt rekening met de aard en ernst van het feit, de leeftijd van de benadeelde partij en de aard en de omvang van het litteken. Alles overwegende begroot de rechtbank de omvang van de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van
€ 5.000,--.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2024 tot de dag der algehele voldoening. Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c 36f, 45, 57, 60a, 63, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Verklaart de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregel:
Een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Ten aanzien van feit 1:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]:
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 5.000,- bestaande uit immateriële schadevergoeding. Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Maatregel van schadevergoeding aan [slachtoffer 1].
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] van een bedrag van € 5.000,- en bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 50 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Het toegewezen bedrag, bestaande uit immateriële schadevergoeding, wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Ten aanzien van feit 2:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]:
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 5.133,55, bestaande uit € 133,55 materiële schadevergoeding en € 5.000,- immateriële schadevergoeding. Het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Maatregel van schadevergoeding aan [slachtoffer 2] [feit 2].
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] van een bedrag van € 5.133,55 en bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 51 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Het toegewezen bedrag, bestaande uit € 133,55 materiële schadevergoeding en € 5.000,- immateriële schadevergoeding, wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.V. Vullings, voorzitter,
mr. N. Flikkenschild en mr. R.J. Heuft, leden,
in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,
en is uitgesproken op 24 april 2026.