ECLI:NL:RBOBR:2026:2638

ECLI:NL:RBOBR:2026:2638

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 24-04-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer 01/124561-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Overtreding van artikel 244 (oud) Sr (seksueel binnendringen van het lichaam van iemand beneden de leeftijd van 12 jaren). Veroordeling verdachte tot 360 dagen gevangenisstraf met aftrek waarvan 340 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van 3 jaren. Verzoek van de verdediging tot toepassing van het JSR afgewezen. Constatering overschrijding redelijke termijn met 2 weken. Vordering immateriële schadevergoeding van de benadeelde partij in zijn geheel toegewezen, aantal dagen gijzeling wordt gesteld op 0. In beslag genomen telefoon met foto’s van het slachtoffer wordt onttrokken aan het verkeer.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.124561.24

Datum uitspraak: 24 april 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [2005] ,

wonende te [adres]

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 mei 2025 en 13 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 mei 2025.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 10 april 2024 tot en met 11 april 2024 te Berghem, gemeente Oss, althans in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [2012] ,

die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten:

-het brengen en/of duwen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, vingers in en/of tegen de vagina en/of schaamlippen en/of clitoris van die [slachtoffer] en/of

-het brengen en/of duwen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] en/of

-het brengen en/of duwen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] .

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

Op 11 april 2024 komt een melding bij de politie binnen dat een onbekende 18-jarige jongen, zijnde verdachte, aanwezig is in de woning van de meldster in Berghem. De jongen zou in deze woning seks hebben gehad met de 11-jarige dochter van de meldster. Tegen de verdachte wordt aangifte gedaan.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het bewezen verklaarde feit met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het hierna bewezen verklaarde feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit.

De bewijsmiddelen:

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven opgesomde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

in de periode van 10 april 2024 tot en met 11 april 2024 te Berghem, gemeente Oss, met [slachtoffer] , geboren op [2012] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten:

- het brengen en/of duwen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, vingers in en/of tegen de vagina en/of schaamlippen en/of clitoris van die [slachtoffer] en

- het brengen en/of duwen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] en

- het brengen en/of duwen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 385 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 365 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast dienen aan de voorwaardelijk op te leggen straf de bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld, zoals door de reclassering zijn geadviseerd. De officier van justitie benoemt daarbij dat een maximale termijn voor opname in de zorginstelling moet worden bepaald, ten aanzien waarvan zij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank. Daarnaast dienen de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen, gelet op – in het bijzonder – de ontwikkelingsleeftijd van de verdachte en de omstandigheid dat een gevangenis of huis van bewaring een ongeschikte plek is voor een kwetsbare jongeman, zoals de verdachte. De detentie die de verdachte reeds onder het volwassen regime heeft ondergaan, is schadelijk voor hem geweest. De verdediging heeft aan de hand van het wegingskader adolescentenstrafrecht betoogd dat toepassing van het jeugdstrafrecht de meest passende afdoening is.

Daarnaast heeft de verdediging primair verzocht geen bijzondere voorwaarden aan een op te leggen voorwaardelijke straf te koppelen en subsidiair om de voorwaarden van opname in een zorginstelling en het verbod op verdovende middelen niet op te leggen.

Ten slotte verzoekt de verdediging de rechtbank een op te leggen straf te beperken tot een deels voorwaardelijke jeugddetentie, waarbij het onvoorwaardelijke gedeelte de reeds ondergane voorlopige hechtenis niet overstijgt. Ook dient rekening te worden gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van het feit.

De verdachte heeft zich – kort gezegd – schuldig gemaakt aan het hebben van seks met de 11-jarige [slachtoffer] . De verdachte heeft haar gevingerd, gecoïteerd en hij heeft zich laten pijpen door [slachtoffer] . De verdachte was destijds zelf 18 jaar oud.

De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van [slachtoffer] . Minderjarigen moeten kunnen opgroeien in een veilige omgeving en moeten zich veilig kunnen ontwikkelen, ook op seksueel gebied. Het (laten) verrichten van seksuele handelingen op 11-jarige leeftijd past daar niet bij. Daarom is het plegen van seksuele handelingen met een minderjarige onder de 12 jaar strafbaar gesteld, ook al zou dit met wederzijdse toestemming plaatsvinden. Minderjarigen van deze leeftijd bevinden zich immers in een gevoelige ontwikkelingsfase van hun leven en moeten gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht worden niet of in onvoldoende mate in staat te zijn hun seksuele integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien.

Uit de slachtofferverklaringen van de ouders van [slachtoffer] en van haarzelf en de toelichting op de vordering van de benadeelde partij blijkt dat een en ander verstrekkende gevolgen voor [slachtoffer] heeft gehad, die twee jaar na het plegen van de seksuele handelingen nog aan de orde zijn.

Bespreking verzoek toepassing van het jeugdstrafrecht.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of het jeugd- of het volwassenenstrafrecht dient te worden toegepast. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Verdachte was ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde feit 18 jaar oud. In beginsel wordt ten aanzien van een 18-jarige dader het volwassenenstrafrecht toegepast. Artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht voorziet echter in de mogelijkheid het jeugdstrafrecht toe te passen indien de rechter daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan. In dat verband overweegt de rechtbank het volgende.

Bij verdachte is sprake van complexe psychiatrische problematiek in combinatie met middelengebruik. De reclassering adviseert toepassing van het volwassenenstrafrecht, omdat interventies vanuit het volwassenenstrafrecht beter aansluiten bij de (psychiatrische) problematiek van de verdachte. Vast staat voorts dat een pedagogische insteek – zoals die gehanteerd wordt in het jeugdsanctierecht – in het geval van verdachte niet aan de orde is. Gelet op dit alles ziet de rechtbank, ondanks de lage ontwikkelingsleeftijd van verdachte, onvoldoende aanleiding om over te gaan tot toepassing van het adolescentenstrafrecht.

Wel zal de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening houden met de ontwikkelingsleeftijd van de verdachte.

De persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Kijkend naar de persoon van verdachte, heeft de rechtbank acht geslagen op de Justitiële Documentatie betreffende verdachte, waaruit blijkt dat hij voor het bewezenverklaarde feit niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

De rechtbank houdt in positieve zin rekening met de omstandigheid dat de verdachte zijn volledige medewerking aan het politieonderzoek heeft verleend. De verdachte heeft vanaf het begin openheid van zaken gegeven.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de betreffende de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapportage.

Hieruit volgt – kort gezegd – dat bij de verdachte sprake is van complexe psychiatrische problematiek in de vorm van een autismespectrumstoornis, een psychotische stoornis, PTSS, ADHD, zwakbegaafdheid en een stoornis op het gebied van middelengebruik. Deze combinatie maakt dat de verdachte moeilijk te begeleiden is. Er is sprake van een hoog recidiverisico. Het middelengebruik lijkt een luxerend effect te hebben op de psychiatrische klachten van de verdachte. Ook is gebleken dat sinds het plegen van het onderhavige strafbare feit zich meerdere incidenten hebben voorgedaan en dat de verdachte enige tijd klinisch is opgenomen wegens psychiatrische decompensatie. Daarnaast bestaan er risico’s op het gebied van seksualiteit, hetgeen eveneens lijkt voort te komen uit zijn psychiatrisch toestandsbeeld. Om alle risico’s te kunnen verlagen is een passende en intensieve behandeling – mogelijk in combinatie met medicatie – noodzakelijk. Verblijf van de verdachte in een instelling die gespecialiseerd is in deze problematiek met expertise in het forensische kader is eveneens noodzakelijk. De verdachte zal langdurig en intensieve zorg nodig hebben, waarbij hij duidelijke regels en kaders behoeft. Dit is essentieel om de veiligheid van anderen én de verdachte zelf te kunnen waarborgen. Langdurige klinische opname biedt de benodigde rust en ruimte voor verdiepende diagnostiek dat door de NIFP-deskundigen in november 2025 eveneens is geadviseerd. Risicobeheersing in een ambulant kader is niet uitvoerbaar gebleken.

Overschrijding van de redelijke termijn en de op te leggen straf.

De rechtbank is gebleken dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is overschreden. Op 12 april 2024 is door de moeder van [slachtoffer] aangifte gedaan. De verdachte is de volgende dag gehoord. De rechtbank beschouwt dit verhoor als een handeling, waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld, zodat de redelijke termijn op 13 april 2024 is aangevangen. De behandeling van deze zaak is niet binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn afgerond met een eindvonnis, terwijl de rechtbank geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die deze overschrijding rechtvaardigt. De redelijke termijn is ten tijde van het eindvonnis met twee weken overschreden. Gelet op deze geringe overschrijding, volstaat de rechtbank met de enkele constatering daarvan en zal daaraan geen consequenties verbinden.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De jurisprudentie dient als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank zal deze straf voor een gedeelte, te weten voor de duur van 340 dagen, voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank is van oordeel dat een grote stok achter de deur nodig is om de verdachte te kunnen weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten.

Aan deze voorwaardelijke straf zullen eveneens na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. De rechtbank is – met de reclassering – van oordeel dat een strak kader en intensieve begeleiding voor de verdachte nodig is om het recidivegevaar te kunnen terugdringen. Ook het opleggen van de voorwaarden van opname in een zorginstelling en het verbod op verdovende middelen is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op hetgeen de reclassering daarover heeft gerapporteerd, noodzakelijk. De rechtbank acht opname in een zorgstelling noodzakelijk nu het enkel onder controle houden van middelengebruik, zoals de verdediging voorstaat, onvoldoende is om het recidivegevaar te beperken en de noodzakelijke behandeling en begeleiding van de verdachte bemoeilijkt.

Een lange proeftijd, te weten voor de duur van 3 jaren, acht de rechtbank eveneens passend en geboden.

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat er gelet op hetgeen de reclassering heeft gesteld over het recidiverisico alsmede het in dat rapport vermelde incident betreffende de geseponeerde aanranding van een jong meisje ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom bevelen dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De benadeelde partij vordert een bedrag van 5.000,-- euro aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard bij gebrek aan voldoende onderbouwing. Subsidiair heeft de verdediging betoogd het toe te kennen bedrag te matigen tot 2.500,-- euro.

Beoordeling.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 6:95 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat schade die bestaat in ander nadeel dan vermogensschade, zoals immateriële schade, slechts kan worden vergoed voor zover de wet op vergoeding daarvan recht geeft. Artikel 6:106 BW geeft hiervoor een nadere regeling. Het eerste lid bepaalt dat de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat onder meer recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. Daarvan is onder meer sprake indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen ook zonder dat concrete gegevens zijn aangevoerd, waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan.

De rechtbank komt – gelet op de aard en ernst van het bewezen verklaarde, de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend en de bedragen die worden genoemd in de Rotterdamse Schaal – het gevorderde bedrag billijk voor en zal de vordering dan ook geheel toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2024 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Ten slotte merkt de rechtbank op dat uit het reclasseringsadvies volgt dat er gerede twijfel bestaat over het vermogen van de verdachte om binnen het reguliere arbeidsproces te functioneren en daarmee een inkomen te verwerven, terwijl daarnaast is komen vast te staan dat verdachte een zeer kwetsbare jongeman met ernstige psychiatrische problematiek is. Dit maakt dat de rechtbank het onwenselijk acht dat de verdachte zal worden gegijzeld bij het niet voldoen van de vordering. De rechtbank bepaalt dan ook dat het aantal dagen gijzeling bij het niet voldoen van de vordering wordt gesteld op 0 dagen.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Beslag.

Op de telefoon van verdachte is beslag gelegd. De officier van justitie heeft verzocht de telefoon van de verdachte te onttrekken aan het verkeer, gelet op de daarop aanwezige foto’s van het slachtoffer.

De verdediging heeft ter terechtzitting verzocht de fotografische bestanden van het slachtoffer te verwijderen van de telefoon en de telefoon aan de verdachte te retourneren.

Aangezien de telefoon van de verdachte fotografische bestanden bevat waarop het destijds 11-jarige slachtoffer met ontbloot bovenlijf te zien is, dient de telefoon te worden onttrokken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Aan het verzoek van de raadsman zal niet kunnen worden voldaan, nu het beslag rust op de gegevensdrager en niet – zoals de raadsman lijkt te impliceren – op de afzonderlijke bestanden (vgl. HR 4 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:244). Hoewel aan een verzoek tot verstrekking van één of meer bestanden die zich op een voor onttrekking aan het verkeer vatbare gegevensdrager bevinden onder omstandigheden kan worden voldaan, wordt in deze zaak door de raadsman de teruggave van de gegevensdrager zelf verzocht. Naar het oordeel van de rechtbank voorziet wet noch jurisprudentie daarin (vgl. HR 2 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1716, r.o. 3.5.4-3.5.6).

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 36b, 36f, 63, 244 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Bewezenverklaring: verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Kwalificatie en strafbaarheid:

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Oplegging van straf en maatregel:

Legt op de volgende straf en maatregel.

een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 340 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

En stelt als bijzondere voorwaarden:

1) dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;

2) dat de veroordeelde laat zich opnemen in een nog nader te bepalen zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt maximaal één jaar of zo veel korter als de reclassering geraden acht. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van dan wel het zich laten toedienen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

3) dat de veroordeelde zich, aansluitend op de klinische opname, laat behandelen door het FACT Youz, FACT Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.

Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;

4) dat de veroordeelde, aansluitend op de klinische opname, verblijft in de begeleide woonvorm Antes Heemraadsingel of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

5) dat de veroordeelde gedurende de proeftijd geen verdovende middelen gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. De reclassering kan urineonderzoek gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd;

6) dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [slachtoffer] , geboren op [2012] te Nijmegen, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt; en

7) dat de veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder 1 tot en met 7 en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen; en

- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, beveelt de rechter, gelet op artikel 14e Wetboek van Strafrecht dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Benadeelde partij:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 5.000,00 euro.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 0 dagen.

Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding.

De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 5.000,00 euro, bestaande uit immateriële schadevergoeding.

De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Beslag:

Onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen goed, te weten 1 stk gsm (omschrijving: PL2100-2024077274-2193758, grijs, merk: Apple Iphone 6 N61ap).

Voorlopige hechtenis:

Heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. De voorlopige hechtenis is reeds op 30 april 2024 geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.M. Hettinga, voorzitter,

mr. S.A.E.M. Rampaart en mr. S. van den Akker, leden,

in tegenwoordigheid van mr. F.H.R.M. Robbers, griffier,

en is uitgesproken op 24 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.M. Hettinga
  • mr. S.A.E.M. Rampaart
  • mr. S. van den Akker

Griffier

  • mr. F.H.R.M. Robbers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?