RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.199988.24
Datum uitspraak: 24 april 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1980] ,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 11 maart 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
hij, in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 1 september 2023, te Son en Breugel ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind [slachtoffer 1] , geboren op [2008] , door
- meermalen, althans eenmaal over de kleding de billen/anus/vagina van die [slachtoffer 1] met zijn hand(en) en/of vinger(s) te betasten en/of aan te raken en/of over die billen/anus/vagina te wrijven en/of in die billen te knijpen,
- meermalen, althans eenmaal zijn gezicht tussen, althans richting de billen/anus van die [slachtoffer 1] te bewegen/brengen en/of (vervolgens) aan die billen/anus te ruiken en/of
- zijn geslachtsdeel aan die [slachtoffer 1] te tonen;
T.a.v. feit 2:
hij, in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 1 september 2023, te Son en Breugel ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind [slachtoffer 2] , geboren op [2010] , door
- meermalen, althans eenmaal over de kleding de billen/anus van die [slachtoffer 2] met zijn hand(en) en/of vinger(s) te betasten en/of aan te raken en/of over die billen/anus te wrijven en/of in die billen te knijpen,
- meermalen, althans eenmaal de ontblote billen/anus van die [slachtoffer 2] met zijn hand(en) en/of vinger(s) te betasten en/of aan te raken en/of over die ontblote billen/anus te wrijven en/of in die ontblote billen te knijpen,
- meermalen, althans eenmaal zijn gezicht tussen, althans richting de billen/anus van die [slachtoffer 2] te bewegen/brengen en/of (vervolgens) aan die billen/anus te ruiken,
- in de nabijheid van die [slachtoffer 2] zijn penis te betasten en af te trekken en/of
- zijn geslachtsdeel aan die [slachtoffer 2] te tonen;
T.a.v. feit 3:
hij, op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 augustus 2023 tot en met 1 oktober 2023, te Son en Breugel, opzettelijk en wederrechtelijk van (een) personen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een afbeelding van seksuele aard, te weten afbeelding(en) en/of film(s), waarop te zien is dat die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] (heimelijk) zijn gefotografeerd en/of gefilmd, terwijl die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] geheel naakt onder de douche en/of in de badkamer staan heeft vervaardigd.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd de ten laste gelegde feiten 1 tot en met 3 wettig en overtuigend bewezen te verklaren.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van feit 1. Er zijn discrepanties tussen de diverse verklaringen van [slachtoffer 1] . Verder is er buiten de ‘de auditu’-verklaringen geen steunbewijs, hetgeen betekent dat uitgegaan dient te worden van de verklaringen van verdachte dat hij eenmalig kortstondig zijn hand op de billen van [slachtoffer 1] heeft gelegd tijdens een rollenspel zonder seksuele lading, hetgeen geen ontucht oplevert.
Voor feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, gelet op de bekennende verklaring van verdachte.
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat de afbeeldingen op de telefoon van verdachte onrechtmatig zijn opgespoord. Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim, waarbij bewijsuitsluiting de passende sanctie is. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van feit 3.
Het oordeel van de rechtbank.
Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1.
1. Een proces-verbaal van aangifte van [betrokkene] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 11 oktober 2023, dossierpagina’s 22-33 voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
V: Kun je kort aangeven van welk feit jij aangifte komt doen?
A: Omdat mijn meisjes en mijn ex hebben aangegeven dat er dingen gebeurd zijn op seksueel gebied die niet horen.
V: Om welke kinderen gaat het?
A: Om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
V: Hoe is bij jou bekend geworden wat er met [slachtoffer 1] gebeurd zou zijn?
A: Ik was met [slachtoffer 1] aan het fietsen. Ze had een dip en ik dacht dan is ze er even uit. [slachtoffer 1] vertelde ook dat ze niet met mannen alleen durfde te zijn. Toen het over grensoverschrijdend gedrag ging toen zei ze: ‘papa doet dat ook’ iets in die woorden. Ik vroeg wat moet je dan doen? waarop [slachtoffer 1] zei: Dat ze een sms kreeg van [verdachte] als ik aan het werk was. Dat er een verrassing was. Ze noemde dan dat ze opdrachtjes moest doen. Ik vroeg aan haar: wat waren die opdrachtjes dan? [slachtoffer 1] zei dan dat ze als een poes op bed moest zitten. Op handen en voeten. [verdachte] ging dan aan haar ruiken en haar aanraken. Hij streelde haar heupen. [slachtoffer 1] zei dat hij vooral rook aan haar billen. Dat is wat zij mij omschreef. [slachtoffer 1] had dan wel haar kleren aan.
2. Een proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] , opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 1] d.d. 8 november 2023, dossierpagina’s 71-93 voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
Mijn moeder werkt heel veel nachtdiensten en die komt in de ochtend dan pas terug. Ik was denk ik een jaar of 10/11 jaar oud. Ik was toen op mijn kamer. Het was laat in de avond, ik denk rond 23.00 uur. Mijn vader appte mij toen. Hij zei dat hij een verrassing voor mij beneden had. Toen ik beneden kwam heb ik mijn telefoon aan de oplader gelegd omdat die bijna leeg was. Papa heeft toen de berichten gewist die hij naar mij gestuurd haddie avond. Hij zei toen dat ik moest gaan zitten op de bank. Hij had het over of ik geld wilde. Ik zei dat ik dat wel wilde. Hij zei toen dat ik opdrachten moest doen. Ik zei oké dat kan ik wel doen. Ik wist toen nog niet wat voor opdrachtjes. We hadden daarna een heel lang gesprek over dat ik dat niet tegen iemand mocht vertellen over die opdrachten. Ik mocht het ook niet tegen mama vertellen. Papa zei nog wel dat het rare opdrachtjes waren.
Ik kreeg toen weer een opdracht van mijn vader. Ik wilde deze niet doen maar ik durfde geen nee te zeggen tegen mijn vader. Ik weet dat als ik nee zou zeggen ik het dan toch nog op een of andere manier zou moeten doen. We zaten toen in mijn kamer. Ik moest in de breedte op mijn bed gaan zitten. Ik moest op mijn knieën voorovergebogen gaan zitten. Eerder had mijn vader mij gevraagd of ik mijn zwarte legging aan wilde doen, dus die had ik aan. Mijn billen zaten aan de buitenkant van het bed. Mijn vader ging toen aan mijn billen en tussen mijn benen zitten. Ook rook hij daar allemaal aan. Mijn vader trok toen mijn legging naar beneden. Ik heb toen gezegd dat ik dat niet wilde en trok mijn legging weeromhoog.
3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 4] , [verbalisant 2] en [verbalisant 1] d.d. 20 december 2023, dossierpagina’s 140-159 voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
V: Wanneer is het aanraken van [slachtoffer 1] begonnen?A: Dat is één keer gebeurd.V: Zij verklaarde hierover; dat ze een jaar of 10 a 11 was. Klopt dat?A: Het is in het zelfde jaar geweest als bij [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] was tien, dus dan zal [slachtoffer 1] in november dat jaar twaalf geworden zijn, dus in de zomer toen het gebeurde was zij elf jaar oud.
A: Wat ik exact stuurde dat weet ik niet meer.V: Ze verklaarde dat jij vervolgens de berichten wiste, die jij haar net daarvoor gestuurd had. Reageer daar eens op?A: Ja. Ja, die heb ik gewist. De enige opdracht die ik haar heb gegeven was met dat bakje snoep.V: Ze verklaarde; We zaten toen in mijn kamer. Ik moest in de breedte op mijn bedgaan zitten. Ik moest op mijn knieën voorovergebogen gaan zitten.Reageer hier eens op?A: Ja. Dat is het voorval met dat bakje snoep voor haar waar ik al over verklaard heb.V: En hoezo moest ze op haar knieën voorovergebogen zitten?A: Omdat ze gewoon een poesje was.V: Ze verklaarde: Mijn vader ging toen aan mijn billen en tussen mijn benen zitten.Ook rook hij daar allemaal aan. Reageer daar eens op?A: Ik heb aan haar billen gezeten, dat is een heel kort moment geweest. Of ik aan haar billen geroken heb dat weet ik niet.V: Maar als zij dat zegt?A: Dan zou het kunnen. Het begon heel erg te lijken op het hetgeen ik bij [slachtoffer 2]gedaan heb. Ik aaide haar met mijn handen over haar billen, haar rug en misschien zo aan de buitenkant van haar benen. V: Ze verklaarde verder; Daarna voelde ik zijn neus tussen mijn billen en ik hoorde dat hij meerdere keren door zijn neus inademde. Reageer daar eens op?
A: Dat zal best. Dat zal met het snoepje moment zijn geweest.
V: Wat was de reden dat jij je neus tussen haar billen deed?A: Hetzelfde als ik bij [slachtoffer 2] gedaan heb. Dat vind ik lekker en raak ik opgewonden van.
4. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 april 2026 voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:
Ik heb het plan gehad om bij [slachtoffer 1] te doen wat ik ook met [slachtoffer 2] gedaan had. In mijn beleving heeft dit niet meer dan één minuut geduurd. Tijdens het handelen voelde het verkeerd. Ik heb het afgebroken. Ik had een seksuele intentie op het moment dat ik aan de billen van [slachtoffer 1] zat. Dit was in de zomer van het coronajaar 2020.
Vaststelling op grond van de bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1.
Op basis van de inhoud van de hierboven genoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd met zijn minderjarige dochter [slachtoffer 1] door haar billen te betasten, over haar billen te wrijven en tussen haar billen te ruiken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [slachtoffer 1] voor wat betreft de kern van het verwijt tegen verdachte consistent en uitvoerig verklaard zowel bij de politie als bij Veilig Thuis. Uit de verklaring van haar moeder kan worden afgeleid dat [slachtoffer 1] tegen haar moeder hetzelfde heeft verteld. De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer 1] over de verweten gedragingen authentiek en geloofwaardig en ziet geen reden om hieraan te twijfelen. De verklaring van [slachtoffer 1] wordt bovendien ondersteund door de verklaring van verdachte zelf. De verklaring van verdachte ter terechtzitting, inhoudende dat hij zich inmiddels herinnert dat hij enkel kortstondig aan de billen van [slachtoffer 1] heeft gezeten en dat er verder niets gebeurd is, acht de rechtbank niet geloofwaardig.
[slachtoffer 1] heeft ook verklaard over een tweede incident waarbij verdachte zijn geslachtsdeel heeft laten zien op het moment dat zij beneden kwam nadat verdachte haar had geappt om naar beneden te komen. Ook verdachte heeft hierover verklaard dat hij geen onderkleding aan had op het moment dat [slachtoffer 1] naar beneden kwam. Omdat dit verwijt ziet op een ander moment en omdat er op dat moment in beide lezingen van de feiten geen relevante interactie was tussen verdachte en [slachtoffer 1] levert dit geen ontucht op als bedoeld in artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte zal van dit ten laste gelegde gedachtestreepje worden vrijgesproken.
De rechtbank zal verdachte ook vrijspreken van het ten laste gelegde onderdeel ‘meermalen gepleegd’. Het dossier bevat onvoldoende andere bewijsmiddelen, afkomstig uit een andere bron, die de verklaring van [slachtoffer 1] kunnen ondersteunen dat het misbruik meerdere keren heeft plaatsgevonden. De rechtbank ziet gelet op de bewijsmiddelen daarnaast aanleiding de ten laste gelegde periode in te korten van 1 maart 2020 tot en met 31 januari 2021, nu het bewezenverklaarde in ieder geval in deze periode heeft plaatsgevonden.
Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2.
De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen. Omdat verdachte het ten laste gelegde feit 2 heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank ziet gelet op de bewijsmiddelen wel aanleiding de ten laste gelegde periode in te korten van 1 maart 2020 tot en met 31 januari 2021.
Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 3.
1. Een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 6] d.d. 7 februari 2024, dossierpagina’s 166-169 voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
Op 19 december 2023 werd verdachte [verdachte] aangehouden en werd zijn telefoon metgoednummer 2149235 in beslaggenomen. Op genoemde telefoon zijn afbeeldingen van heimelijke opnames aangetroffen welke in twee verschillende badkamers werden opgenomen. Uit onderzoek blijkt dat deze badkamers zich bevinden op het adres van verdachte, zijnde [adres 2] in Son en Breugel.
Deze afbeeldingen zijn zogenaamde cache-afbeeldingen en thumbnails van video-opnames.Deze afbeeldingen worden door de telefoon gegenereerd, enkel wanneer het originele videobestand aanwezig is. Uit onderzoek bleek dat deze cache-afbeeldingen en thumbnails afkomstig zijn van minimaal twee en mogelijk meerdere video-opnames welke op deze telefoon hebben gestaan.
Wij zagen dat op voornoemde cache-afbeeldingen en thumbnails twee verschillende badkamers zichtbaar waren waarop twee verschillende naakte meisjeslichamen te zien waren. Wij zagen in de afbeeldingen verschillende tijdsaanduidingen staan, met data; 26 augustus 2023 en 27 augustus 2023.
Tijdens de doorzoeking op woensdag 10 januari 2024 werd bij de verdachte een minicamera in beslag genomen.
Ik zag dat het unieke ID van de camera 26300954801 was. Ik zag dat dit ID linksboven werd weergegeven tijdens het afspelen en ik zag dat dit overeenkwam met de beelden uit de telefoon van de verdachte. Ik zag dat er een opnamefunctie was en dat er een rood puntje met een omhooglopende tijd in beeld verscheen wanneer deze werd aangezet. Ik zag dit overeenkwam met de schermafbeeldingen in de telefoon van de verdachte. Ik zag dat de gebruikersinterface elementen identiek waren.
Tijdlijn Op basis van de gegevens afkomstig uit de telefoon (2149235) en de Desktop (800546) welke beiden in beslag genomen zijn bij de verdachte [verdachte] , kunnen we de volgende tijdlijn maken. Hierbij is de afwijking van 6 uur in de camerabeelden (UTC+8) en 2 uur in de telefoon (UTC+0) meegenomen en doorberekend:
20 augustus 2023 16:14 uur de applicatie HIDVCAM is geïnstalleerd;26 augustus 2023 11:06 uur Whatsapp bericht van [slachtoffer 1] naar verdachte: ‘Papa ik kom nunaar huis’;26 augustus 2023 11:37 uur afbeelding van heimelijk filmen in badkamer waarop naaktmeisje zichtbaar is;26 augustus 2023 11:57 uur afbeelding van heimelijk filmen in badkamer waarop naaktmeisje zichtbaar is;27 augustus 2023 14:26 uur de applicatie VLC-mediaspeler is geïnstalleerd;27 augustus 2023 17:21 uur de telefoon wordt verbonden via USB met de Desktop metgoednummer 800546;27 augustus 2023 17:55 uur het bestand [bestandsnaam] wordtdoor gebruiker ‘ [gebruikersnaam] ’ geopend op de Desktop met goednummer 800546;27 augustus 2023 tussen 20:09 uur en 20:38 uur afbeeldingen van heimelijk filmen inbadkamer waarop naakt meisje zichtbaar is;27 augustus 2023 21:35 uur Whatsapp bericht van verdachte naar groepsgesprek met[slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [naam 1] en [naam 2] : ‘Ik vind het weer fijn dat jullie er waren. Was supergezellig!!’
2. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 2] d.d. 26 maart 2024, dossierpagina’s 250-268 voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
V: Waar maakte jij die opnames mee?A: Met dat cameraatje.V: Met die mini camera waar we net over spraken?A: Ja met dezelfde reden. Ik ga niet zo’n grote camera plaatsen.V: Wanneer heb jij die opnames van [slachtoffer 1] gemaakt?A: Ik heb het niet meer scherp. De exacte dag weet ik niet. Ik heb twee keer opnames gemaakt van [slachtoffer 1] en twee keer opnames gemaakt van [slachtoffer 2] .V: Waar heb je die opnames gemaakt?A: Ik heb [slachtoffer 2] één keer in de boven badkamer gefilmd en één keer beneden en ik heb [slachtoffer 1] beide keren beneden in de badkamer gefilmd.V: Wie of wat zie je op de foto?A: Dat is [slachtoffer 2] , o nee dat is [slachtoffer 1] . Ze hebben alle twee lang haar.V: Wie is het nu?A: Ik denk dat het [slachtoffer 1] is.V: Dit betreft een uitsnede van de gehele afbeelding. Zij is naakt zichtbaar in jouw badkamer. Reageer daar eens op?A: Ja ik heb die opname gemaakt.
V: Was zij op de hoogte dat jij haar filmde?
A: Nee.
V: Op welke wijze heb jij die opnames gemaakt kun je dat uitleggen?A: Ik had die camera verstopt. Volgens mij had ik ‘m in mijn jaszak zodanig verstopt dat je het niet kon zien. Er hangt altijd een jack/jas/soort vest in de badkamer en die heeft een voering een binnen voering waar allemaal gaatjes in zitten en daar past ie perfect achter. Daar heb ik ‘m ingezet. De camera viel niet op.V: Kijk je dan live mee?A: Nee, want ik heb de jongens. Hij neemt het op. Hij streamt naar de app toe
V: Wat zie jij op deze foto?A: Dit is de badkamer boven. Bij [slachtoffer 2] had ik dus niet die jas. Omdat [slachtoffer 2] altijd boven douchte, [slachtoffer 1] wilde graag in bad liggen, heb ik het cameraatje bij de afvoer onder de wastafel en daar zit bij de slangenhals een plateautje en daar heb ik ‘m opgezet. V: Heb jij weleens een foto’s of screenshots gemaakt van een gemaakte opname?A: Ja vast wel denk ik.V: Want?A: Om te kunnen beoordelen, om beter te kunnen zien.
Vormverzuim onderzoek telefoon.
Met betrekking tot het onderzoek aan de telefoon is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat er sprake is van een vormverzuim. In het Landeck-arrest heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geconcludeerd dat, indien een meer dan beperkte inbreuk is te voorzien op de persoonlijke levenssfeer, de rechter-commissaris moet beslissen over de vraag of dat onderzoek aan op een telefoon aanwezige gegevens mag worden uitgevoerd. In onderhavige zaak viel bij het onderzoek aan de telefoon een meer dan beperkte inbreuk te voorzien op de persoonlijke levenssfeer van verdachte. Hoewel het Landeck-arrest nog niet was gewezen ten tijde van het onderzoek aan deze telefoon, gaat het niet om nieuw recht, maar om uitleg van reeds bestaand recht. De rechter-commissaris had daarom toestemming moeten geven, voordat dit onderzoek mocht worden uitgevoerd.
De rechtbank zal volstaan met de vaststelling van dit vormverzuim en dus daaraan geen rechtsgevolg verbinden. Daarbij is van belang dat ten tijde van het onderzoek aan de telefoon van de verdachte het hiervoor genoemde arrest van het Hof van Justitie nog niet was gewezen en de betekenis van het overtreden vormvoorschrift nog niet (algemeen) bekend was. Er is daarom geen sprake geweest van het opzettelijk overtreden van het vormvoorschrift en hier zijn ook overigens geen aanknopingspunten voor. Daarnaast heeft de verdediging ook geen voldoende concreet nadeel naar voren gebracht dat verdachte zou hebben geleden als gevolg van het vormverzuim. Dat de belastende gegevens over het filmen door verdachte aan het licht zijn gekomen is niet een nadeel in de zin van deze door de rechtbank te maken afweging. Daarom komt de rechtbank tot het oordeel dat vanwege het ontbreken van enig concreet daadwerkelijk rechtens relevant nadeel, bewijsuitsluiting, dan wel strafvermindering, geen gerechtvaardigd rechtsgevolg van dit vormverzuim is. De rechtbank volstaat dan ook met de constatering van het vormverzuim.
Vaststelling op grond van de bewijsmiddelen ten aanzien van feit 3.
Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het heimelijk filmen van zijn minderjarige dochters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] terwijl zij naakt onder de douche en in de badkamer stonden. Vervolgens heeft hij hier ook screenshots van gemaakt. Gelet op de wijze van filmen en hetgeen op de beelden te zien is, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van afbeeldingen van seksuele aard. De verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer 1] wilde controleren op zelfbeschadiging en [slachtoffer 2] op haar gewicht acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig, nu daar talloze andere manieren voor te bedenken waren geweest die minder inbreuk op hun privacy zouden maken. Deze verklaring is voorts ongeloofwaardig in het licht van de door hem met zijn dochters gepleegde ontucht en zijn verklaring ter terechtzitting van 10 april 2026 over zijn seksuele gevoelens en intenties bij het plegen van die ontucht.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte/opgesomde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
Ten aanzien van feit 1:
in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 januari 2021, te Son en Breugel ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind [slachtoffer 1] , geboren op [2008] , door
- over de kleding de billen van die [slachtoffer 1] met zijn handen te betasten en over die billen te wrijven;
- zijn gezicht tussen/richting de billen/anus van die [slachtoffer 1] te brengen en vervolgens aan die billen/anus te ruiken.
Ten aanzien van feit 2:
in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 januari 2021, te Son en Breugel ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind [slachtoffer 2] , geboren op [2010] ,
door
- meermalen, over de kleding de billen/anus van die [slachtoffer 2] met zijn handen en vingers te betasten en over die billen/anus te wrijven en in die billen te knijpen,
- meermalen, de ontblote billen/anus van die [slachtoffer 2] met zijn handen en vingers te betasten en over die ontblote billen/anus te wrijven en in die ontblote billen te knijpen,
- meermalen, zijn gezicht tussen/richting de billen/anus van die [slachtoffer 2] te brengen en vervolgens aan die billen/anus te ruiken,
- in de nabijheid van die [slachtoffer 2] zijn penis te betasten en af te trekken en
- zijn geslachtsdeel aan die [slachtoffer 2] te tonen.
Ten aanzien van feit 3:
op meerdere tijdstippen in de periode van 20 augustus 2023 tot en met 1 oktober 2023, te Son en Breugel, opzettelijk en wederrechtelijk van personen, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] afbeeldingen van seksuele aard, te weten afbeeldingen en films, waarop te zien is dat die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] heimelijk zijn gefotografeerd en gefilmd, terwijl die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] geheel naakt onder de douche en in de badkamer staan, heeft vervaardigd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals genoemd in het reclasseringsadvies van 3 april 2026 met uitzondering van het contactverbod. De officier van justitie heeft verder gevorderd dat de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft gevraagd rekening te houden met het feit dat verdachte een first offender is. Verder dient rekening gehouden te worden met het gegeven dat de redelijke termijn met vier maanden is overschreden. Daarnaast heeft de raadsman erop gewezen dat verdachte een open houding heeft en hij op eigen initiatief behandeling heeft gezocht en gekregen. De raadsman heeft een werkstraf bepleit met daarnaast een voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering en een ambulante behandeling volgt. Indien uit deze behandeling de noodzaak van een klinische opname naar voren komt, biedt de wet de mogelijkheid om de voorwaarden aan te passen. Er is geen degelijke onderbouwing van de noodzaak van een klinische opname, zeker niet voor de duur van maximaal vierentwintig maanden.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontucht. Hij heeft seksuele handelingen verricht bij zijn twee minderjarige dochters. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren ten tijde van het misbruik slechts negen/tien en elf jaar oud. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zijn eigen seksuele behoefte volledig boven het welzijn van zijn dochters heeft gesteld. Dit terwijl [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich thuis bij hun vader veilig en vertrouwd hadden moeten voelen. Uit de slachtofferverklaringen blijkt dat zij vaak ‘s-avonds in bed bang waren dat verdachte weer naar boven zou komen om hen te komen halen. Verder hebben zij lange tijd met dit geheim rondgelopen uit schaamte en angst. Zij durfden dit zelfs niet aan hun moeder te vertellen omdat verdachte tegen zijn dochters had gezegd dat hij de gevangenis in zou gaan als het misbruik uit zou komen. Daarnaast heeft verdachte enkele jaren later zijn dochters stiekem in de badkamer gefilmd terwijl zij naakt onder de douche stonden. Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] (bij monde van haar raadsvrouw) hebben ter terechtzitting op indrukwekkende wijze gebruik gemaakt van hun spreekrecht. Zij hebben uitgelegd wat de impact van het misbruik is geweest en nog steeds is op hun leven.
Het behoeft geen betoog dat ontucht met minderjarige kinderen, zeker als dit gepleegd wordt door hun eigen vader, zeer nadelige gevolgen kan hebben in de zin van psychische en emotionele schade en dat zij hierdoor ernstig kunnen worden geschaad in hun verdere ontwikkeling. Uit hetgeen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben verteld tijdens de terechtzitting van 10 april 2026 volgt dat zij ook daadwerkelijk veel last hebben van wat hen door hun vader is aangedaan. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.
Verder weegt de rechtbank mee dat verdachte weliswaar grotendeels openheid van zaken heeft gegeven, maar dat hij zijn gedrag bagatelliseert. Zo zou hij bij [slachtoffer 1] op tijd zijn gestopt en heeft hij een volstrekt ongeloofwaardige uitleg gegeven bij het maken van de heimelijke beelden van zijn dochters. Verdachte neemt hiermee onvoldoende verantwoordelijkheid voor zijn daden.
Persoonlijke omstandigheden.
Kijkend naar de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.
Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met het reclasseringsadvies van 3 april 2026. Hieruit blijkt het volgende:
“Er is bij betrokkene sprake van scheefgroei in de seksuele ontwikkeling, naar aanleiding van misbruik en trauma’s vanaf de vroege jeugd tot in de adolescentie. Hoewel wij geen diagnoses mogen stellen, zijn er sterke aanwijzingen dat er sinds de vroege hechting een knik in de persoonlijkheidsontwikkeling is ontstaan. [verdachte] heeft geen
gemiddeld (seksueel) referentiekader, hunkert naar bevestiging en aandacht van anderen en heeft weinig grip op zijn eigen identiteit. De verschillende levensrollen (vader, zoon, partner, man, collega, et cetera) staan momenteel onder druk. Het is onze aanname dat dit ook het geval was ten tijde van het ten laste gelegde gedrag, de reclassering is echter onvoldoende onderlegd om daarover conclusies te trekken. Daarnaast hebben wij ons gericht op de ingezette en lopende ambulante behandeling, wij hebben geen referenten geraadpleegd die [verdachte] privé kennen. De persoonlijkheidsproblemen en seksualiteit (psychosociaal functioneren) zijn, net als de familie- en partnerrelatie, direct gerelateerd aan het delictgedrag. Ook huisvesting en werk zijn door ons als
delictgerelateerd aangemerkt (zie delict analyse). Betrokkene geeft daarbij zelf aan dat alcoholgebruik destijds eveneens voor normvervaging zorgde, waardoor ook dit een aandachtspunt dient te zijn.
Betrokkene woont momenteel bij zijn ouders. Hoewel zijn ouders, met name zijn moeder en een zus, op de hoogte zouden zijn van zijn problemen, kunnen we deze contacten niet als beschermend aanmerken. De christelijke levensovertuiging die betrokkene van zijn ouders / omgeving meekreeg, alsmede de geloofsovertuiging die hij zichzelf toedicht, staan op gespannen voet met de genderdysfore gedragingen en wensen waaraan [verdachte] bij ons uiting geeft. Daarbij werd misbruik uit zijn verleden mogelijk met de spreekwoordelijke mantel der liefde bedekt, waardoor ouders/familie ook nu nog onvoldoende veiligheid bieden en betrokkene geen emotionele aansluiting of steun vindt bij hen. Hij beschrijft veelvuldig gevoelens van eenzaamheid, hetgeen recidive verhogend kan werken. De huidige alcoholabstinentie wordt door ons als positief bestempeld.
Daarnaast is ook de bereidheid voor aanvullende behandeling in onze ogen positief. [verdachte] is bezig met een traject bij de Ambulant Forensisch Psychiatrische Behandeling (AFPB) Van Mesdag. Voorafgaande aan zijn verhuizing naar Noord Nederland was hij via de huisarts en POH doorverwezen naar GGZ Eindhoven. Binnen dit traject volgende een detox-opname bij GGz De Hoop, alvorens de vrijwillige ambulante behandeling in Eindhoven werd afgebroken omdat [verdachte] naar zijn ouders verhuisde. Binnen het reeds aangevangen traject stonden de hulpvragen van betrokkene van dat moment centraal. Er dient echter nog kritisch gekeken te worden welke (specialistische) forensische behandeling het meest passende is met betrekking tot de kans op recidive.
Omdat er binnen de huidige (ambulante) behandeling momenteel geen duidelijk diagnostische hypothese gesteld kan worden, betrokkene forse problemen en trauma’s verwoordt waarbij mogelijk in de vroege hechting al schade en scheefgroei is ontstaan, menen wij dat er klinische diagnostiek én behandeling dient plaats te vinden. Probleemgedrag vanuit forse persoonlijkheidsproblematiek dat zijn oorzaak heeft liggen in de vroege hechting, vraagt doorgaans om een langere behandelperiode. In
combinatie met de seksuele (deviante) ontwikkeling van [verdachte] zien wij noodzaak voor een specialistisch klinisch behandelprogramma. Op dit moment hebben we daarbij geen zicht op de slachtofferbelangen en de mate waarin de huidige contactafspraken met de kinderen in deze casus doorwerken. Jeugd Bescherming Brabant wilde ons, uit privacy overwegingen, geen inzage geven in de lopende bezoekregeling en de gemaakte afspraken. Wij hebben daardoor geen zicht op de aandachtspunten hierom heen.”
Redelijke termijn.
De rechtbank weegt bij de strafoplegging mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM met vier maanden is overschreden.
De op te leggen straf.
Gelet op de ernst van de feiten en de impact op de slachtoffers acht de rechtbank een gevangenisstraf de enige passende strafmodaliteit. Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
De rechtbank zal daaraan verbinden de bijzondere voorwaarden betreffende een meldplicht en de ambulante behandeling zoals geadviseerd door de reclassering. Met betrekking tot de voorwaarde betreffende de klinische behandeling voor de duur van maximaal 24 maanden is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat onvoldoende zeker is dat deze behandeling noodzakelijk is om het recidiverisico in te dammen, terwijl deze voorwaarde bovendien te onbepaald en onduidelijk is. Er is nog geen diagnose gesteld en er is geen indicatiestelling of plaatsingsmogelijkheid. Om deze redenen zal de rechtbank deze voorwaarde niet aan verdachte opleggen. Indien tijdens de ambulante behandeling blijkt dat er wel een noodzaak is voor een klinische behandeling dan kan worden verzocht om de bijzondere voorwaarden te wijzigen. Het door de reclassering geadviseerde contactverbod zal de rechtbank evenmin opleggen, gelet op hetgeen daarover op de terechtzitting naar voren is gebracht.
Dadelijke uitvoerbaarheid en proeftijd van vijf jaar?
De officier van justitie heeft gevorderd om de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Een bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid kan op grond van artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht alleen gegeven worden indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Nu sprake is van zogenaamd situationeel recidiverisico, het misbruik jaren geleden heeft plaatsgevonden, verdachte zijn dochters op dit moment niet meer ziet en ook overigens niet gesproken kan worden over een (hoog) recidiverisico, is niet voldaan aan voornoemde voorwaarde. De rechtbank zal daarom de dadelijke uitvoerbaarheid niet bevelen. Om dezelfde reden en gelet op het bepaalde in artikel 14b van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank volstaan met een proeftijd van drie jaar.
De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
De benadeelde partijen vorderen ieder een schadevergoeding van € 6.000,00 bestaande uit immateriële schade en daarnaast vordert [slachtoffer 1] nog een schadevergoeding van
€ 660,33, bestaande uit materiële schade, dit alles te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de door [slachtoffer 1] gevorderde materiële schadevergoeding onvoldoende is onderbouwd en daarom niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft hij gevraagd deze fors te matigen.
Het oordeel van de rechtbank. De rechtbank acht de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] opgevoerde materiële schade onvoldoende onderbouwd. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat op dit moment het causale verband tussen de geleden schade en het bewezenverklaarde feit 1 niet kan worden vastgesteld. Een nader onderzoek daarnaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding meebrengen en om deze reden zat dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard worden. De benadeelde partij kan dit gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank is ten aanzien van de gevorderde immateriële schade van oordeel dat de benadeelde partijen immateriële schade hebben geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van de bewezenverklaarde feiten 1 tot en met 3. De rechtbank is van oordeel dat aan de benadeelde partijen op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek een vergoeding wegens geleden immateriële schade toekomt nu sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Deze aantasting kan reeds worden aangenomen omdat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde partijen zodanig voor de hand liggen. De rechtbank zal de vorderingen tot vergoeding van immateriële schade, rekening houdend met in de rechtspraak in soortgelijke gevallen toegekende bedragen aan smartengelden en naar billijkheid voor beide benadeelde partijen integraal toewijzen, gelet op de gevolgen die het voor hen heeft gehad. Daarnaast ziet de rechtbank in het gegeven dat de benadeelde partijen zussen zijn en hetgeen hen is aangedaan grotendeels vergelijkbaar is, aanleiding om niet gedetailleerd te differentiëren aan de hand van de verschillende bewezenverklaringen.
De rechtbank acht de vorderingen daarom toewijsbaar tot steeds een bedrag van € 6.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2020 tot de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partijen, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor de toegewezen bedragen tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2020 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Beslag.
De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is met betrekking tot welke feit 3 is begaan en dit voorwerp ten tijde van het begaan van het feit aan verdachte toebehoorde.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 57, 139h en 249 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
Ten aanzien van feit 1:
ontucht plegen met zijn minderjarig kind
Ten aanzien van feit 2:
ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd
Ten aanzien van feit 3:
opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon een afbeelding van seksuele aard vervaardigen, meermalen gepleegd
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straffen en maatregelen.
Ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 3:
Een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren
Voorwaarde is, dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
En stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd van 3 jaren, meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt veroordeelde zich binnen 14 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij de reclassering van het Leger des Heils op het adres Zoutbranderij 1, te Leeuwarden.
Ambulante behandeling
Veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd laten behandelen door de AFPB van Mesdag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering die behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Deze behandeling is gericht op delictpreventie, coping en de doorwerking van de persoonlijkheidsproblematiek op eventueel seksueel grensoverschrijdend gedrag, de functie van dergelijk gedrag en de begeleiding naar specialistische ondersteuning in geval van aanhoudende genderdysforie of andere parafiele problemen. Gelet op de omvang en aard van de problematiek kan het een onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde medicatie krijgt voorgeschreven.
Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat veroordeelde:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Ten aanzien van feit 1 en feit 3:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 6.000,00 bestaande uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de (proces)kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Maatregel van Schadevergoeding:
Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 6.000,00. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 55 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Ten aanzien van feit 2 en feit 3:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van
€ 6.000,00, bestaande uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de (proces)kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Maatregel van Schadevergoeding:
Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van € 6.000,00. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 55 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Beslag.
Verklaart verbeurd het inbeslaggenomen goed, te weten: een telefoontoestel (Omschrijving: PL2100-2023193504-G2149235, Blauw, merk: Motorola).
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A. van der Hilst, voorzitter,
mr. S.J.W. Hermans en mr. C.F.N. van Schaijk, leden,
in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Akkers en mr. T.J. Oosterman, griffiers,
en is uitgesproken op 24 april 2026.