RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.130056.23
Datum uitspraak: 28 april 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1996] ,
ingeschreven op het adres [adres 1]
wonende [adres 2] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
en/of
AAQF8171NL) en/of
in elk geval een hoeveelheid/hoeveelheden ketamine, bevattende de werkzame stof ketamine, in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden, heeft verkocht, heeft afgeleverd en/of ter hand heeft gesteld;
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 12 maart 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2023 tot en met 24 mei 2023 te Eindhoven meermalen, althans eenmaal, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens)
- ongeveer 302,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,
- ongeveer 26 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2C-B,
- ongeveer 66,92 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
- ongeveer 12 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende LSD en/of
- ongeveer 384,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,
zijnde amfetamine en/of 2C-B en/of cocaïne en/of LSD en/of MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2023 tot en met 24 mei 2023 te Eindhoven (meermalen, althans eenmaal) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 3] ) (telkens) een hoeveelheid van (in totaal)
- 152,68 gram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
- ongeveer 285 gram hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2023 tot en met 24 mei 2023 te Eindhoven, al dan niet opzettelijk, zonder registratie,
- 6,53 gr ketamine (goed 2069326/ SIN AAQF8179NL) en/of
- 502,22 gram ketamine (goed 2069314: SIN AAQF8173NL, SIN AAQF8172NL en SIN
- 1,2 gram ketamine (goed 2069324/ SIN AAOT8649NL),
Voor zover in de tenlastelegging schrijffouten voorkomen zijn deze door de rechtbank verbeterd.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijsoverweging.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het -kortgezegd- dealen van alle onder feit 1 genoemde harddrugssoorten. Ook acht de rechtbank het bezit van hennep en hasjiesj en het in voorraad hebben van ketamine bewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte – op het moment dat hij op heterdaad werd aangehouden na een cocaïneoverdracht – een drietal mobiele telefoons bij zich droeg, te weten een Samsung, een Alcatel en een Xiaomi.
Deze telefoons zijn door de politie uitgelezen, waarbij de Alcatal en Xiaomi – gelet op de inhoud daarvan – als zogenaamde dealtelefoons zijn gekwalificeerd. De rechtbank komt op grond van de inhoud van die telefoons tot eenzelfde conclusie.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de Samsung zijn eigen toestel betrof en dat de andere twee toestellen toebehoorden aan een persoon genaamd “ [naam] ”.
Verdachte had van deze onbekend gebleven persoon – die tegen betaling enkele dozen met onbekende inhoud in de woning van verdachte had opgeslagen – de opdracht gekregen om de Alcatal en Xiaomi toestellen op een bepaald adres aan een bepaalde persoon af te geven.
Verdachte zegt geen weet te hebben gehad van de aanwezigheid van harddrugs, softdrugs en ketamine in zijn woning. Volgens verdachte moet “ [naam] ” deze verdovende middelen in de woning van verdachte op de vindplaatsen hebben opgeborgen.
De rechtbank acht de verklaring van verdachte ongeloofwaardig.
Van het bestaan van ene “ [naam] ” is niet gebleken. Alleen verdachte heeft die persoon genoemd. Daarbij heeft verdachte geen nadere persoonsgegevens van deze “ [naam] ” gegeven.
Aan wie de verdachte op welk adres de telefoons moest afgeven is onduidelijk gebleven. Verdachte kon over dat adres en die persoon geen bijzonderheden geven.
De verdovende middelen zijn niet in dozen, maar op diverse plekken in de keuken en in een kamertje in een koelkast, het vriesgedeelte daarvan en in de magnetron bij de doorzoeking aangetroffen. Verdachte heeft ter terechtzitting desgevraagd aangegeven dat hij dagelijks gebruik maakte van zijn keuken en dat de in werking zijnde koelkast en magnetron aan hem toebehoorden en door hem daar waren neergezet.
Daarnaast zijn in de Samsung van verdachte notities en foto’s opgeslagen die overeenkomen met de in zijn woning aangetroffen verdovende middelen.
In de Samsung en de Xiaomi hebben in de periode van 19 tot en met 24 april 2023 chatconversaties plaatsgevonden die opvallende inhoudelijke overeenkomsten vertonen.
Ook zijn in de Alcatel en Xiaomi identieke drugsprijslijsten en foto’s aangetroffen die aansluiten bij de drugssoorten die in de woning van verdachte zijn aangetroffen.
De rechtbank concludeert hieruit dat verdachte de gebruiker was van zowel de Samsung als de twee dealtelefoons. Uit die dealtelefoons volgt dat de onder feit 1 in de tenlastegelegde genoemde verdovende middelen werden verkocht en afgeleverd. Gelet op de aangetroffen voorraad in de woning van verdachte, het aangetroffen geld, de omstandigheid dat hij in het bezit was van de dealtelefoons en de omstandigheid dat hij op heterdaad is betrapt bij het afleveren en verkopen van 10 gram cocaïne, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de handel in de in zijn woning aangetroffen harddrugssoorten. Verder acht de rechtbank bewezen dat hij wist van de aangetroffen hennep en hasjiesj en ketamine in zijn woning. Hij was niet bevoegd die ketamine in voorraad te hebben.
De bewezenverklaring.
zijnde amfetamine en 2C-B en cocaïne en LSD en MDMA, middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
AAQF8171NL) en
De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte
1.
in de periode van 1 februari 2023 tot en met 24 mei 2023 te Eindhoven meermalen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2C-B,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende LSD en/of
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,
2.
op 24 mei 2023 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 3] ) een hoeveelheid van 152,68 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,
en
een hoeveelheid van ongeveer 285 gram hasjiesj , zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II;
3.
op 24 mei 2023 te Eindhoven opzettelijk zonder registratie,
- 6,53 gr ketamine (goed 2069326/ SIN AAQF8179NL) en
- 502,22 gram ketamine (goed 2069314: SIN AAQF8173NL, SIN AAQF8172NL en SIN
- 1,2 gram ketamine (goed 2069324/ SIN AAOT8649NL) in voorraad heeft gehad,
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen waarvan 250 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren op te leggen. De officier van justitie heeft verzocht om aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden te koppelen zoals door de reclassering geadviseerd in het rapport van 23 maart 2026.
Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht om aan verdachte een taakstraf op te leggen voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.
De officier van justitie heeft verzocht om de onder verdachte inbeslaggenomen geldbedragen verbeurd te verklaren.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
De verdediging heeft verzocht bij een bewezenverklaring van één of meer feiten te volstaan met een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest en een voorwaardelijk deel waaraan bijzondere voorwaarden als geadviseerd kunnen worden verbonden. Dat voorwaardelijke deel zou door de rechtbank moeten worden gematigd ten opzichte van de eis van de officier van justitie. Voor wat betreft de in beslag genomen geldbedragen heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende een periode van enkele maanden schuldig gemaakt aan het dealen in diverse soorten harddrugs. Daarnaast heeft verdachte ruim 437 gram softdrugs in zijn woning aanwezig gehad. Ook had verdachte in zijn woning ongeveer 510 gram ketamine in voorraad, zonder over de daartoe vereiste registratie te beschikken.
Ketamine valt vanwege de geneeskundige toepassing ervan weliswaar onder de Geneesmiddelenwet, maar wordt tegenwoordig steeds vaker voor recreatieve doeleinden gebruikt als dissociatief tripmiddel, anders gezegd: een partydrug. Ketamine is qua werking vergelijkbaar met harddrugs.
Verdachte heeft met zijn gedragingen een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de drugsindustrie. De samenleving ondervindt hier veel hinder van, nu het drugsgebruik niet alleen gezondheidsrisico’s voor de gebruikers daarvan met zich meebrengt, maar ook leidt tot (vermogens)criminaliteit om in het drugsgebruik te kunnen voorzien, waardoor gevoelens van onveiligheid ontstaan. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Persoon van verdachte.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsadvies van 23 maart 2026.
Hieruit volgt dat verdachte gedurende de schorsingsperiode van zijn voorlopige hechtenis zowel door de reclassering als Unitio is begeleid.
Beide instanties hebben aangegeven dat zij mogelijkheden zien om hun begeleidende rol ten aanzien van verdachte te continueren.
De reclassering heeft in dat kader een pakket aan voorwaarden geformuleerd, waarmee verdachte hulp wordt geboden om zijn problematiek aan te pakken en zijn leven goed op de rit te krijgen. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij gemotiveerd is om met deze geboden hulp aan de slag te gaan.
Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte – blijkens een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie – niet eerder voor een Opiumwetdelict is veroordeeld.
Redelijke termijn
De rechtbank houdt rekening met het tijdsverloop van deze zaak. De rechtbank heeft geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van bijzondere omstandigheden is de rechtbank niet gebleken.
In dit geval moet de termijn worden gerekend vanaf 25 mei 2023, te weten de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De behandeling van deze zaak is niet afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na deze datum, nu het vonnis op 28 april 2026 wordt gewezen.
Hieruit volgt dat de redelijke termijn met elf maanden is overschreden.
De rechtbank zal aan de overschrijding van de redelijke termijn consequenties verbinden, in die zin dat de rechtbank compensatie zal toepassen door middel van strafvermindering.
Conclusie
Zonder de overschrijding van de redelijke termijn zou de rechtbank aan verdachte – gelet op de LOVS-richtlijnen die de rechtbank hanteert met betrekking tot de bewezenverklaarde dealperiode en de bij verdachte in zijn woning aangetroffen hoeveelheid hennep, hasjiesj en ketamine – een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6maanden hebben opgelegd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat het passend en geboden is om verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van 50 dagen die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
De rechtbank zal daarnaast ook een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen met een proeftijd van twee jaren opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zal de rechtbank de voorwaarden verbinden als hierna bij de uitspraak is vermeld.
Daarnaast acht de rechtbank oplegging van een taakstraf voor de duur van 240 uren passend en geboden.
De rechtbank legt daarmee een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van verkoop en het in voorraad hebben van harddrugs. De rechtbank is van oordeel dat de wijze van ten laste leggen onder feit 1 dwingt tot een keuze, waardoor de rechtbank het aanwezig hebben van de hoeveelheden harddrugs buiten beschouwing heeft gelaten bij de straftoemeting.
Beslag.
De rechtbank zal de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen geldbedragen verbeurd verklaren, omdat deze geldbedragen naar het oordeel van de rechtbank door middel van de bewezenverklaarde handel in verdovende middelen zijn verkregen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
- 38 van de Geneesmiddelenwet;
- 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
- 2, 3, 10, en 11 van de Opiumwet.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
ten aanzien van feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 3:
overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar
legt op de volgende straffen:
ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 3:
een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 100 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren;
voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
en stelt als bijzondere voorwaarden:
-veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; de reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
-veroordeelde zal binnen de proeftijd deelnemen aan de gedragsinterventie CoVa/CoVa-plus van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt; veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
-veroordeelde laat zich gedurende de proeftijd begeleiden door Unitio (forensische begeleiding) of een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de begeleiding nodig vindt; de begeleiding is reeds gestart en is gericht op het op orde brengen van de praktische leefgebieden en het bestendigen van stabiliteit;
-veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
-veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen; veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
-veroordeelde werkt gedurende de proeftijd mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen (harddrugs/softdrugs); deze controles worden middels urineonderzoek uitgevoerd; de reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 3:
een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis;
verklaart verbeurd de inbeslaggenomen goederen, te weten:
- € 40,-;
- € 10,-;
- € 4,15;
- € 600,-;
heft op het tegen verdachte verleende geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.G. Vos, voorzitter,
mr. A.E. de Kryger en mr. I.C. Meuris, leden,
in tegenwoordigheid van mr. A.J.H.L. Coppens, griffier,
en is uitgesproken op 28 april 2026.