ECLI:NL:RBOBR:2026:2710

ECLI:NL:RBOBR:2026:2710

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 30-04-2026
Datum publicatie 28-04-2026
Zaaknummer 11653722 CV EXPL 25-2119
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

6:162 BW. Onrechtmatig overheidshandelen. Het waterschap heeft gehandeld in strijd met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. Het waterschap beheert waterberging De Rummeling dat specifiek bedoeld is om waterstanden te reguleren. Daaruit volgt een bijzondere zorgplicht, namelijk: het voorkomen van wateroverlast, door middel van het zorgvuldig bedienen van de in- en uitlaat, van overtollig (regen)water, waarbij alle relevante factoren, zoals onder andere de weersverwachting, de mate van begroeiing en de hoogte van de (grond-) waterstanden in en rondom het waterbergingsgebied in ogenschouw moeten worden genomen. De kantonrechter oordeelt dat in dit geval het open laten van de schuif strijd oplevert met wat maatschappelijk betamelijk is, omdat het waterschap niet in redelijkheid de afweging kon maken om de schuif van de waterberging open te laten. Daarbij overweegt de kantonrechter dat bescherming van bebouwd gebied tegen overstroming het algemeen belang dient. Dat de focus van het calamiteitenteam van het waterschap gericht was op bescherming van het dorp Sterksel, acht de kantonrechter dan ook in lijn met zorgvuldig waterbeheer c.q. rampenbeperking. Door het waterschap is echter niets gesteld over de ernst van de bedreiging van overstroming voor Sterksel, of er tijd of mankracht was om de situatie ter plekke te bekijken en te beoordelen of de schuif kon worden gesloten. De schuif wordt nu elektrisch bediend, begrijpt de kantonrechter uit de gedingstukken, maar moest in 2016 nog handmatig worden gesloten. Hierdoor is het lastig te beoordelen of de keuze die het waterschap destijds heeft gemaakt om de schuif op een kierstand te laten staan, doelbewust en evenredig was. Daarbij komt nog de onweersproken stelling van eisende partij dat in latere situaties van (nog meer) buitensporige regenval, door het waterschap wel altijd is gekozen om de schuif dicht te zetten. Dit roept de vraag op of er op 1 of 2 juni 2016 wel sprake was van een reële noodsituatie. Immers, als later bij vergelijkbare of ergere piekregenval door het waterschap wel de keuze is gemaakt om de schuif dicht te zetten, dan lijkt het op 1 of 2 juni 2016 niet dichtzetten van de schuif, overdreven of niet naar behoren ingeschat. Voor zover het waterschap heeft aangevoerd dat waterberging De Rummeling is aangelegd met maar één doel: bescherming van bebouwd gebied, te weten het dorp Sterksel en dat de percelen van eisende partij zijn gelegen in een normloos beekdal, oordeelt de kantonrechter onder meer dat eisende partij, als eigenaar van een omliggend (akker)perceel, van het waterschap mag verwachten dat waterberging De Rummeling goed wordt toegepast. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat eisende partij heeft betwist dat in 2016 al sprake was van een normloos beekdal en aan de hand van een deskundigenbericht voldoende heeft aangetoond dat op haar percelen wel degelijk een beschermingsnorm voor wateroverlast rust. Tot slot oordeelt de kantonrechter met betrekking tot de causaliteit dat eisende partij voldoende heeft aangetoond dat door het open laten van de schuif van waterberging De Rummeling op 2 juni 2016 haar omliggende percelen zijn overstroomd, waarbij schade ontstond. Hierbij overweegt de kantonrechter dat tussen partijen niet in geschil is dat de bodem van de percelen verzadigd was door de piekneerslag in de periode van 31 mei tot en met 2 juni 2016. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de Sterkselse Aa al dat extra regenwater niet kon verwerken, (mede) omdat door de sterke begroeiing de stroming (vrijwel) stil was gevallen. Verder heeft eisende partij aan de hand van een memorandum onweersproken gesteld dat waterberging De Rummeling een extra 50 of 60 kuub water in De Rummeling had kunnen bergen als de schuif destijds gesloten was. De stelling dat ‘een kiertje in de berging’ niets heeft veranderd aan de schade van eisende partij, althans dat dit door eisende partij niet is aangetoond, wordt door de kantonrechter dan ook verworpen. Ook uit het deskundigenbericht kan de stelling van het waterschap, dat de percelen van eisende partij ook als de schuif was dichtgezet zouden zijn overstroomd, niet worden afgeleid.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Zaaknummer: 11653722 \ CV EXPL 25-2119

Vonnis van 30 april 2026

in de zaak van

1. [eiser 1] ,

te [plaats] ,2. [eiser 2],

te [plaats] ,3. [eiser 3],

te [plaats] ,

eisende partijen,

hierna samen te noemen: “ [eisers] ”,

gemachtigde: H.J.M. Antonissen,

tegen

WATERSCHAP DE DOMMEL,

te Boxtel,

gedaagde partij,

hierna te noemen: “het waterschap”,

gemachtigde: mr. R.M. Pieterse.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 7 april 2025 met producties (ongenummerd),- de conclusie van antwoord zonder producties,- de brief van de rechtbank met bericht dat een mondelinge behandeling is bepaald,

- een aanvullende productie aan de zijde van [eisers] ,

- de mondelinge behandeling van 2 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling hun standpunten nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord.

Aan het einde van de mondeling behandeling is gezegd dat het streven is om op 2 april 2026 vonnis te wijzen. Wegens organisatorische omstandigheden is de datum van het vonnis nader bepaald op vandaag.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om vier percelen die in eigendom zijn van [eisers] en

waarop hij mais teelt. De percelen bevinden zich nabij de in beheer bij het waterschap zijnde A-watergangen Sterkselse Aa en Sterksels Kanaal. De Sterkselse Aa stroomt via een sifon onder het Sterksels Kanaal door. Dit zijn dus twee gescheiden watersystemen, waarbij er wel water van het Sterksels Kanaal naar de Sterkselse Aa gestuurd kan worden.

Vanuit het Sterksels Kanaal kan namelijk water uitgelaten worden in het retentiegebied (ofwel waterberging) De Rummeling. Dit retentiegebied kan gebruikt worden om overtollig water uit het kanaal tijdelijk op te vangen. Zodra de watersystemen weer voldoende geleegd zijn, kan het retentiegebied leeggelaten worden op de Sterkselse Aa.

Retentiegebied De Rummeling heeft een inlaat met een vaste drempelhoogte, waarin niet gestuurd kan worden. Wel kan de uitlaat van het retentiegebied open en dicht gezet worden met een schuif. Gedurende het jaar wordt een vaste kierstand gehanteerd om grond en regenwater af te voeren.

In de periode van 1 tot 3 juni 2016 was sprake van meerdere (extreme) neerslaggebeurtenissen (piekneerslag).

Het waterschap heeft ervoor gekozen in deze periode van piekneerslag de schuif van de uitlaat van het retentiegebied niet te sluiten, terwijl de waterstanden in het Sterksels Kanaal en de Sterkelse Aa hoog waren. Hierdoor stroomde het water vanuit het retentiegebied De Rummeling direct in de Sterkselse Aa, die al dat water niet aankon. Het omliggende land, waaronder de percelen van [eisers] , is op 2 juni 2026 overstroomd (geïnundeerd). Door de lange inundatietijd is de snijmais van [eisers] verloren gegaan.

De afweging van het waterschap om de schuif van het retentiegebied niet te sluiten, was om ruimte te creëren in het retentiegebied voor mogelijk nog meer neerslag, zodat het nabij gelegen dorp Sterksel beschermd was tegen wateroverlast.

3. Het geschil

[eisers] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het waterschap veroordeelt:

1. tot betaling aan [eisers] van een bedrag van € 24.999,00;

2. in de kosten van dit geding, waaronder begrepen een bedrag voor het salaris en de noodzakelijke verschotten van de gemachtigde van [eisers] .

[eisers] houdt het waterschap verantwoordelijk voor de waterschade aan haar landbouwgewassen die is ontstaan in juni 2016 door verwijtbaar gedrag van het waterschap en vordert betaling van het getaxeerde schadebedrag en de overige kosten zoals de rente-, procedure- en deskundigenkosten.

De grondslag van haar vordering is het tekortschieten van het waterschap in zijn zorgplicht als goed waterbeheerder en daarmee het plegen van een onrechtmatige daad jegens [eisers] .

Meer specifiek verwijt [eisers] het waterschap dat het onvoldoende maaionderhoud heeft gepleegd en de waterberging De Rummeling onjuist heeft ingezet door de uitlaat van

de waterberging niet geheel te sluiten.

Volgens [eisers] blijkt de gewasschade uit het rapport van Overheul Agro en wordt het causaal verband geleverd door het deskundigenrapport van Nelen & Schuurmans. Beide deskundigen zijn door de rechtbank als onafhankelijke gerechtelijke deskundigen benoemd.

Het waterschap voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] en met verklaring dat de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad zal zijn, zulks met bepaling dat over die veroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn vanaf de datum waarop vonnis wordt gewezen, een en ander vermeerderd met de nakosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als betaling binnen 14 dagen na het vonnis uitblijft.

Het waterschap voert daarbij aan dat het erkent dat er op het waterschap, gelet op het bepaalde in artikel 2.1 Waterwet (inmiddels vervangen door artikel 1.2 en 1.3 Omgevingswet), een zorgplicht rust ten aanzien van het zoveel mogelijk voorkomen van overstromingen en wateroverlast, maar betwist dat het in deze kwestie zijn zorgplicht zou hebben geschonden. Het waterschap benadrukt daarbij dat de percelen van [eisers] in een normloos beekdal liggen hetgeen betekent dat op deze percelen geen (NBW) beschermingsnorm voor wateroverlast rust.

Meer specifiek betwist het waterschap dat ten aanzien van de in dit geschil relevante watergangen sprake is (geweest) van onvoldoende onderhoud.

Verder stelt het waterschap zich - kort samengevat - op het standpunt dat het bergingsgebied De Rummeling juist is ingezet.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of het waterschap aansprakelijk is voor de door [eisers] gestelde schade.

[eisers] stelt dat het waterschap jegens haar is tekortgeschoten in zijn zorgplicht als goed waterbeheerder en daarmee een onrechtmatige daad heeft gepleegd.

Het waterschap betwist dat het jegens [eisers] zijn zorgplicht heeft geschonden.

Onrechtmatig handelen waterschap?

De burgerlijke rechter (in dit geval de kantonrechter) zal de onrechtmatigheid en de toerekenbaarheid van (feitelijke) handelingen of het nalaten daarvan die een bestuursorgaan (in dit geval het waterschap) heeft verricht in beginsel zelfstandig dienen te beoordelen.

Voor het aannemen van een onrechtmatige daad van het waterschap in een geval als deze, gelden geen andere maatstaven dan die van artikel 6:162 BW. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang (vgl. HR 23 mei 2014, NJ 2014, 387).

De eerste vraag die hierbij voorligt is of het waterschap onrechtmatig heeft gehandeld.

Zorgvuldigheidsnorm

Volgens artikel 6:162 lid 2 BW worden drie gronden genoemd waarop de onrechtmatigheid van het waterschap kan worden gebaseerd, namelijk bij een inbreuk op een recht, bij handelen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Hieronder valt onder meer de zorgvuldigheidsplicht van het overheidsorgaan.

Er kan sprake zijn van onzorgvuldig handelen als het waterschap heeft gehandeld in strijd met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm, waarbij moet worden beoordeeld of het waterschap heeft gehandeld in strijd met wat maatschappelijk betamelijk is.

Volgens [eisers] is dit het geval, want volgens haar is het waterschap tekortgeschoten in zijn zorgplicht als goed waterbeheerder.

Meer specifiek verwijt [eisers] het waterschap dat het onvoldoende maaionderhoud heeft gepleegd en de waterberging De Rummeling onjuist heeft ingezet door de uitlaat van de waterberging op 1 juni 2016 niet geheel te sluiten.

Het waterschap betwist dat het zijn zorgplicht heeft geschonden.

Met betrekking tot de zorgvuldigheidsnorm neemt de kantonrechter het volgende in overweging. Het waterschap beheert waterberging De Rummeling dat specifiek bedoeld is om waterstanden te reguleren. Daaruit volgt een bijzondere zorgplicht, namelijk: het voorkomen van wateroverlast, door middel van het zorgvuldig bedienen van de in- en uitlaat, van overtollig (regen)water, waarbij alle relevante factoren, zoals onder andere de weersverwachting, de mate van begroeiing en de hoogte van de (grond-) waterstanden in en rondom het waterbergingsgebied in ogenschouw moeten worden genomen.

Het open laten van de schuif - of zoals [eisers] het formuleert: waterberging De Rummeling onjuist inzetten door de uitlaat van de waterberging niet geheel te sluiten - kan strijd opleveren met wat maatschappelijk betamelijk is, als wordt geoordeeld dat het waterschap niet in redelijkheid de afweging kon maken om de schuif van de waterberging open te laten.

Het waterschap doet ten verwere ook een beroep op het Bargerbeek-arrest (HR 9 oktober 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4240), en opvolgende arresten (zie punt 11 conclusie van antwoord). Dit verweer treft echter geen doel nu het in die arresten gaat om de beleids-/beoordelingsruimte die het waterschap heeft als het gaat om onderhoud/maaibeheer en in deze zaak wordt geoordeeld (waarover hierna meer) dat het open laten van de schuif onrechtmatig is geweest.

Gedegen belangenafweging? 4.4. Volgens het waterschap is aan het open laten van de schuif een gedegen belangenafweging vooraf gegaan door het calamiteitenteam en is doelbewust gehandeld in het algemeen belang, namelijk zorgvuldig waterbeheer c.q. rampenbeperking. Op basis van de weersvoorspellingen werd er nog een forse afvoergolf verwacht. Door de schuif open te laten, bleef het retentiegebied voor een gedeelte beschikbaar als buffer voor de verwachte grotere afvoergolf, aldus het waterschap.

Het waterschap heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de focus bij de belangenafweging lag op bescherming van bebouwde grond, namelijk het nabij gelegen dorp Sterksel, en niet op bescherming van landbouwgrond rondom de waterberging.

Qua onderhoud heeft het waterschap voldaan aan het daarvoor geldende wettelijke en beleidsmatige kader; er is in 2016 volgens planning gemaaid. In april 2016, dus vooruitlopend op de maaiplanning, is op de Sterkselse Aa zo’n 550 meter gemaaid. Aan de zorgplicht voor onderhoud is dus (ruimschoots) voldaan, aldus het waterschap.

[eisers] heeft in dit verband aangevoerd dat waterbergingen bovenstrooms, zoals De Rummeling, juist zijn gerealiseerd om als buffer in te zetten bij piekbuien en daarmee de risico’s op wateroverlast in benedenstrooms gelegen (bebouwd) gebied te beperken. De argumentatie van het waterschap om de schuif van de waterberging niet dicht te zetten, vindt [eisers] onnavolgbaar; zij vergelijkt deze met het niet aanzetten van een airbag ‘want er kan nog een botsing komen’.

Na de buien in de periode van 31 mei 2016 tot en met 2 juni 2016 heeft het geruime tijd niet meer geregend en ontwikkelde zich een hogedrukgebied hetgeen door het KNMI ook voorspeld werd. Met deze weersverwachting had het waterschap met waterberging De Rummeling een uitstekend middel om wateroverlast te voorkomen. Hiervan heeft het waterschap geen gebruik gemaakt. Het wel of niet sluiten van de schuif heeft veel invloed, namelijk 50 of 60 kuub water wel of niet bergen. Na 2016 is geen wateroverlast meer geweest: dit komt door het beter vegen van de Sterkselse Aa ((maai)onderhoud) en door goed gebruik te maken van de waterberging, waarvan de schuif nu elektrisch bedienbaar is, aldus [eisers] .

De kantonrechter overweegt met betrekking tot de belangenafweging het volgende.

Uit de stellingen van partijen, met name hetgeen zij verklaard hebben tijdens de mondelinge behandeling, komt de kantonrechter tot de conclusie dat het waterschap weliswaar na een belangenafweging de keuze heeft gemaakt om de schuif van waterbergingsgebied De Rummeling niet dicht te zetten, maar dat bij deze belangenafweging enkel de bescherming van het dorp Sterksel is betrokken en niet de belangen van de eigenaren van de landbouwpercelen rondom het waterbergingsgebied. Het waterschap heeft dit tijdens de mondelinge behandeling als volgt verwoord: “Akkerpercelen worden niet meegenomen in de belangenafweging, er wordt niet gekeken naar omliggende percelen. De norm is: bescherming van het dorp Sterksel” en “Menselijk is de beslissing gemaakt met de focus op Sterksel: dat is het enige leidende argument geweest”.

De vraag die hierbij voorligt, is of het waterschap tijdens de extreme neerslaggebeurtenissen op 1 en 2 juni 2016 in redelijkheid de afweging kon maken om de schuif van de waterberging open te laten. Daarbij is van belang is dat niet reeds de enkele mogelijkheid van schade als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar (in dit geval overstroming) maakt dat dat gedrag onrechtmatig is. Dit is pas het geval als de mate van waarschijnlijkheid van schade als gevolg van dat gedrag zo groot is dat het waterschap, als redelijk handelend en redelijk bekwaam waterbeheerder, zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden.

De aard van het belang dat met het open laten van de schuif is gediend

Volgens het primaire verweer van het waterschap lag de focus van het calamiteitenteam op bescherming van het dorp Sterksel. Op basis van de weersvoorspellingen werd er nog een forse afvoergolf van regenwater verwacht en door het open laten staan van de schuif bleef het retentiegebied beschikbaar als buffer, aldus het waterschap. Bescherming van bebouwd gebied tegen overstroming dient inderdaad het algemeen belang en dat de focus van het calamiteitenteam van het waterschap daarop was gericht, acht de kantonrechter in lijn met zorgvuldig waterbeheer c.q. rampenbeperking.

Reële noodsituatie?

De kantonrechter zet echter haar vraagtekens bij de doelbewuste keuze van het calamiteitenteam om de schuif van waterbergingsgebied De Rummeling op “de gebruikelijke kierstand” te laten staan, zoals het waterschap heeft verklaard tijdens de mondelinge behandeling.

Het waterschap heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat deze keuze is gemaakt op basis van KNMI-radarbeelden c.q. feitelijke weerinfo die 24 uur van tevoren beschikbaar is (code geel/code oranje). Op 2 juni 2016 was in beheergebied De Dommel code oranje afgegeven en de inschatting van het calamiteitenteam was dat er wellicht meer regen zou vallen dan voorspeld, want dat was op 1 juni 2016 ook het geval geweest.

[eisers] daarentegen heeft onweersproken gesteld dat er op 2 juni 2016 geen extreme neerslag meer is gevallen en dat zijn percelen, ondanks de piekneerslag, op 1 juni 2016 nog niet overstroomd waren. Dit duidt erop dat De Rummeling en de Sterkselse Aa op 1 juni 2016 het regenwater, ondanks de kierstand van de schuif, nog kon bergen en dat het waterschap, als het destijds had besloten de schuif dicht te zetten, een extra 50 of 60 kuub water in De Rummeling had kunnen bergen.

Gesteld noch gebleken is dat het dichtzetten van de schuif, gelet op de hoge waterstand in het Sterksels Kanaal en bezien in het licht van de dreiging van wateroverlast in Sterksel, onverantwoord zou zijn.

Het kan zo zijn dat gekeken moet worden naar de kennis die op dat moment beschikbaar was en dat “op zomerse onweersbuien moeilijk valt te anticiperen” zoals het waterschap tijdens de mondelinge behandeling heeft betoogd, maar daar staat tegenover dat van het waterschap mag worden verwacht dat het, mede met behulp van de aanwezige beheerders in het veld, een duidelijk beeld heeft, althans behoort te hebben, van de hoogte van de waterstanden in het Sterksels Kanaal en de Sterkselse Aa, de mate van begroeiing in c.q. rondom de Sterkselse Aa en het gevaar van overstroming van omliggende percelen als de schuif van waterberging De Rummeling niet wordt dichtgezet bij piekneerslag in begin juni.

Door het waterschap is echter niets gesteld over de ernst van de bedreiging van overstroming voor Sterksel, of er tijd of mankracht was om de situatie ter plekke te bekijken en te beoordelen of de schuif kon worden gesloten. De schuif wordt nu elektrisch bediend, begrijpt de kantonrechter uit de gedingstukken, maar moest in 2016 nog handmatig worden gesloten. Hierdoor is het lastig te beoordelen of de keuze die het waterschap destijds heeft gemaakt om de schuif op een kierstand te laten staan, doelbewust en evenredig was.

Daarbij komt nog de onweersproken stelling van [eisers] dat in latere situaties van (nog meer) buitensporige regenval, door het waterschap wel altijd is gekozen om de schuif dicht te zetten. Dit roept de vraag op of er op 1 of 2 juni 2016 wel sprake was van een reële noodsituatie. Immers, als later bij vergelijkbare of ergere piekregenval door het waterschap wel de keuze is gemaakt om de schuif dicht te zetten, dan lijkt het op 1 of 2 juni 2016 niet dichtzetten van de schuif, overdreven of niet naar behoren ingeschat.

Dit leidt de kantonrechter tot de conclusie dat het waterschap destijds niet in redelijkheid de afweging kon maken om de schuif van de waterberging open te laten.

Met andere woorden: er was geen sprake van een gedegen belangenafweging en daarmee heeft het waterschap in strijd gehandeld met zijn zorgplicht.

Toerekenbaarheid

Het tweede vereiste voor het aannemen van een onrechtmatige daad door het waterschap is de toerekenbaarheid van de onrechtmatigheid aan het waterschap.

Ook deze voorwaarde is vervuld nu wordt aangenomen dat het waterschap als redelijk handelend en redelijk bekwaam waterbeheerder, zijn zorgplicht heeft geschonden.

Dat er sprake was van overmacht is gesteld noch gebleken.

Relativiteit

Een derde vereiste voor het aannemen van een onrechtmatige daad door het waterschap is de relativiteit. Dit vereiste is uitgewerkt in artikel 6:163 BW: “Geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden”.

Dit betekent dat de geschonden norm, in dit geval het op 1 en 2 juni 2016 open laten staan van de schuif in waterberging De Rummeling, er voor moet zorgen dat een bepaald belang (voorkomen van wateroverlast) wordt beschermd.

Het waterschap heeft in dit verband aangevoerd dat waterberging De Rummeling is aangelegd met maar één doel: bescherming van bebouwd gebied, te weten het dorp Sterksel. De percelen van [eisers] liggen namelijk in een zogenaamd normloos beekdal, dat wil zeggen dat op deze percelen voor het waterschap geen beschermingsnorm voor wateroverlast rust.

[eisers] heeft tijdens de mondelinge behandeling betwist dat in 2016 al sprake was van een normloos beekdal. Dit is in ieder geval niet van toepassing voor de percelen van [eisers] , volgens het deskundigenrapport van Nelen & Schuurmans. Hierin staat dat de geldende norm de Verordening Water (2016) van de provincie Noord-Brabant is.

Desgevraagd heeft het waterschap tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat het niet zo is dat de eigenaren van omliggende (akker)percelen bij waterberging De Rummeling niets te verwachten hebben van het waterschap, want het waterschap heeft als taak ‘het waterbergingssysteem’ toe te passen. Hoe dit moet gebeuren, is een technische discussie, aldus het waterschap. De kantonrechter zal deze discussie daarom laten voor wat die is en aannemen dat [eisers] , als eigenaar van een omliggend (akker)perceel, van het waterschap mag verwachten dat waterberging De Rummeling goed wordt toegepast. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat [eisers] aan de hand van het deskundigenbericht van Nelen & Schuurmans voldoende heeft aangetoond dat op zijn percelen wel degelijk een beschermingsnorm voor wateroverlast rust.

Causaliteit

Een vierde vereiste voor het aannemen van een onrechtmatige daad door het waterschap is causaliteit. Dit betekent dat de geleden schade moet voortvloeien uit de onrechtmatige handeling van het waterschap. Hierbij is de vraag van belang of de schade wel of niet zou zijn ontstaan wanneer de onrechtmatige handeling niet had plaatsgevonden.

Het waterschap heeft tijdens de mondelinge behandeling betwist dat er een relatie bestaat tussen het open laten van de schuif van de waterberging en de overstroming van de percelen van [eisers] op 2 juni 2016. Deze relatie is ook niet aangetoond door [eisers] . Het is volgens Nelen & Schuurmans niet vast te stellen of, en zo ja, hoeveel langer de percelen van [eisers] onder water zouden hebben gestaan als de schuif was dichtgezet. Nelen & Schuurmans stelt in het deskundigenbericht slechts dat de berging invloed lijkt te hebben gehad op de lokale waterstanden.

Volgens het waterschap waren de verzadigde bodem, in combinatie met de extreme regenval dan ook de dominante factoren die de schade bij [eisers] hebben veroorzaakt. “Daar verandert een kiertje in de berging niets aan”, aldus het waterschap. Dat de kierstand terugstroom in de Sterkselse Aa heeft veroorzaakt, wordt door het waterschap ook betwist. Tijdens de mondelinge behandeling heeft het waterschap aan de hand van een berekening toegelicht dat zelfs als de schuif helemaal open was geweest en als het volledige instroomdebiet van De Rummeling er meteen weer uit zou stromen, maar maximaal 10% van de afvoer van de Sterkselse Aa uit De Rummeling zou komen. Deze 10% (naar inschatting van het waterschap ging het om 5%) van de totale afvoer van de Sterkselse Aa is volgens berekening van het waterschap niet voldoende om de aanvoer van de Sterkselse Aa 'terug' te drukken de sifon in. De waterdruk van de overige 90-95% is hiervoor te groot.

[eisers] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat uit het door haar overgelegde memorandum van 5 april 2018 van HKV blijkt dat door de regenval 17.000 kuub extra water in de Sterkselse Aa terecht kwam die dat niet kon verwerken. Als het waterschap de schuif had dichtgezet dan had het twee vliegen in één klap geslagen, want bij het dichtzetten van de schuif was het niveau van het kanaal afgenomen en had [eisers] hiervan geprofiteerd. De Sterkselse Aa was namelijk geheel dichtgegroeid en niet geveegd, waardoor deze al dat extra water niet kon verwerken. Uit de getuigenverslagen die [eisers] in het geding heeft gebracht, blijkt dat doordat de schuif nog open stond het water direct weer uit de waterberging stroomde en eveneens in de Sterkselse Aa terecht kwam. Dit water is vervolgens in tegengestelde richting over de percelen van [eisers] gestroomd, wat te zien was aan de leemfractie (het water op de percelen van [eisers] had een gelige kleur wat erop duidde dat het afkomstig was uit het Sterksels Kanaal met stroomgebied van leemhoudende gronden). Daarenboven heeft de begroeiing van de Sterkselse Aa gezorgd voor een verdubbeling van inundatietijd, volgens Nelen & Schuurmans. Volgens [eisers] hebben zijn percelen dan ook tot 14 juni 2016 onder water gestaan.

De kantonrechter oordeelt met betrekking tot de causaliteit dat [eisers] voldoende heeft aangetoond dat door het open laten van de schuif van waterberging De Rummeling op 2 juni 2016 haar omliggende percelen zijn overstroomd, waarbij schade ontstond. Hierbij overweegt de kantonrechter het volgende

Dat de bodem van de percelen verzadigd was door de piekneerslag in de periode van 31 mei tot en met 2 juni 2016 is tussen partijen niet in geschil. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de Sterkselse Aa al dat extra regenwater niet kon verwerken, (mede) omdat door de sterke begroeiing de stroming (vrijwel) stil was gevallen.

Verder heeft [eisers] aan de hand van het memorandum van HKV onweersproken gesteld dat waterberging De Rummeling een extra 50 of 60 kuub water in De Rummeling had kunnen bergen als de schuif destijds gesloten was. De stelling dat ‘een kiertje in de berging’ niets heeft veranderd aan de schade van [eisers] , althans dat dit door [eisers] niet is aangetoond, wordt door de kantonrechter dan ook verworpen.

Ook uit het deskundigenbericht van Nelen & Schuurmans kan de stelling van het waterschap, dat de percelen van [eisers] ook als de schuif was dichtgezet zouden zijn overstroomd, niet worden afgeleid. Op pagina 32 (vetgedrukt kader bovenaan) staat daarover het volgende:

“De begroeiing van de waterlopen heeft gezorgd voor een significante toename in duur van de inundatie (3 dagen t.o.v. 1 dag in de norm-situatie). Het openzetten van de berging naar de Sterkselse Aa lijkt een significante invloed te hebben gehad op de lokale waterstanden en duur van inundatie op percelen dichtbij de uitlaat van de berging. Verder bovenstrooms lijkt dit effect overigens verwaarloosbaar. We kunnen geen kwantitatieve onderbouwing geven of de percelen geen wateroverlast hadden ervaren als de berging dicht was gezet; Dat vraagt om het uitvoeren van een volledige watersysteemtoets”.

Vaststaat dat er door de deskundige van Nelen & Schouten geen volledige watersysteemtoets is uitgevoerd en dat een schatting van de waterberekening is gemaakt op basis van een model. Dit wil echter niet zeggen dat vorenstaande conclusie door de deskundige enkel “op gevoel” is genomen en dat daarmee de relatie tussen het open laten van de schuif en het overstromen van haar percelen door [eisers] niet is aangetoond, zoals door het waterschap is betoogd.

Daarbij is mede van belang dat de stellingen van [eisers] worden ondersteund door twee getuigenverklaringen, waaruit volgt dat visueel is vastgesteld (want te zien aan de leemfractie) dat het water via de schuif uit de waterberging stroomde, in de Sterkselse Aa terecht kwam en vervolgens in tegengestelde richting over de percelen van [eisers] is gestroomd. Deze getuigenverklaringen heeft het waterschap tijdens de mondelinge behandeling niet kunnen ontkrachten met andere (getuigen)verklaringen en evenmin met een theoretische berekening die jaren later is gemaakt.

Schade

Een vierde vereiste voor het aannemen van een onrechtmatige daad door het waterschap is dat [eisers] schade heeft geleden.

Volgens [eisers] hebben haar percelen tot 14 juni 2016 onder water gestaan, waardoor haar oogst (snijmais) geheel verloren is gegaan. De gewasschade is in 2016 getaxeerd door het onafhankelijke en gecertificeerde taxatiebureau Overheul Agro uit Dronten en begroot op € 20.563,78.

Voor zover het waterschap de schade heeft betwist, omdat de taxatie “slechts een overzicht van kilogrammen en bedragen” betreft en niet aangeeft om welke percelen het gaat, wordt dit door de kantonrechter, als niet althans onvoldoende onderbouwd, verworpen.

Eigen schuld?

Nu is vastgesteld dat het waterschap onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] , is het in beginsel, nu ook aan alle andere vereisten is voldaan, schadeplichtig. Een schadevergoeding kan worden verminderd wanneer een groot deel van de schade door de burger zelf is veroorzaakt of wanneer een burger niet voldoende maatregelen heeft genomen om eventuele schade te kunnen beperken.

Het waterschap heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat het de eigen keuze is geweest van [eisers] om mais te telen in een normloos beekdal.

Verdoschot heeft in dit verband verklaard dat zij een natuurinclusief bedrijf is, en dat zij bovenmatig wordt getroffen als haar oogst verloren gaat, want dan kan zij haar status verliezen.

De kantonrechter overweegt hierover het volgende. De schade is niet veroorzaakt door [eisers] , maar door onzorgvuldig handelen van het waterschap. Gesteld noch gebleken is dat [eisers] enige schadebeperkingsmaatregelen kon nemen. Verder heeft [eisers] voldoende gemotiveerd betwist dat hij, tegen beter weten in, mais heeft geteeld op percelen in een normloos beekdal, waarop geen beschermingsnorm voor wateroverlast rust. Eigen schuld is daarom niet aan de orde.

Overige (buitengerechtelijke) kosten

[eisers] stelt dat het waterschap de volgende buitengerechtelijke kosten is verschuldigd op basis van art. 6:96 BW, omdat deze kosten zijn gemaakt ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid:

1. Kosten taxatierapport Overheul Agro : € 2.904,00,

2. Kosten deskundigenrapport Nelen & Schuurmans : 50% van € 23.695,- = € 11.847,50,

3. Wettelijke rente over gewasschade, te berekenen vanaf 1 juni 2016 (de datum van de onrechtmatige daad van het waterschap), dan wel vanaf 7 april 2025 (de dag waarop deze dagvaarding aan het waterschap is betekend),

4. Buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten : € 980,78.

Totaal : € 15.732,28

Het waterschap stelt zich op het standpunt dat deze kosten niet toewijsbaar zijn.

De kantonrechter overweegt hierover het volgende.

Kosten deskundigen (1 en 2)

Volgens vaste rechtspraak is voor vergoeding van kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b BW, vereist dat:

( a) een condicio sine qua non-verband bestaat tussen de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis en de kosten;

( b) de kosten in zodanig verband staan met die gebeurtenis dat zij, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, aan de aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend;

( c) het redelijk was om in verband met een onderzoek naar de mogelijke gevolgen van die gebeurtenis deskundige bijstand in te roepen; en

( d) de daartoe gemaakte kosten redelijk zijn.

Voor vergoeding van de hier bedoelde kosten is echter niet vereist dat uiteindelijk komt vast te staan dat schade is geleden (vgl. HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7423).

Beslissend is of het redelijke kosten zijn en deze in redelijkheid zijn gemaakt. De kantonrechter oordeelt, bij gebrek aan een gedegen onderbouwde betwisting door het waterschap, dat dit het geval is. De gevorderde deskundigenkosten zijn dus toewijsbaar.

Buitengerechtelijke kosten (4)

Ook bij de door [eisers] gevorderde “buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten” is beslissend of het redelijke kosten zijn en deze in redelijkheid zijn gemaakt.

Nu onvoldoende gesteld of gebleken is dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht die meer hebben omvat dat het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier, zullen deze worden afgewezen.

Gemaakte gerechtelijke kosten vallen onder de proceskosten en zullen worden toegewezen zoals in de beslissing is vermeld.

Wettelijke rente over gewasschade (3)

De wettelijke rente over de gewasschade is toewijsbaar vanaf 2 juni 2016, te weten de datum waarop de percelen van [eisers] zijn geïnundeerd.

Beperking vordering

[eisers] heeft haar vordering op het waterschap beperkt tot € 24.999,- om behandeling door de kantonrechter mogelijk te maken. Zij heeft daarin geen onderscheid gemaakt tussen de hoofdsom en de buitengerechtelijke kosten. Ook heeft zij in haar petitum geen wettelijke rente over de gewasschade (hoofdsom) gevorderd.

De bevoegdheidsgrens van de kantonrechter (artikel 93 Rv) ziet echter op de hoofdsom van de vordering, de tot aan de dag der dagvaarding verschenen rente daaronder begrepen. De posten (overige) wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten worden gezien als nevenvorderingen en mag de kantonrechter bovenop het bedrag aan hoofdsom toewijzen, ook als het totaal daardoor boven de € 25.000,00 komt. De rechter mag echter niet meer toewijzen dan is gevorderd. Dit betekent dat de vordering van [eisers] zal worden toegewezen zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Proceskosten

Het waterschap is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

122,35

- griffierecht

1.461,00

- salaris gemachtigde

1.154,00

(2 punten × € 577,00)

- nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.881,35

5. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt het waterschap tot betaling aan [eisers] van een schadevergoeding van € 24.999,00,

veroordeelt het waterschap in de proceskosten van € 2.881,35, te vermeerderen met de kosten van betekening als het vonnis aan het waterschap wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.F.M.T. Franke en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand