ECLI:NL:RBOBR:2026:2717

ECLI:NL:RBOBR:2026:2717

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 30-04-2026
Datum publicatie 29-04-2026
Zaaknummer SHE 24/3812 E
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Herziening, terugvordering en invordering van te veel ontvangen WIA-uitkering. Boete. Schending inlichtingenplicht. Werkzaamheden verricht die op geld gewaardeerd kunnen worden. Blijkt uit combinatie van hoeveelheid hennep en hoge bedrag aan contact geld in de woning van eiser en de afvalzakken met wortels, resten en plantjes in zijn auto.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

[eiser], uit [woonplaats], eiser

Samenvatting

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 24/3812 E

uitspraak na tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 in de zaak tussen

(gemachtigde: [naam]),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: [naam]).

1. Deze uitspraak gaat over de herziening, terugvordering en invordering van te veel ontvangen WIA-uitkering van eiser en een boete die het UWV aan hem heeft opgelegd, omdat hij zich niet zou hebben gehouden aan de informatieverplichting. Eiser is het daar niet mee eens. Hij vindt dat niet vaststaat dat hij inkomsten heeft gehad naast zijn WIA-uitkering en dat het UWV daarom ten onrechte de WIA-uitkering heeft teruggevorderd en een boete heeft opgelegd.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV het gebrek in het bestreden besluit heeft hersteld. Het beroep is vanwege dat gebrek gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat de herziening, terugvordering en invordering van de uitkering en de boete ongewijzigd blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Eiser ontvangt sinds 3 juli 2017 een WIA-uitkering. Met het besluit van 14 maart 2024 heeft het UWV de WIA-uitkering over de periode van 20 juni 2021 tot en met 31 juli 2021 herzien en teruggevorderd. Het gaat om een bedrag van € 3.725,82 bruto. Daarnaast heeft het UWV met het besluit van 15 maart 2024 een boete opgelegd. Deze bedraagt 50% van het teruggevorderde bedrag (€ 1.862,91). Het UWV heeft deze bedragen vervolgens met de besluiten van 18 maart 2024 ingevorderd.

Eiser heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Met het besluit van 24 september 2024 (het bestreden besluit) heeft het UWV de bezwaren ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan. De rechtbank heeft eiser verzocht om het beroep op betalingsonmacht verder toe te lichten aan de hand van het bijgevoegde formulier. Eiser heeft dat niet gedaan. Daarom heeft de rechtbank het beroep op betalingsonmacht afgewezen.

Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van eiser en het UWV deelgenomen.

In de tussenuitspraak van 18 november 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het UWV in de gelegenheid gesteld het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van de overwegingen in de tussenuitspraak.

Het UWV heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak de motivering van het bestreden besluit gewijzigd.

Eiser is in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.

De rechtbank heeft bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. Voor een uitgebreide(re) weergave van de feiten, de standpunten van partijen (tot het moment van de tussenuitspraak) en het beoordelingskader verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. Van dit laatste is hier geen sprake.

De gewijzigde motivering van het bestreden besluit

4. Het UWV stelt zich op het standpunt dat er op basis van de onderzoeksfeiten sprake is van op geld waardeerbare activiteiten. Eiser heeft geen deugdelijke administratie van deze activiteiten gevoerd, waardoor het UWV geen concrete schatting van zijn inkomsten kan maken. Omdat de hoogte van de uitkering niet te bepalen is, komt deze niet tot uitbetaling in de betrokken periode van 20 juni tot 1 augustus 2021. Daarom is de gehele uitkering over die periode ingetrokken en is volgens het UWV terecht een boete opgelegd. Het UWV betrekt hierbij dat uit onderzoek blijkt dat er hennepactiviteiten zijn geweest bij eiser thuis en in zijn auto. Er is mogelijk geen opbrengst geweest, maar uit de grote hoeveelheid hennep bij hem thuis, de materialen en de grote, onverklaarbare hoeveelheid cash in zijn woning blijkt dat eiser wel op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Hij heeft het UWV niet over deze activiteiten ingelicht, terwijl hij dat wel verplicht was.

De redenen voor de beslissing van de rechtbank

5. De rechtbank is van oordeel dat het UWV aannemelijk heeft gemaakt dat in de periode van 20 juni tot 1 augustus 2021 sprake is geweest van op geld waardeerbare werkzaamheden van eiser. Die werkzaamheden blijken voldoende uit de combinatie van de hoeveelheid hennep en het hoge bedrag aan contant geld in de woning van eiser en de afvalzakken met wortels, resten en plantjes hennep in zijn auto. Eiser heeft tegen de onderzoeker van het UWV gezegd dat kan worden uitgegaan van de periode van 20 juni tot 1 augustus 2021. Eiser had het UWV over die werkzaamheden moeten inlichten. Dat heeft hij niet gedaan en daardoor heeft hij de inlichtingenplicht geschonden. Dat eiser naar zijn zeggen geen inkomsten heeft gehad, maakt dat niet anders. Voor het recht op uitkering is van belang of iemand werkzaamheden verricht die op geld gewaardeerd kunnen worden. Daarbij maakt het niet uit of die werkzaamheden daadwerkelijk tot inkomsten leiden.

Verder oordeelt de rechtbank dat het terecht is dat het UWV de uitkering van eiser over de betrokken periode heeft ingetrokken. Het UWV kan de hoogte van de uitkering over die periode immers niet bepalen doordat eiser geen concrete verifieerbare en relevante gegevens van zijn inkomsten heeft verstrekt. Hij heeft dus ook niet aannemelijk gemaakt dat hij geen inkomsten heeft gehad. Dat komt voor zijn eigen rekening en risico.

De rechtbank ziet geen dringende redenen waardoor het UWV van terugvordering zou moeten afzien. Eiser heeft die ook niet aangevoerd.

Omdat eiser kan worden verweten dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden, is het ook terecht dat er een boete is opgelegd.

Conclusie en gevolgen

6. Omdat in de tussenuitspraak een gebrek is geconstateerd, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het UWV heeft het gebrek in zijn reactie op de tussenuitspraak hersteld. Daarom laat de rechtbank de rechtgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat de herziening, terugvordering en invordering van de te veel ontvangen WIA-uitkering en de boete ongewijzigd blijven.

Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Het UWV moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934), bij een wegingsfactor 1. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868. Daarnaast moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van

mr. Y. Mutsaers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G. de Jong

Griffier

  • mr. Y. Mutsaers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand