RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.069343.24
Datum uitspraak: 30 april 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1991] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 maart 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van feit 1:
hij op of één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2023 tot en met 8 maart 2024 te Eindhoven en/of Helmond en/of Veghel, althans in Nederland,
als ambtenaar, namelijk als buitengewoon opsporingsambtenaar bij de gemeente Helmond en/of gemeente Meierijstad,
(telkens) een gift en/of belofte, te weten een of meer geldbedragen (van in totaal 1600 euro), heeft aangenomen,
wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem, verdachte, werd gedaan of aangeboden
(telkens) teneinde hem te bewegen om, al dan niet in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten en/of
(telkens) ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, al dan niet in strijd met zijn plicht, in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten, te weten het
bevragen en/of raadplegen van aan (een) kenteken(s) gekoppelde gegevens in (een) applicatie(s) en/of het kentekenregister en/of het verstrekken en/of het bekend maken van die gegevens aan een of meer onbevoegde derden;
Ten aanzien van feit 2:
hij op of één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2023 tot en met 8 maart 2024 te Veghel en/of Helmond en/of Eindhoven, in elk geval in Nederland,
(telkens) opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten
- een of meer servers houdende gegevens van de applicatie [applicatie 1] en/of
- een of meer servers houdende gegevens van de applicatie [applicatie 2] en/of
- een of meer servers houdende gegevens van de applicatie [applicatie 3] ,
is binnengedrongen door met behulp van valse signalen of een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van inloggegevens, aan welk gebruik geen dienstbelang ten grondslag lag en/of tot welk gebruik hij niet gerechtigd was en/of door het aannemen van een valse hoedanigheid
en hij vervolgens de gegevens die waren opgeslagen, werden verwerkt of werden overgedragen door middel van voornoemd geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevond voor zichzelf en/of een ander heeft overgenomen, afgetapt en/of opgenomen, terwijl hij, als ambtenaar, door het begaan van dat strafbare feit een bijzondere ambtsplicht heeft geschonden en/of bij het begaan van dat strafbare feit gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken;
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Het bewijs.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie opgemerkt dat in ieder geval de 46 bevragingen buiten werktijd bewezen kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman de vraag gesteld in hoeverre de bevragingen van verdachte tijdens werktijd computervredebreuk opleveren.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen op grond van de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:
Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt.
De bevragingen tijdens werktijd.
Ten aanzien van de bevragingen van verdachte tijdens werktijd overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van rechtspraak van de Hoge Raad is een valse sleutel ook een toegangscode en wachtwoord indien daarmee toegang wordt verschaft tot een geautomatiseerd werk waartoe weliswaar een autorisatie bestond, maar men zich de toegang slechts mocht verschaffen voor de uitoefening van een bepaalde (wettelijke) taak of bepaalde werkzaamheden. Verdachte was weliswaar geautoriseerd voor het gebruik van de applicaties (en tussenliggende servers) waarmee kentekengegevens kunnen worden geraadpleegd en hij beschikte daartoe over de noodzakelijke inloggegevens, maar met de bevragingen die hij deed voor medeverdachte [medeverdachte] gebruikte hij die inloggegevens voor een ander doel dan voor de uitoefening van zijn werkzaamheden als boa. Verdachte heeft op die momenten zijn autorisatie misbruikt en de inloggegevens kwalificeren om die reden op die momenten, tijdens en na werktijd, als valse sleutel. Bij bevragingen die verdachte tijdens werktijd voor medeverdachte [medeverdachte] uitvoerde was er naar het oordeel van de rechtbank dus eveneens sprake van opzettelijk en wederrechtelijk binnendringen van een geautomatiseerd werk door middel van een valse sleutel. De rechtbank acht de ten laste gelegde computervredebreuk daarom in zijn geheel bewezen.
De bewezenverklaring.
is binnengedrongen door met behulp van valse signalen of een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van inloggegevens, aan welk gebruik geen dienstbelang ten grondslag lag en hij vervolgens de gegevens die waren opgeslagen, werden verwerkt of werden overgedragen door middel van voornoemd geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevond voor een ander heeft overgenomen, terwijl hij, als ambtenaar, door het begaan van dat strafbare feit een bijzondere ambtsplicht heeft geschonden en bij het begaan van dat strafbare feit gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
Ten aanzien van feit 1:
in de periode van 7 februari 2023 tot en met 8 maart 2024 in Nederland, als ambtenaar, namelijk als buitengewoon opsporingsambtenaar bij de gemeente Helmond en/of gemeente Meierijstad, (telkens) een gift, te weten geldbedragen (van in totaal 1600 euro), heeft aangenomen, wetende dat deze hem, verdachte, werd gedaan (telkens) teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen telkens ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem in zijn huidige bediening is gedaan, te weten het bevragen en/of raadplegen van aan kentekens gekoppelde gegevens in applicaties en het verstrekken en het bekend maken van die gegevens aan een onbevoegde derde;
Ten aanzien van feit 2:
in de periode van 7 februari 2023 tot en met 8 maart in Nederland, telkens opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten
- servers houdende gegevens van de applicatie [applicatie 1] en
- servers houdende gegevens van de applicatie [applicatie 2] en
- servers houdende gegevens van de applicatie [applicatie 3] ,
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van 15 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie de bijkomende straf van een ambtsverbod voor de duur van 75 maanden gevorderd. De officier van justitie heeft hierbij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft gevraagd rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Verder heeft de raadsman erop gewezen dat de bewezenverklaarde feiten veel impact hebben gehad op verdachte. Hij is in het bijzijn van zijn collega’s aangehouden, is zijn baan verloren en had daardoor een periode geen inkomen. Inmiddels heeft verdachte een vast contract bij een nieuwe werkgever. Daarnaast heeft verdachte de komende maanden een volle planning voor zijn werk als MC in de muziekwereld. Verdachte heeft een relatie en is een belangrijk persoon voor het kind van zijn partner. Door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal verdachte alle stabiliteit die hij in de afgelopen twee jaar heeft opgebouwd kwijtraken. De raadsman heeft daarom verzocht een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een maximale taakstraf van 240 uur op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten.
Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim een jaar in zijn hoedanigheid als ambtenaar, meermalen schuldig gemaakt aan omkoping en computervredebreuk. Verdachte heeft veelvuldig op verzoek van medeverdachte [medeverdachte] niet werkgerelateerde kentekens opgezocht via de applicatie die werd gebruikt bij de gemeente waar hij werkzaam was en waartoe verdachte ten behoeve van de uitvoering van zijn werkzaamheden toegang had. De aan de kentekens gekoppelde (persoons)gegevens, waaronder namen en woonadressen, werden vervolgens verstrekt aan medeverdachte [medeverdachte] . Verdachte stuurde na elke bevraging een betaalverzoek naar medeverdachte [medeverdachte] in lijn met de daarover met hem gemaakte afspraken. De afspraak was dat medeverdachte [medeverdachte] aan verdachte € 20,- per kenteken zou betalen en later is dit bedrag verhoogd naar € 30,- per kenteken. Bij het betaalverzoek plaatste verdachte omschrijvingen zoals ‘eten’, ‘spullen’, ‘benzine’ of ‘drankjes’. Verdachte heeft bij de politie meerdere keren verklaard dat hij niet wist dat hij deze bevragingen niet mocht doen en dat hij geen geld had ontvangen voor de bevragingen. Ter terechtzitting heeft verdachte pas bekend dat hij wist dat de bevragingen op verzoek van, en het doorsturen van die gegevens aan medeverdachte [medeverdachte] niet waren toegestaan en dat hij wel degelijk betaald was voor de bevragingen.
De integriteit van de overheid en van ambtenaren die in dienst staan van de overheid is van fundamenteel belang voor de democratische rechtsstaat. Ambtenaren kunnen vaak over een grote hoeveelheid gevoelige persoonsgegevens beschikken. Zowel de samenleving als de overheid moeten er op kunnen vertrouwen dat ambtenaren op een integere wijze omgaan met deze gegevens en verdachte heeft hiertoe ook de ambtseed afgelegd. Verdachte heeft dit vertrouwen ernstig geschaad. Door op bestelling kentekens te bevragen en de persoonsgegevens van de desbetreffende kentekenhouders te verstrekken aan een derde heeft verdachte voor eigen financieel gewin misbruik gemaakt van zijn positie.
Bovendien heeft verdachte door zijn handelen mogelijk verschillende mensen in groot gevaar gebracht. De informatie die hij verstrekte (NAW-gegevens), kan in handen van de verkeerde personen immers grote gevolgen hebben. Uit het dossier volgt dat het verstrekken van (persoons)gegevens door verdachte in één geval mogelijk heeft bijgedragen aan de uitvoering van een ernstig misdrijf. Op het adres van de kentekenhouder van een van de bevraagde kentekens heeft namelijk enkele dagen na de bevraging van het kenteken door verdachte een explosie plaatsgevonden. De bevraging van dat kenteken is ook aangetroffen op de telefoon van degene die wordt verdacht van het veroorzaken van die explosie. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij dacht dat medeverdachte [medeverdachte] de kentekengegevens opvroeg voor zijn autobedrijf en dat hij niet wist dat er dergelijk ernstige feiten gepleegd zouden kunnen worden met de door hem verstrekte informatie. Verdachte heeft die door hem veronderstelde achtergrond van de bevragingen evenwel niet van medeverdachte [medeverdachte] zelf vernomen, sterker nog, verdachte heeft hem hier zelfs nooit naar gevraagd. Verdachte heeft zich dus op zijn minst bewust onwetend gehouden over de reden en achtergrond van de verzoeken om informatie. Gelet op de hoeveelheid kentekens die bevraagd zijn en berichten van medeverdachte [medeverdachte] aan verdachte dat er nog vijf en tien mensen wachtten (zoals de rechtbank begrijpt: op een kentekenbevraging), acht de rechtbank deze verklaring over de achtergrond van de aanvragen door medeverdachte [medeverdachte] ongeloofwaardig. Dit alles tezamen met het gemak waarmee verdachte de bevragingen steeds uitvoerde, het feit dat hij heeft geprobeerd om sporen van de bevragingen te wissen door berichten in zijn telefoon te verwijderen en bij de betaalverzoeken maskerende omschrijvingen te plaatsen en het feit dat hij niet uit eigen beweging is gestopt met deze gedragingen, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
De persoon van verdachte.
Verdachte is niet eerder veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Verdachte is voor de ogen van zijn collega’s aangehouden en hij is zijn baan verloren. Ook hebben de drie dagen die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht veel indruk op verdachte gemaakt. Hij heeft geen familie in Nederland om hem te ondersteunen en zijn relatie heeft onder de gevolgen van de inmiddels bewezenverklaarde feiten geleden. Verdachte heeft in de afgelopen twee jaar weer een stabiel leven opgebouwd. De rechtbank weegt deze omstandigheden mee bij het bepalen van de op te leggen straf.
De redelijke termijn.
De rechtbank constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM bij uitspraak met ruim drie weken overschreden is. De rechtbank zal deze overschrijding meewegen bij de strafoplegging.
De op te leggen straf.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met alle hiervoor genoemde omstandigheden. Daarnaast heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij straffen die door andere rechtbanken of gerechtshoven in soortgelijke zaken zijn opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andere of lichtere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een forse taakstraf, zoals de verdediging heeft verzocht, zou geen recht doen aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden is. De rechtbank legt deze straf voor een gedeelte voorwaardelijk op om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet, mede gelet op het tijdsverloop waarin geen sprake is van nieuwe strafbare feiten, geen reden om een langere proeftijd op te leggen.
Verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten gepleegd in zijn hoedanigheid als ambtenaar bij de gemeenten Helmond en Meierijstad. Gelet op de grove wijze waarop verdachte misbruik heeft gemaakt van zijn positie als boa is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte als bijkomende straf een verbod moet worden opgelegd om het ambt van ambtenaar uit te oefenen. De rechtbank legt daarom ook een ambtsverbod op voor de duur van vijf jaren.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 44, 57, 138ab en 363 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
Ten aanzien van feit 1:
als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van feit 2:
computervredebreuk, terwijl de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen, worden verwerkt en worden overgedragen door middel van het geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt, voor een ander overneemt, meermalen gepleegd.
- verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
- legt op de volgende straf:
Ten aanzien van feit 1 en feit 2:
een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 5 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
- legt op de volgende bijkomende straf:
Ten aanzien van feit 1 en feit 2:
een ontzetting van het recht het beroep van ambtenaar te bekleden voor de duur van 5 jaren.
De rechtbank geeft het Openbaar Ministerie op grond van artikel 6:3:14, eerste lid, onder c, van het Wetboek van Strafvordering opdracht toezicht te houden op de naleving van dit beroepsverbod.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.H. Schepers, voorzitter,
mr. M.M.L.A.T. Doll en B.A.R. Janssen, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N. Slingerland, griffier,
en is uitgesproken op 30 april 2026.