RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.069343.24 (ontneming)
Datum uitspraak: 30 april 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1991] ,
wonende te [adres] ,
hierna: veroordeelde.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 april 2026.
De vordering van de officier van justitie.
De vordering van de officier van justitie van 19 maart 2026 strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.600,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van veroordeelde heeft zich ten aanzien van de ontnemingsvordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank stelt vast dat de vordering tijdig is ingediend.
De meervoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant heeft veroordeelde bij vonnis van 30 april 2026 in de hoofdzaak onder genoemd parketnummer veroordeeld voor de volgende feiten:
Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde feiten of andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank acht aannemelijk dat de bewezenverklaarde misdrijven ertoe hebben geleid dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel verkregen heeft. In het financieel onderzoek dat is uitgevoerd door de Rijksrecherche wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde geschat op € 1.600,00. Veroordeelde heeft ter terechtzitting verklaard dat deze berekening klopt.
De bewijsmiddelen.
De rechtbank is uitgegaan van de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:
De opbrengsten.
Veroordeelde heeft in de periode van 7 februari 2023 tot en met 8 maart 2024 in opdracht van medeveroordeelde [medeverdachte] meermalen kentekens bevraagd via applicaties waar hij als boa toegang toe had. In deze periode is er 46 keer een betaling gedaan vanaf de bankrekening van medeveroordeelde [medeverdachte] naar de bankrekening van veroordeelde. In totaal is er een bedrag van € 1.600,00 overgeboekt naar veroordeelde. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat al deze betalingen betrekking hadden op de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank gaat daarom uit van een opbrengst voor veroordeelde van € 1.600,00.
De kosten.
Veroordeelde heeft de kentekens bevraagd met gebruikmaking van bedrijfsmiddelen (mobiele telefoon en applicaties van zijn werk). Uit onderzoek is niet gebleken dat het gebruik van deze middelen tot kosten voor veroordeelde hebben geleid. Veroordeelde en zijn raadsman hebben ook geen kosten aangedragen die in minder zouden moeten worden gebracht op de opbrengst. De rechtbank zal dan ook geen bedrag in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De conclusie.
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 1.600,00.
De rechtbank zal daarom aan veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van € 1.600,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank zal de duur van de gijzeling, die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd, bepalen op 16 dagen.
Toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 1.600,00 (zestienhonderd euro);
- legt aan [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 1.600,00 (zestienhonderd euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij, door middel van of uit de baten van de feiten ter zake waarvan hij is veroordeeld, heeft verkregen;
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 16 dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.H. Schepers, voorzitter,
mr. M.M.L.A.T. Doll en B.A.R. Janssen, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N. Slingerland, griffier,
en is uitgesproken op 30 april 2026.