RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.069365.24
Datum uitspraak: 30 april 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1990] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 9 maart 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van feit 1:
hij op of één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2023 tot en met 8 maart 2024 te Tilburg, in elk geval in Nederland,
een ambtenaar, namelijk [medeverdachte] , bijzonder opsporingsambtenaar bij de gemeente Helmond en/of gemeente Meierijstad,
(telkens) een gift en/of belofte, te weten een of meer geldbedragen (van in totaal 1600 euro), heeft gedaan,
(telkens) met het oogmerk om die ambtenaar te bewegen in zijn bediening, al dan niet in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten en/of
(telkens) ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door die ambtenaar in zijn huidige of vroegere bediening is gedaan of nagelaten, te weten het (telkens)
bevragen en/of raadplegen van aan (een) kenteken(s) gekoppelde gegevens in (een) applicatie(s) en/of het kentekenregister en/of het verstrekken en/of het bekend maken van die gegevens aan hem, verdachte en/of een of meer onbevoegde derden;
Ten aanzien van feit 2:
hij op of omstreeks 8 april 2024 te Tilburg, in elk geval in Nederland,
een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was,
namelijk een gasdruk pistool
voorhanden heeft gehad;
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Het bewijs.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen op grond van de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:
Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
Ten aanzien van feit 1:
in de periode van 7 februari 2023 tot en met 8 maart 2024 in Nederland, een ambtenaar, namelijk [medeverdachte] , bijzonder opsporingsambtenaar bij de gemeente Helmond en/of gemeente Meierijstad, telkens een gift, te weten geldbedragen (van in totaal 1600 euro), heeft gedaan, telkens met het oogmerk om die ambtenaar te bewegen in zijn bediening iets te doen en ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door die ambtenaar in zijn huidige bediening is gedaan, te weten het telkens bevragen en/of raadplegen van aan kentekens gekoppelde gegevens in applicaties en het verstrekken en het bekend maken van die gegevens aan hem, verdachte;
Ten aanzien van feit 2:
hij op 8 april 2024 te Tilburg, een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een gasdruk pistool, voorhanden heeft gehad.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 3 jaren. De officier van justitie heeft hierbij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft gevraagd rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Verder heeft de raadsman erop gewezen dat verdachte een zogenoemde ‘first offender’ is en dat hij vanaf het begin openheid van zaken heeft gegeven. Daarnaast is verdachte kostwinner voor zijn gezin. De raadsman heeft verzocht een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een forse taakstraf op te leggen. Tot slot heeft de raadsman verzocht een proeftijd van 2 jaren op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten.
Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim een jaar meermalen schuldig gemaakt aan omkoping van een ambtenaar. Verdachte plaatste in Telegramgroepen advertenties inhoudende dat hij (tegen betaling van € 80,-) via een kenteken de gegevens van de eigenaar van dat voertuig kon achterhalen. Voor de aanvragen die hij via Telegram kreeg, benaderde hij medeverdachte [medeverdachte] , een boa bij de gemeenten Helmond en Meierijstad, om vertrouwelijke informatie in de systemen van de gemeenten te raadplegen. In ruil voor die informatie stuurde medeverdachte [medeverdachte] betaalverzoeken, die veroordeelde op zijn beurt betaalde. Verdachte betaalde aan medeverdachte [medeverdachte] in het begin € 20,- per kenteken en later is dit bedrag verhoogd naar € 30,- per kenteken.
Omkoping van een ambtenaar is een ernstig strafbaar feit. Met zijn handelen heeft verdachte het publiek vertrouwen in de overheid geschaad. Zijn handelen levert ook een bedreiging op voor de integriteit van handhavers in het algemeen. Bovendien heeft verdachte door zijn handelen mogelijk verschillende mensen in groot gevaar gebracht. De informatie die hij verstrekte (NAW-gegevens), kan in handen van de verkeerde personen immers grote gevolgen hebben. Uit het dossier volgt dat het verstrekken van (persoons)gegevens door verdachte in zeker één geval mogelijk heeft bijgedragen aan de uitvoering van een ernstig misdrijf. Op het adres van de kentekenhouder van een van de bevraagde kentekens heeft namelijk enkele dagen na de bevraging van het kenteken door medeverdachte [medeverdachte] een explosie plaatsgevonden. De bevraging van dat kenteken is ook aangetroffen op de telefoon van degene die wordt verdacht van het veroorzaken van die explosie. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet stil heeft gestaan bij de mogelijke gevaarzetting van het verstrekken van (persoons)gegevens aan veelal onbekende aanvragers. Los van het feit of verdachte zich er daadwerkelijk van bewust was of niet, kunnen de (persoons)gegevens zoals die door verdachte werden verstrekt voor crimineel gebruik van grote waarde zijn. Alle personen die bij het illegaal bevragen en verstrekken van die informatie zijn betrokken, spelen daarbij een onmisbare rol. Bij dit alles is van belang dat verdachte, zoals hij ter zitting heeft verklaard, enkel oog heeft gehad voor zijn eigen financieel gewin.
De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij vanaf het eerste verhoor openheid van zaken heeft gegeven.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapengelijkend voorwerp, namelijk een gasdrukpistool. Het voorhanden hebben van voorwerpen die lijken op een echt vuurwapen kan een onaanvaardbaar risico voor de samenleving en de veiligheid van personen opleveren.
De persoon van verdachte.
Verdachte is niet eerder veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Daarnaast hebben de dagen die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht veel indruk op hem gemaakt. Verdachte is de kostwinner voor zijn gezin en heeft een stabiel leven opgebouwd voor zijn vrouw en drie kinderen. De rechtbank weegt deze omstandigheden in het voordeel van verdachte mee bij het bepalen van de op te leggen straf.
De redelijke termijn.
De rechtbank constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM bij uitspraak met ruim drie weken overschreden is. De rechtbank zal deze overschrijding meewegen bij de strafoplegging.
De op te leggen straf.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met alle hiervoor genoemde omstandigheden. Daarnaast heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij straffen die door andere rechtbanken of gerechtshoven in soortgelijke zaken zijn opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andere of lichtere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een forse taakstraf, zoals de verdediging heeft verzocht, zou geen recht doen aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. De rechtbank legt deze straf voor een gedeelte voorwaardelijk op om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet, mede gelet op het tijdsverloop waarin zich ook geen nieuwe strafbare feiten hebben voorgedaan, geen reden om een langere proeftijd op te leggen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 177 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
Ten aanzien van feit 1:
aan een ambtenaar een gift of belofte doen dan wel een dienst verlenen of aanbieden met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van feit 2:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
- verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
- legt op de volgende straf:
Ten aanzien van feit 1 en feit 2:
een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.H. Schepers, voorzitter,
mr. M.M.L.A.T. Doll en B.A.R. Janssen, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N. Slingerland, griffier,
en is uitgesproken op 30 april 2026.