RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.069365.24 (ontneming)
Datum uitspraak: 30 april 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1990] ,
wonende te [adres] ,
hierna: veroordeelde.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 april 2026.
De vordering van de officier van justitie.
De vordering van de officier van justitie van 3 maart 2026 strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.559,50 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van veroordeelde heeft zich ten aanzien van de ontnemingsvordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank stelt vast dat de vordering tijdig is ingediend.
De meervoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant heeft veroordeelde bij vonnis van 30 april 2024 in de hoofdzaak onder genoemd parketnummer onder meer veroordeeld voor het volgende feit:
- aan een ambtenaar een gift of belofte doen dan wel een dienst verlenen of aanbieden met het oogmerk om hem te bewegen in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd.
Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit de baten van de bewezenverklaarde feiten of andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank acht aannemelijk dat het bewezenverklaarde misdrijf ertoe heeft geleid dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel verkregen heeft. In het financieel onderzoek dat is uitgevoerd door de Rijksrecherche wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde geschat op € 2.559,50. Veroordeelde heeft ter terechtzitting verklaard dat deze berekening klopt.
De bewijsmiddelen.
De rechtbank is uitgegaan van de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:
De opbrengsten.
Veroordeelde heeft in de periode van 7 februari 2023 tot en met 8 maart 2024 advertenties geplaatst in Telegramgroepen met de boodschap dat hij (tegen betaling) via een kenteken de gegevens van de eigenaar van dat voertuig kon achterhalen. Voor deze aanvragen benaderde hij medeveroordeelde [medeverdachte] , een boa, om vertrouwelijke informatie in de systemen van de gemeente te raadplegen. In ruil voor die informatie stuurde de medeveroordeelde betaalverzoeken, die veroordeelde op zijn beurt betaalde.
Veroordeelde heeft voor zijn aanvragen betaald gekregen via zijn bankrekening en via cryptocurrency (Bitcoinwallet). Via zijn bankrekening is er € 890,00 aan hem betaald. Hiervan heeft veroordeelde vervolgens € 360,00 betaald aan medeverdachte [medeverdachte] . Aannemelijk is dat die € 360,00 15 bevragingen betrof (€ 20,00 per bevraging tot en met 22 november 2023 en € 30,00 per bevraging na die periode).
In totaal zijn er 16 transacties verricht naar de Bitcoinwallet van veroordeelde. Het totaalbedrag hiervan bedroeg USD 1.627,57. Bij een gemiddelde koers van de USD over 2023 en 2024 (tot en met juli) kwam dit omgerekend neer op € 1.507,01. Hiervan betaalde veroordeelde € 620,00 aan medeveroordeelde [medeverdachte] , waarbij het aannemelijk is dat dit 19 bevragingen betrof (€ 30,00 dan wel € 40,00 per bevraging).
De gemiddelde vergoeding per bevraging voor veroordeelde bedroeg dus € 70,50
(€ 2.397,01/34 bevragingen).
Uit het aantal betalingen dat door veroordeelde aan medeveroordeelde [medeverdachte] is verricht is aannemelijk geworden dat er door de medeveroordeelde (in ieder geval) 59 kentekens zijn bevraagd voor veroordeelde. Gelet daarop gaat de rechtbank ervan uit dat veroordeelde voor het ‘doorverkopen’ van 59 kentekengegevens een opbrengst heeft gehad van € 4.159,50
(€ 70,50 x 59 bevragingen).
De kosten.
Veroordeelde heeft voor de kentekenbevragingen 46 keer een betaling gedaan vanaf zijn bankrekening naar de bankrekening van medeveroordeelde [medeverdachte] . In totaal is er een bedrag van € 1.600,00 betaald. De rechtbank zal dit bedrag in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Conclusie.
Na aftrek van de kosten stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 2.559,50 (€ 4.159,50 - € 1.600,00).
De rechtbank zal daarom aan veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van € 2.559.50 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank zal de duur van de gijzeling, die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd, bepalen op 25 dagen.
Toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 2.559,50 (tweeduizend vijfhonderd negenenvijftig euro en vijftig eurocent);
- legt aan [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 2.559,50 (tweeduizend vijfhonderd negenenvijftig euro en vijftig eurocent), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij, door middel van of uit de baten van het feit ter zake waarvan hij is veroordeeld, heeft verkregen.
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 25 dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.H. Schepers, voorzitter,
mr. M.M.L.A.T. Doll en B.A.R. Janssen, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N. Slingerland, griffier,
en is uitgesproken op 30 april 2026.