RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.047913.24
Datum uitspraak: 30 april 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1971] ,
wonende te [adres ]
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 maart 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van feit 1:
hij, in of omstreeks de periode van 02 oktober 2017 tot en met 01 oktober 2019 te Boxtel,
met [slachtoffer] , geboren op [2003] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt,
buiten echt,
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten:
- het brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] ;
Ten aanzien van feit 2:
hij, in of omstreeks de periode van 02 oktober 2017 tot en met 01 oktober 2019 te Boxtel,
met [slachtoffer] , geboren op [2003] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,
buiten echt,
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten:
- het betasten van de (ontblote) penis en het (ontblote) lichaam van die [slachtoffer] ,
- het in zijn, verdachtes, mond brengen en houden van de penis van die [slachtoffer] ,
- het laten brengen en houden van de penis van die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, anus.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Het bewijs.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde. Volgens de officier is weliswaar de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar en bevat het dossier voldoende steunbewijs, maar er kan niet buiten gerede twijfel worden vastgesteld dat [slachtoffer] nog geen 16 jaar oud was ten tijde van de ten laste gelegde handelingen.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het ten laste gelegde. Volgens de raadsman is er niet voldoende steunbewijs en bestaat er daarnaast onduidelijkheid over de leeftijd van [slachtoffer] ten tijde van de ontmoeting.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
Het juridisch kader.
In zedenzaken zijn doorgaans slechts twee personen aanwezig bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Als de verdachte ontkent, moet de rechtbank allereerst beoordelen of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan. Dat bewijsminimum houdt in dat het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, door de rechtbank niet uitsluitend aangenomen kan worden op de verklaring van één getuige. Er moet sprake zijn van steunbewijs, dat afkomstig is van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Uit rechtspraak van de Hoge Raad kan onder meer worden afgeleid dat voor een bewezenverklaring van de seksuele handelingen niet is vereist dat de deze handelingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, maar dat het voldoende is als de verklaring van het slachtoffer op bepaalde punten bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, afkomstig uit een andere bron dan het slachtoffer. Daarbij geldt dat er geen te ver verwijderd verband mag bestaan tussen de verklaring van het slachtoffer en het overige bewijsmateriaal.
De vaststaande feiten.
Als niet weersproken stelt de rechtbank vast dat verdachte met [slachtoffer] in contact is gekomen via de datingsite [datingapp] en dat zij hebben afgesproken bij de [supermarkt] in Boxtel. Daarna zijn zij in de auto van verdachte naar de woning van verdachte gereden. Zij zijn samen naar de slaapkamer gegaan en hebben op bed gelegen. Daarna heeft verdachte [slachtoffer] terug gebracht naar de [supermarkt] .
De verklaring van [slachtoffer] .
[slachtoffer] heeft verklaard dat hij in de chat op [datingapp] tegen verdachte had verteld dat hij 15 jaar oud was en dat verdachte dit niet erg vond. Ook heeft [slachtoffer] aan verdachte verteld dat hij bij [instelling 1] woonde. Verdachte heeft hem bij de [supermarkt] in Boxtel opgehaald. Onderweg naar de woning van verdachte ging verdachte met zijn hand over de broek van [slachtoffer] over zijn geslachtsdeel. Op de slaapkamer van verdachte hebben zij zich uitgekleed en heeft verdachte hem gepijpt. Daarna vroeg verdachte of [slachtoffer] hem wilde pijpen. Dit heeft hij kort geprobeerd, maar dat vond hij niet fijn. Daarna is verdachte gaan douchen. Toen verdachte uit de douche kwam is hij op [slachtoffer] gaan zitten en heeft verdachte het geslachtsdeel van [slachtoffer] in zijn kont gestopt. Na de seksuele handelingen hebben ze zich weer aangekleed en heeft verdachte [slachtoffer] weer afgezet bij de [supermarkt] .
De verklaring van verdachte.
[slachtoffer] heeft volgens verdachte tijdens het chatgesprek zijn leeftijd niet verteld en niet gezegd waar hij woonde. Wel twijfelde verdachte bij de ontmoeting met [slachtoffer] bij de [supermarkt] gelijk aan zijn leeftijd, gelet op zijn voorkomen. Hij wilde [slachtoffer] echter niet meteen afwijzen en heeft hem daarom alsnog laten instappen. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] onderweg naar zijn woning niet heeft aangeraakt. Toen hij met [slachtoffer] in de woning aankwam zijn ze vrij snel naar de slaapkamer op de bovenverdieping gegaan, omdat het in de woonkamer te druk was om te praten door de aanwezige huisdieren. Verdachte heeft met [slachtoffer] ongeveer 10 minuten op bed gelegen om te praten, maar er is verder niets gebeurd. In de woning heeft verdachte nog geïnformeerd naar de leeftijd van [slachtoffer] en hij zou hebben gezegd dat hij 18 jaar oud was. [slachtoffer] moest op tijd weg, dus heeft hij [slachtoffer] weer met de auto teruggebracht naar de [supermarkt] . Pas op de terugweg vertelde [slachtoffer] desgevraagd dat hij eigenlijk 17,5 jaar oud was en dat hij bij [instelling 1] woonde.
De betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] .
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar is. De rechtbank stelt allereerst de omstandigheden rond de disclosure van [slachtoffer] vast. [slachtoffer] kreeg een vriendschapsverzoek via TikTok en liet dit zien aan zijn begeleider. De begeleider zag de naam van verdachte en gezien zijn eerdere veroordeling voor een zedenfeit bij [instelling 1] zei de begeleider dat [slachtoffer] het verzoek niet mocht accepteren. [slachtoffer] vroeg of die persoon niet te vertrouwen was, maar de begeleider reageerde daar niet op. [slachtoffer] is daarop gaan zoeken via Google en vond een profielfoto met het gezicht van verdachte erop. De begeleider zag vervolgens dat [slachtoffer] wit werd. [slachtoffer] vroeg of hij de begeleider mocht spreken in zijn kantoor. Daar heeft hij verteld wat er gebeurd was. De rechtbank ziet in deze gang van zaken een authentieke onthulling van wat een aantal jaren daarvoor had plaatsgevonden. Vervolgens heeft [slachtoffer] naar het oordeel van de rechtbank consistent en gedetailleerd verklaard over zowel de seksuele handelingen als over de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. Ook wordt zijn verklaring - zoals hiervoor beschreven - op onderdelen ondersteund door de verklaring van verdachte. [slachtoffer] heeft zijn verklaring bovendien afgelegd in de veilige omgeving van een studioverhoor.
De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] te twijfelen.
Het steunbewijs.
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van [slachtoffer] . Allereerst vindt de verklaring van [slachtoffer] op onderdelen steun in de verklaring van verdachte zelf dat zij inderdaad samen in de slaapkamer van verdachte zijn geweest na een afspraak op [datingapp] te hebben gemaakt. Verdachte hield daarbij de mogelijkheid open dat er seks plaats zou kunnen vinden.
Ook in het wit worden van [slachtoffer] bij het zien van een foto van verdachte ziet de rechtbank steun voor zijn verklaring. [slachtoffer] heeft, zoals de verdediging ook heeft aangevoerd, pas jaren na de afspraak zijn verhaal gedaan tegen een begeleider. Gezien de logische en natuurlijke volgorde van de gebeurtenissen die er toe leidden dat [slachtoffer] uiteindelijk tegen een begeleider vertelde wat er gebeurd was, is de rechtbank echter van oordeel dat er een verband is tussen het wit worden en de handelingen waarvan verdachte wordt beschuldigd. Het is daarbij een feit van algemene bekendheid dat de impact op zedenslachtoffers nog jaren na het gebeuren groot kan zijn.
Daarnaast is het gedrag van [slachtoffer] sinds de afspraak met verdachte veranderd. De tics van [slachtoffer] zijn in de periode van zijn afspraak met verdachte verergerd en [slachtoffer] kon destijds ineens woedeaanvallen krijgen, die op dat moment onverklaarbaar waren. Daarbij was een spontane knuffel destijds niet mogelijk en sloot [slachtoffer] zich volledig af.
Verder heeft de ex-partner van verdachte verklaard dat verdachte bewust zwakkere, minderbegaafde kinderen met een laag IQ uitkoos. Een dergelijke verklaring, die een feitelijke basis heeft in de waarneming van dergelijke gedrag bij verdachte door zijn ex-partner, kan volgens de Hoge Raad eveneens dienen als steunbewijs. Vaststaat dat [slachtoffer] voldoet aan dit profiel: hij was ten tijde van het delict minderjarig, is verstandelijk beperkt en functioneert volgens zijn moeder op het niveau van een 5-jarige. Hij woont begeleid bij [instelling 1] , een plek die verdachte goed kent omdat hij daar in het verleden heeft gewerkt en daar ontslagen is vanwege een veroordeling voor ontucht met een minderjarige jongen die woonachtig was bij [instelling 1] .
Kortom, de verklaring van [slachtoffer] is geloofwaardig en wordt ondersteund door steunbewijs.
De geloofwaardigheid van de verklaring van verdachte.
De rechtbank acht daarentegen de verklaring van verdachte over de gang van zaken niet geloofwaardig en overweegt daartoe als volgt. Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist waar [slachtoffer] woonde. De rechtbank begrijpt dan niet waarom [slachtoffer] dan specifiek bij de plaatselijke [supermarkt] in Boxtel is opgehaald, terwijl [slachtoffer] overal vandaan kon komen. Dat verdachte niet wist dat [slachtoffer] bij [instelling 1] in Boxtel woonde vindt de rechtbank dan ook ongeloofwaardig. Ook acht de rechtbank ongeloofwaardig dat hij de leeftijd van [slachtoffer] niet wist. Volgens eigen zeggen twijfelde hij al aan de leeftijd van [slachtoffer] voor hij [slachtoffer] meenam naar zijn woning. Dat hij [slachtoffer] toch meenam om hem zogezegd niet af te willen wijzen, is niet begrijpelijk als hij dat even later op de slaapkamer dan wel zou hebben gedaan. Het is dan ook onbegrijpelijk dat verdachte (als hij de leeftijd van [slachtoffer] al niet wist) zijn leeftijd niet ter plekke heeft gevraagd, maar hem gewoon heeft meegenomen naar zijn woning. Ook is onbegrijpelijk om welke reden verdachte volgens eigen zeggen naar [slachtoffer] leeftijd is blijven vragen, nogmaals op de terugweg in de auto nadat [slachtoffer] in de slaapkamer al zou hebben gezegd dat hij 18 jaar oud was. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de seksuele voorkeur van verdachte uitgaat naar jonge jongens, wat ook bevestigd wordt door een chatgesprek in het dossier uit 2021 met ene [minderjarige] , een jongen van 16 jaar waarmee verdachte over seks praat en van wie hij erotische foto’s krijgt.
Verdachte heeft verder verklaard dat de gedachte aan seks meespeelde bij het maken van een afspraak met [slachtoffer] via [datingapp] en dat hij alleen mannen met wie hij een seksafspraak had meenam naar boven en ander bezoek niet. De rechtbank concludeert hieruit dat hij met [slachtoffer] dus een seksafspraak had. Dat het niet tot seks zou hebben geleid, acht de rechtbank ongeloofwaardig, nu het onbegrijpelijk is dat hij een jongen over wiens leeftijd hij al twijfelde en met wie er geen klik zou zijn toch voor slechts 10 minuten mee naar zijn slaapkamer zou nemen om op bed enkel even te gaan liggen praten.
Alles afwegende komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte de seksuele handelingen heeft verricht waar [slachtoffer] over verklaard heeft. Verdachte heeft [slachtoffer] betast tijdens de autorit. In de woning van verdachte heeft verdachte [slachtoffer] gepijpt en heeft [slachtoffer] de penis van verdachte in zijn mond gehad. Daarna heeft verdachte ook de penis van [slachtoffer] in zijn anus gebracht en gehouden.
De leeftijd van [slachtoffer] .
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van de ten laste gelegde feiten moet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat [slachtoffer] op het moment van de seksuele handelingen nog geen 16 jaar oud was. De verdediging en de officier hebben aangevoerd dat [slachtoffer] hierover wisselend heeft verklaard.
De rechtbank overweegt hierover het volgende. Van oktober 2023 tot en met december 2023 zijn er verschillende verklaringen afgelegd. Zo zegt [slachtoffer] in het informatieve zedengesprek op 23 oktober 2023 dat de afspraak ongeveer 5 of 6 jaar geleden had plaatsgevonden en dat hij toen 14, 15 of 16 was. De moeder heeft in haar aangifte namens [slachtoffer] eveneens verklaard dat de afspraak 5 à 6 jaar geleden was. Ook de begeleider van [slachtoffer] heeft verklaard dat [slachtoffer] tegen hem gezegd had dat de afspraak met verdachte 5 à 6 jaar geleden voorgevallen was. Op basis van de voorgaande verklaringen zou de afspraak tussen verdachte en [slachtoffer] dus in 2017 of 2018 hebben plaatsgevonden. [slachtoffer] is geboren op [2003] geboren. In dat geval zou hij tijdens de afspraak hooguit 15 jaar zijn geweest. De uitspraak van [slachtoffer] dat hij mogelijk 16 was, kan dan ook niet juist zijn. [slachtoffer] heeft in zijn studioverhoor ook expliciet verklaard dat hij ten tijde van de afspraak 15 jaar oud was.
De verdediging en de officier van justitie wijzen er echter op dat [slachtoffer] in het informatieve zedengesprek heeft verklaard dat hij tijdens de afspraak 14, 15 of 16 jaar oud was. Ook zou [slachtoffer] in een telefoongesprek met een agent desgevraagd verteld hebben dat hij ten tijde van het incident 15 of 16 jaar oud was.
Ten aanzien van de leeftijd van [slachtoffer] ten tijde van de afspraak met verdachte neemt de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] tijdens het studioverhoor als uitgangspunt. Een studioverhoor is een speciaal verhoor dat bedoeld is voor kwetsbare slachtoffers met bijvoorbeeld een verstandelijke beperking, zoals [slachtoffer] . [slachtoffer] functioneert sociaal-emotioneel gezien op het niveau van een 4- à 5 -jarige. De rechtbank hecht daarom veel waarde aan de verklaring die hij binnen de beschermende sfeer van het studioverhoor heeft afgelegd. In dit verhoor heeft [slachtoffer] uitdrukkelijk benoemd dat hij 15 jaar oud was en heeft hij gedetailleerd verklaard dat hij dit ook tegen verdachte had gezegd en dat verdachte dit ook niet erg vond.
In het informatieve zedengesprek waarin [slachtoffer] gezegd zou hebben dat hij 14, 15 of 16 jaar oud was heeft hij eveneens verklaard dat de afspraak 5 of 6 jaar geleden had plaatsgevonden, iets wat overeenkomt met zijn studioverklaring dat hij 15 jaar oud was. Aan de uitlating aan de telefoon van [slachtoffer] dat hij 15 of 16 jaar oud was, hecht de rechtbank geen waarde. Ten eerste omdat deze uitlating niet is gedaan in een studioverhoor, maar ook omdat hij in het informatief gesprek zeden ook abusievelijk sprak over 14, 15 en mogelijk 16 jaar, terwijl hij 5 à 6 jaar geleden maximaal 15 kan zijn geweest. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat [slachtoffer] ten tijde van de seksuele handelingen 15 jaar oud was. De rechtbank acht het ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Voor wat betreft de bewezenverklaarde periode heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de periode dat [slachtoffer] 15 jaar oud was, namelijk van 2 oktober 2018 tot en met 1 oktober 2019.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
Ten aanzien van feit 1:
in de periode van 2 oktober 2018 tot en met 1 oktober 2019 te Boxtel, met [slachtoffer] , geboren op [2003] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een ontuchtige handeling heeft gepleegd, die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten:
- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] ;
Ten aanzien van feit 2:
in de periode van 2 oktober 2018 tot en met 1 oktober 2019 te Boxtel, met [slachtoffer] , geboren op [2003] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten:
- het betasten van de (ontblote) penis van die [slachtoffer] ,
- het in zijn, verdachtes, mond brengen en houden van de penis van die [slachtoffer] ,
- het laten brengen en houden van de penis van die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, anus.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
Gezien de gevorderde vrijspraak heeft de officier van justitie geen straf geëist.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
Gelet op de bepleite vrijspraak heeft de raadsman van verdachte geen strafmaatverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het seksueel misbruiken van een jongen van wie hij wist dat hij verstandelijk beperkt en slechts 15 jaar oud was. Hiermee heeft verdachte een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en zijn lichamelijke integriteit aangetast. Verdachte heeft de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer hiermee ondergeschikt gemaakt aan zijn eigen seksuele behoeftes. Jonge slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij en de slachtofferverklaring blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is. [slachtoffer] heeft jarenlang alleen met een geheim rondgelopen. Zijn tics verergerden en hij had onverklaarbare woedeaanvallen. Pas vanaf het moment dat hij het verhaal had opgebiecht aan een begeleider kon er professionele hulp geboden worden.
Verder rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij geen openheid van zaken heeft gegeven. Verdachte heeft jarenlang bij [instelling 1] gewerkt, de instelling waar [slachtoffer] verblijft. Hij wist dus heel goed hoe kwetsbaar het slachtoffer was dat hij naar zijn woning bracht en bij wie hij seksuele handelingen verrichtte. Verdachte is bovendien berekenend te werk gegaan door bewust niet bij [instelling 1] af te spreken, maar het slachtoffer elders in het dorp op te halen en mee te nemen naar zijn woning. Door geen verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gedrag ontneemt verdachte het slachtoffer bovendien de mogelijkheid om het feit goed te kunnen verwerken. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
De persoon van verdachte en de persoonlijke omstandigheden.
Kijkend naar de persoon van verdachte, weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee dat verdachte in 2015 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, eveneens voor ontucht met een minderjarige die bij de instelling [instelling 1] in Boxtel verbleef. Na deze veroordeling heeft verdachte gedurende twee jaar, tot 2017, therapie gehad bij [instelling 2] . Verdachte is ondanks deze veroordeling en therapie kort na zijn behandeling weer de fout ingegaan.
In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat hij na zijn aanhouding in deze zaak vrijwillig hulp heeft gezocht bij [instelling 2] . Uit het reclasseringsrapport van 30 maart 2026 blijkt dat de behandeling goed verloopt, dat verdachte is gediagnosticeerd met pedofilie en dat verdachte ook erkent dat hij een pedofiele voorkeur heeft. Verder gebruikt verdachte vrijwillig libidoverlagende medicatie en is verdachte chemisch gecastreerd. De reclassering heeft bij een veroordeling geadviseerd een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat zij vanwege deze zelf gezochte hulp interventies of toezicht in een verplicht kader niet nodig vindt. Daarnaast heeft verdachte op zijn toenmalige werk niet willen vertellen wat de reden was van zijn aanhouding, waardoor hij zijn baan is verloren. Inmiddels heeft verdachte een nieuwe baan.
Verder weegt de rechtbank mee dat de Pro Justitia rapporteur die op 7 november 2014 een rapport heeft uitgebracht in de zaak van voornoemde veroordeling uit 2015, heeft geadviseerd om het ten laste gelegde aan verdachte in een verminderde mate toe te rekenen. De rechtbank acht dit advies ook nu nog van belang, omdat het om een vergelijkbaar feit gaat en onderhavig feit slechts enkele jaren na het advies heeft plaatsgevonden.
De op te leggen straf.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij straffen die door andere rechtbanken of gerechtshoven in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf .
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 3 jaren passend en geboden is. De rechtbank zal deze straf voor een gedeelte voorwaardelijk en met een langere proeftijd opleggen om verdachte er gedurende een langere tijd van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de
penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke
invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van
Strafvordering.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een immateriële schadevergoeding gevorderd van € 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast is namens de benadeelde partij verzocht een contactverbod op te leggen voor een zo lang mogelijke duur.
Het standpunt van de officier van justitie.
Vanwege de gevorderde vrijspraak heeft de officier van justitie geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vordering.
Het standpunt van de verdediging.
Gelet op de bepleite vrijspraak heeft de raadsman van verdachte eveneens geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vordering.
Het oordeel van de rechtbank.
Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek heeft een benadeelde partij onder meer recht op immateriële schadevergoeding wanneer diegene ‘op andere wijze is aangetast in zijn persoon’.
Van die aantasting is volgens rechtspraak van de Hoge Raad onder meer sprake als de aard en de ernst van de normschending maken dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank is van oordeel dat er bij zedenfeiten als onderhavige sprake is van die situatie. Er is dan ook voldoende gebleken dat de benadeelde als gevolg van de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.
Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het feit en met de hoogte van de schadevergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend. Verder heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal (15.2). Alles overwegende, begroot de rechtbank de omvang van de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 5.000,00.
De rechtbank acht de vordering dan ook toewijsbaar tot een bedrag van € 5.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het resterende deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, omdat de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2019 tot de dag van de algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Contactverbod.
Ten aanzien van het verzochte contactverbod overweegt de rechtbank dat er sinds het vriendschapsverzoek via TikTok van eind 2023 geen contact meer is geweest tussen verdachte en [slachtoffer] en er ook geen aanleiding is om te verwachten dat verdachte nogmaals met [slachtoffer] contact zal leggen. Verder is het verzoek om het contactverbod niet nader onderbouwd. Bovendien ziet de reclassering geen noodzaak tot interventies in een verplicht kader. De rechtbank ziet daarom geen noodzaak een contactverbod aan verdachte op te leggen.
Het beslag.
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de twee inbeslaggenomen telefoons aan verdachte, omdat naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave daarvan. Op de telefoons is geen strafbaar materiaal aangetroffen.
De toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 245 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
Ten aanzien van feit 1:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam
Ten aanzien van feit 2:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen
- verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
- legt op de volgende straf:
Ten aanzien van feit 1 en feit 2:
een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Ten aanzien van feit 1 en feit 2:
Schadevergoedingsmaatregel:
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 5.000,00 euro;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 50 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 5.000,00 euro, bestaande uit immateriële schadevergoeding. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
- gelast teruggave van de inbeslaggenomen goederen, vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
1 stk gsm (Apple iPhone SE);
1 stk gsm (Apple iPhone 14),
aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon: verdachte.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.M.L.A.T. Doll, voorzitter,
mr. S.H. Schepers en B.A.R. Janssen, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N. Slingerland, griffier,
en is uitgesproken op 30 april 2026.