RECHTBANK OOST-BRABANT
Familierecht
Zaaknummer: C/01/420215 / FA RK 25-4290
Kinderalimentatie
Beschikking van 16 april 2026
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende in [plaats],
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. E.W.J. van Asseldonk,
e n
[verweerder],
wonende in [plaats],
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. E.A.M. Brugman.
1. De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de moeder met bijlagen 1, 3, 4 en 6 tot en met 11, ingediend op 22 oktober 2025;
het bericht van de moeder van 28 oktober 2025 met bijlagen 2 en 5;
het verweerschrift van de vader met bijlagen 1 en 2;
het bericht van de moeder van 6 maart 2026 met brief en bijlagen 12 tot en met 16, en
het bericht van de vader van 9 maart 2026 met brief en bijlage 3.
Het verzoek en verweer zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van 19 maart 2026. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt.
Tijdens deze behandeling zijn via videobellen gehoord:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en
de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
2. Waar gaat het over?
Wat staat vast?
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige], geboren op [datum] in [plaats].
[minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de moeder. De ouders hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige].
De moeder is ook de moeder van:
[meerderjarige 1], geboren op [datum], en
[meerderjarige 2], geboren op [datum].
De vader is ook de vader van [meerderjarige 3], geboren op [datum].
De ouders zijn gehuwd geweest. Zij hebben afspraken gemaakt toen zij uit elkaar gingen. Deze afspraken hebben zij vastgelegd in het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan dat deel uitmaakt van echtscheidingsconvenant, dat zij op 23 april 2015 hebben ondertekend. Zowel in het convenant als in het ouderschapsplan hebben zij – onder meer – in artikel 1van het convenant en in artikel 7 van het ouderschapsplan het volgende afgesproken:
“(…)
Kosten van [minderjarige]
respectievelijk 7.1 De kosten van [minderjarige] zijn door de ouders conform de gangbare tabellen begroot op € 185 per maand. Daarbij is rekening gehouden met een netto besteedbaar inkomen van de vader groot € 2.124 per maand. De moeder had geen inkomen tijdens het huwelijk. Het kindgebonden budget tijdens het huwelijk bedroeg € 864 per jaar, zijnde € 72 per maand. Tevens is bij de vaststelling van de behoefte van [minderjarige] rekening gehouden met [meerderjarigen 1 en 2], de twee kinderen van de moeder uit een eerdere relatie, die tevens tot het gezin behoorden.
Kinderalimentatie
respectievelijk 7.2 De moeder zal na de echtscheiding een bedrag van € 140 per maand aan kindgebonden budget voor [minderjarige] ontvangen. Het aandeel van de ouders in de kosten van [minderjarige] bedraagt derhalve € 45 per maand. Gelet op de draagkracht van de ouders en rekening houdend met de zorgkorting bedraagt de bijdrage van de vader in de kosten van [minderjarige] volgens de thans geldende alimentatierichtlijnen € 32 per maand. De ouders hebben echter in onderling overleg besloten om af te wijken van een berekening volgens de thans geldende alimentatierichtlijnen. Zij zijn in plaats daarvan overeengekomen dat de vader met ingang van 1 mei 2015 en zolang [minderjarige] minderjarig is en bij de moeder woont, aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] een bedrag van € 150 per maand zal betalen. Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2016.
(…)”.
Het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan maken deel uit van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 5 juni 2015.
Wat ligt voor?
De moeder wil dat dit bedrag wordt gewijzigd in € 389 per maand, met ingang van 13 oktober 2025. Volgens haar zijn de omstandigheden gewijzigd en kan de vader een hogere bijdrage voldoen. Zo is het inkomen van de vader gestegen, is de onderhoudsverplichting van de vader jegens de andere kinderen vervallen en is de zorgregeling met [minderjarige] gewijzigd. De moeder gaat daarbij uit van een behoefte van [minderjarige] van € 313 in 2015, zoals genoemd in de behoefteberekening van de toenmalige mediator. Deze omstandigheden maken volgens de moeder dat de vader een hogere bijdrage kan voldoen.
De vader is het niet eens met het verzoek. Hij wil dat het verzoek van de moeder wordt afgewezen. De ouders zijn bij het overeenkomen van de alimentatie bewust afgeweken van de wettelijke maatstaven waarbij zij een bedrag hebben bepaald totdat [minderjarige] meerderjarig wordt, dus volgens de vader kan aan de afspraak niet worden getornd. De vader houdt vast aan het in het ouderschapsplan genoemde behoeftebedrag van € 185 in 2015. Mocht er een wijziging van de kinderalimentatie komen, dan dient volgens de vader rekening te worden gehouden met een verdiencapaciteit aan de zijde van de moeder.
3. De beoordeling
conclusie
De rechtbank zal beslissen dat de vader vanaf 22 oktober 2025 een kinderalimentatie van € 381 per maand aan de moeder moet betalen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt, zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
reden voor de wijziging
Op grond van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
Artikel 1:401 lid 5 BW bepaalt dat een overeenkomst betreffende levensonderhoud kan worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.
Vast staat dat de ouders in 2015 bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven ten gunste van [minderjarige]. Ten tijde van de scheiding hebben zij namelijk het aandeel van de vader in de kosten van [minderjarige] berekend op € 32 per maand, maar zijn zij desondanks overeengekomen dat de vader een kinderalimentatie van € 150 per maand zal betalen. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) bedraagt de kinderalimentatie € 202 per maand in 2025 en € 211 per maand in 2026.
De moeder stelt zich op het standpunt dat de overeengekomen kinderalimentatie gewijzigd dient te worden, omdat deze als gevolg van gewijzigde omstandigheden niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven. Zij stelt dat het inkomen van de vader is gestegen, de vader nu enkel onderhoudsplichtig is voor [minderjarige] waar hij voorheen ook onderhoudsplichtig was voor [meerderjarigen 1, 2 en 3], haar inkomen is gedaald en aan de vader een lagere zorgkorting toekomt. Ter zitting, bij het bespreken van de behoefte, heeft de moeder aan de wijzigingsgronden toegevoegd dat de behoefte van [minderjarige] inmiddels is gestegen naar aanleiding van de inkomensstijging aan de zijde van de vader.
Hier is de vader het niet mee eens. Hij stelt dat partijen niet voor niets bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven. Volgens de vader is de drempel om een wijziging van de overeenkomst teweeg te brengen hoger. Mocht er al sprake zijn van gewijzigde omstandigheden, dan is naar zijn visie zijn inkomen niet substantieel gestegen, komt aan de moeder een fictieve verdiencapaciteit toe en is de contactbreuk met [minderjarige] niet te wijten aan hem.
De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat de contractsvrijheid van ouders bij afspraken over kinderalimentatie wordt begrensd door de dwingendrechtelijke regel dat de kinderalimentatie ten minste moet voldoen aan de wettelijke maatstaven. Zo is in de wet bepaald dat de ouders verplicht zijn naar draagkracht bij te dragen in de kosten van hun minderjarige kinderen. Alleen ten gunste van het kind mag worden afgeweken van die wettelijke maatstaven. Daarbij geldt dat als dit bewust is gebeurd, een latere wijziging ten nadele van het kind alleen in uitzonderlijke gevallen mogelijk is, namelijk als het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn de onderhoudsplichtige ouder nog langer aan de overeenkomst te houden (vgl. art. 6:248 lid 2 BW dan wel art. 6:258 BW). Deze strengere maatstaf geldt niet voor het geval de kinderalimentatie na een wijziging van omstandigheden op een hoger bedrag zou uitkomen. In een dergelijk geval zou immers de instandhouding van de overeengekomen kinderalimentatie ertoe kunnen leiden dat een onderhoudsplichtige minder zou bijdragen dan volgens de wettelijke maatstaven het geval zou moeten zijn. In dit geval leidt het vorenstaande ertoe dat de moeder, gelet op de door haar gestelde wijzigingen in de omstandigheden, ontvankelijk is in haar verzoek tot wijziging van de alimentatie en staat de eerdere afspraak van partijen over de kinderalimentatie niet in de weg aan een herberekening en een verhoging van het overeengekomen bedrag.
ingangsdatum
De wet laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. De rechter kan een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben.
Hier hanteert de rechtbank 22 oktober 2025 als ingangsdatum. Dit is de dag waarop de moeder het verzoekschrift heeft ingediend bij de rechtbank. Er is weliswaar eerder correspondentie geweest tussen de ouders omtrent de wijziging van de kinderalimentatie, maar de vader had pas bij indiening van het verzoekschrift kunnen weten welk bedrag hij eventueel had kunnen reserveren voor een wijziging met terugwerkende kracht.
behoefte [minderjarige]
Bij de berekening van kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd.
Vast staat dat de ouders samen hebben gewoond en de vader de kostwinner was. De behoefte van [minderjarige], [meerderjarige 1 en 2] is om die reden enkel op zijn inkomen vermeerderd met een kindgebonden budget (KGB) gebaseerd, te weten een inkomen van € 2.124 netto per maand en een KGB van € 72 per maand. Derhalve bedroeg het netto gezinsinkomen (NBGI) € 2.196 per maand. Uit het ouderschapsplan blijkt dat de kosten van [minderjarige] € 185 per maand bedroegen in 2015. Geïndexeerd is dit € 249 per maand in 2025. Weliswaar wordt in de behoefteberekening van de mediator ook een behoefte van [minderjarige] van € 313 genoemd, maar dit lijkt te zijn gebaseerd op een theoretische gezinssituatie uitgaande van één kind. In het ouderschapsplan, waarbij de kosten voor [minderjarige] uiteindelijk op € 185 per maand zijn bepaald, is uitgegaan van de feitelijke situatie van een gezin met drie kinderen, omdat ook de twee oudere kinderen van de moeder deel uitmaakten van het gezin van de ouders.
De moeder stelt dat het inkomen van de vader is gestegen waardoor het hoger is dan het geïndexeerde NBGI in 2015, wat aanleiding is om de behoefte opnieuw te berekenen. Nu [meerderjarige 1 en 2] inmiddels (jong)meerderjarig zijn, zou bij een voortzetting van de relatie door de ouders het gestegen netto besteedbaar gezinsinkomen enkel beschikbaar zijn voor [minderjarige]. Volgens de moeder moet daarom bij een herberekening van de behoefte ook met die wijziging rekening worden gehouden.
De vader is het hier niet mee eens en stelt dat de behoefte uit het ouderschapsplan (€ 185 per maand) nog steeds leidend is. Volgens de vader kan de behoefte wel worden gewijzigd als het van meet af aan zonder wettelijke standaarden is vastgesteld. Maar dat is hier niet het geval, Ook is hij van mening dat zijn inkomen niet substantieel hoger is geworden sinds 2015, anders dan door de gebruikelijke salarisverhogingen door de jaren heen.
De rechtbank stelt voorop dat een stijging van het inkomen van een ouder, voor zover dit inkomen door die stijging hoger wordt dan het gezinsinkomen ten tijde van de relatie, in beginsel de hoogte van de behoefte beïnvloedt. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging namelijk ook een positieve invloed hebben uitgeoefend op het bedrag dat ten behoeve van het kind zou zijn uitgegeven. [minderjarige] mag dus profiteren van de inkomensstijging aan de zijde van één van de ouders. In de onderhavige zaak is daarom de behoefte van [minderjarige] op de zitting expliciet aan de orde gesteld.
Indien het netto-gezinsinkomen van partijen van € 2.196 per maand (inclusief kindgebonden budget) wordt geïndexeerd naar 2025, komt dit uit op € 2.958.
Uit de loonstroken van de vader over augustus en september 2025, (het jaar waarin de gewijzigde alimentatie ingaat) blijkt een bruto-inkomen van € 4.133 per maand. De rechtbank heeft geen aanleiding om de inkomsten uit overwerk mee te nemen in het herberekenen van de behoefte van [minderjarige]. De vader heeft namelijk voldoende aannemelijk gemaakt - zie ook hierna onder 3.21- dat dit tijdelijke, leeftijdsgebonden inkomsten betreffen die in 2026 zijn/worden beëindigd. Voor het berekenen van de behoefte is enkel structureel inkomen van belang, omdat dit het welvaartsniveau op een langere termijn aantoont. Het netto-inkomen van de vader is dan € 3.220 per maand. De rechtbank is van mening dat in dit geval sprake is van een inkomensstijging, die reden is voor een herberekening van de behoefte in 2025. De rechtbank zal daarbij ook uitgaan van de situatie dat de vader, anders dan in 2015 het geval was, alleen nog onderhoudsplichtig is voor [minderjarige].
Nu de rechtbank weet wat de vader te besteden heeft, kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan aan [minderjarige], uitgegeven zou worden en wat dus haar behoefte is. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Uit die tabellen volgt dat de vader bij een netto-inkomen van € 3.220 per maand, gemiddeld € 415 per maand uit zou geven voor [minderjarige] in 2025.
De rechtbank concludeert dat de behoefte van [minderjarige] aan de hand van het huidig inkomen van de vader hoger is dan haar geïndexeerde behoefte uit het ouderschapsplan. Om die reden rekent de rechtbank in het vervolg met een behoefte van € 415 per maand.
draagkracht ouders
Bij de berekening van kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Bij die methode kijkt de rechtbank naar wat er van het inkomen van een ouder overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent de rechtbank met het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder. Aan de uitgavenkant rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Dat forfaitaire bedrag is gebaseerd op de bijstandsnorm. Daarnaast kan de rechtbank ook rekening houden met eventuele overige lasten. Die lasten moeten dan niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. Alle uitgaven vormen met elkaar het ‘draagkrachtloos inkomen’. Het NBI verminderd met het draagkrachtloos inkomen leidt tot de ‘draagkrachtruimte’. Van de draagkrachtruimte is (in beginsel) 70% beschikbaar voor de kinderen. In dit geval ziet de berekening er als volgt uit: 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1310)].
draagkracht vader
De ouders zijn het erover eens dat voor de draagkracht van de vader gerekend dient te worden met de loonstroken over januari en februari 2026. Hierin is een inkomen van € 4.297 bruto per maand genoemd. Anders dan de moeder houdt de rechtbank geen rekening met de incidentele inkomsten uit storingsdiensten of diensten voor de gladheidsbestrijding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vader voldoende aangetoond dat hij – gelet op zijn leeftijd – deze inkomsten niet meer genereert en ook niet zal genereren. Het netto-inkomen van de vader is dan € 3.484 per maand.
Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de vader een draagkracht van € 790 per maand.
draagkracht moeder
De moeder stelt dat zij vanwege haar gezondheidsproblemen niet in staat is om te werken. Momenteel heeft zij geen inkomen. Zij ontving tot het samenwonen met haar partner (per 13 oktober 2025) een bijstandsuitkering en een kindgebonden budget. Deze inkomstenbronnen zijn vanwege het fiscale partnerschap weggevallen. Om die reden rekent zij met een minimale draagkracht van € 25 per maand.
De vader is het hier niet mee eens en stelt dat aan de moeder een fictieve verdiencapaciteit toekomt. Als zij geen recht heeft op het kindgebonden budget, dan geldt nog wel de bijstandsnorm voor samenwonenden. De moeder kan volgens hem een hoger aandeel dragen dan de gestelde minimale draagkracht.
Ter zitting heeft de moeder desgevraagd toegelicht dat zij voor het laatst in 2007 inkomen uit arbeid heeft gegenereerd. Over de periode van 2015 tot aan het samenwonen met haar partner heeft zij een bijstandsuitkering ontvangen. Andere inkomstenbronnen zijn niet (voldoende) gesteld dan wel aangetoond. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet redelijk om dit stadium een verdiencapaciteit aan de moeder toe te kennen. Bij de verzorgende ouder dient daarnaast terughoudend te worden omgegaan met het toekennen van een fictief inkomen. Als deze ouder daarin namelijk niet slaagt, bestaat het risico dat het kind er de dupe van wordt. Slechts in bijzondere omstandigheden kan dat anders zijn. Daarvan is in dit geval geen sprake, mede gelet op het langdurig ontbreken van werkervaring en de aanwezigheid van gezondheidsperikelen. De rechtbank houdt, zoals ook de moeder heeft gedaan, rekening met een minimale draagkracht van € 25 per maand.
verdeling kosten
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
De vader en de moeder hebben samen een draagkracht van € 815 per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [minderjarige] te betalen, want die zijn € 415 per maand. Dit betekent dat de vader van de behoefte van [minderjarige] voor zijn rekening dient te nemen:
= € 402 per maand
en de moeder:
= € 13 per maand.
zorgkorting
De vader maakt op de dagen dat [minderjarige] bij hem is kosten voor eten en drinken, energielasten en dergelijke: de verblijfskosten. Daarmee voldoet hij – deels – aan zijn onderhoudsverplichting. Voor zover daartegenover een besparing in die kosten van de moeder staat, verlaagt de rechtbank in beginsel de bijdrage van de vader met een percentage van de behoefte van de kinderen: de ‘zorgkorting’.
Omdat tussen de vader en [minderjarige] een contactherstel wordt beoogd, rekent de rechtbank in redelijkheid met een zorgkorting van 5% van de behoefte, dus € 21 per maand. Dat betekent dat de vader een bedrag van (€ 402 -/- € 21 =) € 381 per maand moet betalen.
indexering
Omdat de rechtbank bij het berekenen van de draagkracht van de vader aangesloten heeft bij de inkomensgegevens uit 2026, zal de indexering over 2026 niet worden meegenomen in het dictum. De rechtbank zal beslissen dat de kinderalimentatie voor het eerst per 1 januari 2027 zal worden toegepast.
alimentatie vooruitbetalen
De vader moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank verklaart de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de kinderalimentatie betaald moet worden, ook al wordt er hoger beroep ingesteld.
proceskosten
De vader en de moeder moeten allebei hun eigen proceskosten betalen, omdat zij elkaars ex-partners zijn.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijzigt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie, zoals die was vastgelegd in het ouderschapsplan en het convenant van 23 april 2015 en de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 5 juni 2015, en bepaalt dat deze kinderalimentatie vanaf 22 oktober 2025 € 381 per maand bedraagt;
bepaalt dat de vader deze alimentatie wat de toekomstige termijnen betreft steeds vóór de eerste van de maand vooraf moet betalen;
bepaalt dat de kinderalimentatie voor het eerst wordt geïndexeerd per 1 januari 2027;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat de vader en de moeder allebei hun eigen proceskosten moeten betalen, en
wijst de verzoeken voor het overige af.
Dit is de beslissing van rechter mr. A.W. Beversluis, tot stand gekomen in samenwerking met mr. T. Öztoprak, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in Den Bosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Bijlagen:
Bijlage 1: indexering kinderalimentatie
Bijlage 2: indexering behoefte uit het ouderschapsplan
Bijlage 3: indexering netto besteedbaar gezinsinkomen
Bijlage 4: berekening netto-inkomen van de vader in 2025
Bijlage 5: behoefteberekening a.d.h.v. het huidig inkomen van de vader
Bijlage 6: draagkracht van de vader