ECLI:NL:RBOBR:2026:280

ECLI:NL:RBOBR:2026:280, Rechtbank Oost-Brabant, 20-01-2026, 82.266439.22

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 20-01-2026
Datum publicatie 20-01-2026
Zaaknummer 82.266439.22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf voor achterhouden informatie en verstrekken valse gegevens aan belastingdienst bij sluiten vaststellingsovereenkomst en het doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [82.266439.22]

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team Strafrecht

Parketnummer: 82.266439.22

Datum uitspraak: 20 januari 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1961] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 december 2025 en 7 januari 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 17 december 2025. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. [bedrijf 1] . op één of meer tijdstippen in of omstreeks 15 januari 2019 tot en met 21 oktober 2019 in Someren, in elk geval in Nederland, (telkens) als degene die ingevolge de belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, deze (telkens) opzettelijk in valse en/of vervalste vorm voor dit doel ter beschikking heeft gesteld door een overzicht van transacties voor de USD-rekening van de bankrekening van [bedrijf 1] . bij de HSBC Bank te Hong Kong (DOC-008, p. 2-10) ter beschikking te stellen aan (een ambtenaar van) de Belastingdienst, bestaande de valsheid/valsheden erin dat transacties en/of dividend(uitkeringen) aan [verdachte] en/of aan [persoon 1] en/of omzetboeking(en) niet zijn opgenomen en/of zijn verwijderd, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;

2. [bedrijf 1] . op één of meer tijdstippen in of omstreeks 15 januari 2019 tot en met 21 oktober 2019 in Someren, in elk geval in Nederland, (telkens) als degene die ingevolge de belastingwet verplicht was tot het verstrekken van inlichtingen en/of gegevens en/of aanwijzingen, deze inlichtingen en/of gegevens en/of aanwijzingen (telkens) opzettelijk niet en/of onjuist en/of onvolledig heeft verstrekt en/of doen/laten verstrekken door — zakelijk weergegeven — op (het) schriftelijke verzoek van de Belastingdienst (telkens) geen en/of onjuiste en/of onvolledige inlichtingen en/of gegevens en/of aanwijzingen te verstrekken en/of doen/laten verstrekken aan (een ambtenaar van) de Belastingdienst, bestaande die

onjuistheid en/of onvolledigheid hierin dat op het overzicht van transacties voor de USD-rekening van de bankrekening van [bedrijf 1] . bij de HSBC Bank te Hong Kong

(DOC-008, p. 2-10) transacties en/of dividend(uitkeringen) aan [verdachte] en/of aan [persoon 1] en/of omzetboekingen niet staan opgenomen en/of zijn verwijderd, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;

3. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 april 2015 tot en met 15 januari 2018 in Someren en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een (of meer) (digitale) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting ten name van [verdachte] over:1. Het jaar 2013 (DOC-009 en DOC-010) en/of2. Het jaar 2014 (DOC-009 en DOC-011) en/of3. Het jaar 2015 (DOC-009 en DOC-012) en/of4. Het jaar 2016 (DOC-009 en DOC-013)(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan, door (telkens) op/in het/de ingeleverde/ingediende aangifte(n) een onjuist bedrag aan belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) op te geven, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van de tenlastegelegde feiten.

Het standpunt van de officier van justitie.

Op de in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Het standpunt van de verdediging.

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de verdediging vrijspraak van alle aan verdachte tenlastegelegde feiten bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen

Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Nadere overwegingen van de rechtbank

Inleiding

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [bedrijf 1] . een vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst heeft gesloten voor de op te leggen navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 2012 tot en met 2017 en de primitieve aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2018. Deze overeenkomst is op 26 januari 2021 namens [bedrijf 1] door verdachte, in zijn hoedanigheid van bestuurder van [bedrijf 1] , ondertekend.

Nader onderzoek door de Belastingdienst heeft opgeleverd dat namens [bedrijf 1] niet de juiste en volledige informatie is verstrekt over de omvang van de omzet van [bedrijf 1] in die jaren en dat namens [bedrijf 1] een onvolledige tabel aan de Belastingdienst is verstrekt met een overzicht van de transacties op de USD-rekening van [bedrijf 1] over de periode van september 2012 tot en met 25 september 2019. In deze tabel zijn transacties en dividenduitkeringen aan verdachte en zijn zakenpartner [persoon 1] niet opgenomen. Het gevolg hiervan is geweest dat de vaststellingsovereenkomst is gesloten op basis van onjuiste en onvolledige informatie en dat de belastingverplichting voor [bedrijf 1] in die overeenkomst lager is vastgesteld dan het geval zou zijn geweest als de volledige en juiste omzetgegevens zouden zijn verstrekt.

Ten aanzien van de strafbaarheid van de rechtspersoon [feiten 1 en 2]

 Het verweer van de verdediging

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de verdediging gesteld dat voor [bedrijf 1] . [hierna: [bedrijf 1] ] geen verplichting bestond tot het verstrekken van de documenten bedoeld in artikel 68 eerste lid onder a en c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen [hierna: AWIR]. Nu die verplichting voor [bedrijf 1] – aldus de verdediging – niet bestond is [bedrijf 1] niet strafbaar voor de onder de feit 1 en feit 2 tenlastegelegde gedragingen. Dit brengt de verdediging tot de conclusie dat verdachte in strafrechtelijke zin niet als feitelijk leidinggever aan die feiten kan worden aangemerkt en dat verdachte van deze feiten moet worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. Bij brief van 15 augustus 2019 gericht aan [bedrijf 2] , het belastingadvieskantoor van verdachte, is verzocht informatie te verstrekken over de betrokkenheid van verdachte bij buitenlandse entiteiten. De rechtbank is van oordeel dat uit deze brief volgt dat de Belastingdienst de belastingverplichtingen voor zowel verdachte als voor [bedrijf 1] wil vaststellen. De rechtbank ziet hiervoor bevestiging in de verklaring van de inspecteur van de Belastingdienst van 5 september 2022. Uit die verklaring volgt naar het oordeel van de rechtbank eveneens dat de informatieverstrekking als bedoeld in artikel 47 van de AWIR ook op [bedrijf 1] ziet.

Naar aanleiding van de brief van de Belastingdienst van 15 augustus 2019 heeft op 21 oktober 2019 een bespreking plaatsgevonden tussen medewerkers van de Belastingdienst en verdachte, bijgestaan door een medewerker van [bedrijf 2] . Tijdens die bespreking is door verdachte inzage gegeven in de administratie van [bedrijf 1] . Op basis van de bevindingen van de Belastingdienst uit het fiscale onderzoek is vervolgens een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen de Belastingdienst en [bedrijf 1] . Deze overeenkomst is op 14 januari 2021 namens de Belastingdienst en op 26 januari 2021 door verdachte namens [bedrijf 1] , ondertekend.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging dat de informatieplicht als bedoeld in artikel 47 van de AWIR niet op [bedrijf 1] zag.

 Het kader met betrekking tot de strafbaarheid van rechtspersonen

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan een rechtspersoon aangemerkt worden als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. De vraag wanneer een verboden gedraging in redelijkheid kan worden toegerekend is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de verboden gedraging. Belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is de vraag of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Hiervan zal onder andere sprake kunnen zijn wanneer een of meer van de volgende omstandigheden zich voordoen:

Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.

 Het kader toegepast op deze zaak

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor genoemde gedragingen hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon [bedrijf 1] . Het verstrekken van de volledige en juiste gegevens namens [bedrijf 1] aan de Belastingdienst om tot een juiste vaststellingsovereenkomst tussen [bedrijf 1] en de Belastingdienst te kunnen komen, past namelijk binnen de normale bedrijfsvoering van die rechtspersoon, de gedragingen zijn de rechtspersoon dienstig geweest en de rechtspersoon besliste of deze handelingen al dan niet plaatsvonden. Het is dus de hiervoor genoemde rechtspersoon die kan worden aangemerkt als dader van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.

Ten aanzien van verdachte als feitelijk leidinggever [ten aanzien van feiten 1 en 2]

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.

Als directeur van [bedrijf 1] is het verdachte zelf geweest die de – niet volledige – omzetgegevens van [bedrijf 1] heeft verstrekt om tot de vaststellingsovereenkomst tussen [bedrijf 1] . en de Belastingdienst te kunnen komen Ook heeft verdachte zelf de tabel geconstrueerd met een overzicht van de transacties op de USD-rekening van [bedrijf 1] over de periode van september 2012 tot en met 25 september 2019 en die tabel vervolgens aan de Belastingdienst ter beschikking gesteld. Zoals hiervoor al is overwogen, bevatte die tabel niet alle transacties die via de USD-rekening van [bedrijf 1] hebben plaatsgevonden. Op grond van de onvolledige en onjuiste informatie die verdachte aan de Belastingdienst heeft gesteld, is de vaststellingsovereenkomst opgemaakt, die vervolgens ook door verdachte is ondertekend.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte gelet op deze actieve gedragingen zonder meer kan worden aangemerkt als feitelijk leidinggever aan de verboden gedragingen. Dat verdachte ook opzet had op de verboden gedraging, blijkt daaruit eveneens.

 Het oordeel van de rechtbank.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de rechtspersoon

[bedrijf 1] . opzettelijk informatie heeft verzwegen die van belang was voor het vaststellen van de belastingverplichtingen van [bedrijf 1] in januari 2021 in de met de Belastingdienst gesloten vaststellingsovereenkomst. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte hier opzettelijk een bewuste en actieve bijdrage aan heeft geleverd door het niet of niet volledig verstrekken van informatie aan de Belastingdienst over de omvang van de omzet van [bedrijf 1] en het verstrekken van een onvolledig overzicht van de transacties op de USD-rekening van [bedrijf 1] .

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit.

Verdachte wordt daarnaast verweten dat hij in de jaren 2013 tot en met 2016 onjuiste aangiften inkomstenbelasting heeft gedaan door in die aangiften het saldo te verzwijgen dat openstond op de bankrekening bij de HSBC Bank in Jersey ten name van verdachte.

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de verdediging ook van dit feit vrijspraak bepleit omdat deze aangiften inkomstenbelasting niet door verdachte zelf zijn ingevuld en ingediend, maar door een medewerker van [bedrijf 2] , het belastingadvieskantoor van verdachte.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. Als pleger van het onjuist of onvolledig doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte moet worden aangemerkt degene die tot het doen van de aangifte gehouden is. Een aangifte kan uitsluitend worden aangemerkt als een “bij de belastingwet voorziene aangifte” indien die aangifte is gedaan door degene op wiens belasting- of betalingsplicht die aangifte betrekking heeft, of door degene die als vertegenwoordiger van de belastingplichtige kan optreden. Als belastingplichtige is verdachte in beginsel verantwoordelijk voor het doen van een juiste aangifte.

Uit de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting van 19 december 2025 is de rechtbank gebleken dat de aangiften inkomstenbelasting van verdachte over de jaren 2013 tot en met 2016 zijn ingevuld en ingediend door [bedrijf 2] . [bedrijf 2] heeft deze aangiften opgemaakt aan de hand van door verdachte verstrekte gegevens, waarbij verdachte het bestaan van de bankrekening in Jersey voor zijn adviseur opzettelijk heeft verzwegen. Ter terechtzitting van 19 december 2025 heeft verdachte verklaard dat hij de bewuste keuze heeft gemaakt het bestaan van de Jersey-rekening niet te vermelden in zijn belastingaangiften over de jaren 2013 tot en met 2016. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het enkel en alleen aan het handelen van verdachte te wijten is geweest dat de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2013 tot en met 2016 een onjuiste weergave van de werkelijkheid waren. Dat verdachte voor de feitelijke handelingen een tussenpersoon heeft ingeschakeld, maakt dit niet anders.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, verwerpt de rechtbank het door de verdediging gevoerde verweer dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken omdat verdachte de aangiften niet zelf heeft ingevuld en ingediend.

De conclusie

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, een en ander zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.

De bewezenverklaring.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat:

1. [bedrijf 1] . op tijdstippen in de periode van 15 januari 2019 tot en met 21 oktober 2019 in Nederland, als degene die ingevolge de belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en de inhoud daarvan, deze opzettelijk in valse en/of vervalste vorm voor dit doel ter beschikking heeft gesteld door een overzicht van transacties voor de USD-rekening van de bankrekening van [bedrijf 1] . bij de HSBC Bank te Hong Kong ter beschikking te stellen aan de Belastingdienst, bestaande de valsheid/valsheden erin dat transacties en/of dividenduitkeringen aan [verdachte] en aan [persoon 1] en/of omzetboekingen niet zijn opgenomen, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;

2. [bedrijf 1] . op tijdstippen in de periode van 15 januari 2019 tot en met 21 oktober 2019 in Nederland, als degene die ingevolge de belastingwet verplicht was tot het verstrekken van inlichtingen en/of gegevens en/of aanwijzingen, deze inlichtingen en/of gegevens en/of aanwijzingen opzettelijk niet heeft verstrekt door — zakelijk weergegeven — op schriftelijke verzoek van de Belastingdienst onjuiste en/of onvolledige inlichtingen en/of gegevens te verstrekken aan de Belastingdienst, bestaande die onjuistheid en/of onvolledigheid hierin dat op het overzicht van transacties voor de USD-rekening van de bankrekening van [bedrijf 1] . bij de HSBC Bank te Hong Kong transacties en/of dividenduitkeringen aan [verdachte] en aan [persoon 1] en/of omzetboekingen niet staan opgenomen, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte feitelijk leiding heeft gegeven;

3. hij op tijdstippen in de periode van 28 april 2015 tot en met 15 januari 2018 in Nederland, telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale aangiften voor de inkomstenbelasting ten name van [verdachte] over:1. het jaar 2013 en2. het jaar 2014 en3. het jaar 2015 en4. het jaar 2016 telkens onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, door telkens op de ingeleverde/ingediende aangifte een onjuist bedrag aan belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) op te geven, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor wat bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Op de in de pleitnota genoemde gronden heeft de verdediging – voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring mocht komen – bepleit verdachte te veroordelen tot een taakstraf eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Het oordeel van de rechtbank.

algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

de ernst van de bewezenverklaarde feiten

Verdachte heeft samen met zijn Duitse zakelijk partner op 4 juli 2012 [bedrijf 1] , een rechtspersoon naar buitenlands recht, opgericht zonder die rechtspersoon bij de belastingdienst te melden. Uit het dossier blijkt dat hij actief op zoek is geweest naar manieren om de activiteiten van [bedrijf 1] buiten het zicht van de Nederlandse en Duitse fiscale autoriteiten te houden. De belastingdienst heeft evenwel beschikking gekregen over informatie over deze rechtspersoon, waarna de belastingdienst een fiscaal onderzoek is gestart. Uitkomst van dit fiscale onderzoek was dat [bedrijf 1] belastingplichtig was in Nederland.

Om de belastingverplichtingen van [bedrijf 1] in een vaststellingsovereenkomst vast te kunnen leggen, heeft verdachte, in zijn hoedanigheid van directeur van [bedrijf 1] , vervolgens zijn medewerking toegezegd aan de belastingdienst en overzichten van banktransacties van de rekeningen van [bedrijf 1] overgelegd. Hij heeft hierbij echter onvolledige gegevens aan de Belastingdienst verstrekt. Hij heeft opzettelijk verzwegen dat hij en zijn compagnon ook een bankrekening in Jersey hadden, waar zij gelden vanuit [bedrijf 1] naartoe hadden overgemaakt. Het gevolg van die onvolledige informatieverstrekking is geweest dat de vaststellingovereenkomst tussen [bedrijf 1] en de Belastingdienst niet op waarheidsgetrouwe gegevens was gebaseerd, waardoor de betalingsverplichting van [bedrijf 1] aan de Staat te laag is vastgesteld. Daarnaast heeft verdachte opzettelijk onvolledige aangiften van inkomstenbelasting over de jaren 2013 tot en met 2016 gedaan door steeds de geldbedragen op de bankrekening in Jersey te verzwijgen.

De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij, zelfs nadat de belastingdienst had ontdekt dat hij inkomsten probeerde te verbergen door gebruik te maken van een buitenlandse vennootschap, en ondanks zijn toezegging dat hij volledige informatie zou verstrekken, nog steeds heeft geprobeerd vermogen verborgen te houden voor de belastingdienst.

De onjuistheid van de aan Belastingdienst verstrekte gegevens bij het bepalen van de vaststellingsovereenkomst en het doen van de aangiften inkomstenbelasting bestond uit het niet opgeven van alle inkomsten over die jaren. Daardoor is te weinig belasting geheven en heeft verdachte de Nederlandse Staat en daarmee de Nederlandse gemeenschap benadeeld. Bij belastingheffing zijn gewichtige gemeenschapsbelangen betrokken, nu door belastingheffing wordt beoogd de Staat de geldmiddelen te verschaffen die voor de vervulling van zijn taken nodig zijn. Die gemeenschapsbelangen heeft verdachte door zijn handelwijze geschonden. Met die belangen heeft verdachte geen rekening gehouden. Hij heeft zijn eigenbelang gesteld boven het gemeenschapsbelang.

de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte

Verdachte is niet eerder voor soortgelijke delicten veroordeeld. Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat verdachte een bedrijf leidt met meerdere werknemers. Het bedrijf is voor de inkomsten geheel afhankelijk van verdachte. Als verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou worden veroordeeld zou dit het einde van het bedrijf tot gevolg kunnen hebben. Hierdoor zou niet alleen verdachte maar ook zijn werknemers worden geraakt.

de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM

De rechtbank is verder van oordeel dat het recht van verdachte op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is geschonden. De rechtbank heeft daarbij tot uitgangspunt genomen dat de redelijke termijn is aangevangen op 3 november 2022 de dag dat verdachte inverzekering is gesteld. Er is geen sprake van feiten of omstandigheden die maken dat het tijdsverloop geheel of gedeeltelijk is toe te rekenen aan de verdediging. Ook is er geen sprake van feiten of omstandigheden die ertoe dienen te leiden dat afgeweken wordt van het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg twee jaren bedraagt. Een en ander maakt dat bij het doen van uitspraak door deze rechtbank de redelijke termijn met ruim veertien maanden is overschreden. Met deze overschrijding zal de rechtbank ten gunste van verdachte rekening houden bij het opleggen van een straf aan verdachte voor de hiervoor bewezenverklaarde feiten.

de strafmodaliteit en op te leggen straf

Bij haar beslissing heeft de rechtbank over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Op grond van de oriëntatiepunten zou oplegging van een [deels] onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend zijn.

Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zoals hiervoor is overwogen, zal de rechtbank niet overgaan tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank compenseert dit tijdsverloop door verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank is verder van oordeel dat uit het oogpunt van juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met alleen oplegging van een taakstraf. Daarom zal de rechtbank ook een voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte opleggen. De rechtbank wil met deze voorwaardelijke gevangenisstraf de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen. Daarnaast dient het voorwaardelijk deel als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

de conclusie.

Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte te veroordelen tot 240 uren taakstraf subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die verdachte inverzekering heeft doorgebracht en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 51, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht,

68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde feit.

opzettelijk het feit begaan, omschreven in artikel 68 eerste lid onderdeel c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven en verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit.

opzettelijk het feit begaan, omschreven in artikel 68 eerste lid onderdeel a van de Algemene wet inzake rijbelastingen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven en verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

De onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten zijn in eendaadse samenloop begaan.

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde feit.

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en/of onvolledig doen terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten.

 een taakstraf voor de duur van 240 uren [tweehonderdveertig uren] te vervangen door 120 dagen hechtenis indien veroordeelde deze taakstraf niet of niet naar behoren verricht.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis inverzekering is doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht. De rechtbank waardeert een inverzekering doorgebrachte dag op twee uren te verrichten arbeid.

 een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.M. Blanken, voorzitter,

mr. A.C. Palmboom en mr. I. el Mourabit, leden,

in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,

en is uitgesproken op 20 januari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. G.M. Blanken
  • mr. A.C. Palmboom
  • mr. I. el Mourabit

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026012206
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?