RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummers: 01.131747.22 en 01.202868.24 (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 07 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1962] ,
wonende te [adres 1] .
De zaak met parketnummer 01.131747.22 is op 12 augustus 2022 door de politierechter voor onbepaalde tijd aangehouden en op 24 maart 2025 verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van de meervoudige kamer op 17 december 2025 en 15 en 23 april 2026.
Op de zitting van 15 april 2026 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlasteleggingen.
De zaken zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 29 mei 2022 (01.131747.22) en 19 november 2025 (01.202868.24).
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. 01-131747-22:
hij op of omstreeks 29 mei 2022 te Ommel, gemeente Asten, in ieder geval in Nederland,
zijn levensgezel, [slachtoffer] ,
heeft mishandeld door die [slachtoffer]
- (met kracht) aan haar armen en/of haar haren te trekken
- (met kracht) tegen een muur te duwen
- te bijten in de rug en/of de neus en/of het gezicht en/of
- (met kracht) te knijpen in de borsten en/of
- een oorbel uit haar oor te trekken;
T.a.v. 01-202868-24:
hij in of omstreeks de periode van 13 februari 2022 tot en met 29 november 2022 te Ommel, Nederland en/of Neerpelt, België in elk geval in Nederland en/of België, [slachtoffer] , heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer]
- meermalen te slaan en/of stompen op/tegen het hoofd en/of het lichaam
- meermalen te knijpen in haar benen
- met een pen, althans een scherp en/of puntig voorwerp te bekrassen in/op het been
- meermalen te bijten in haar hand en/of neus
- meermalen (met kracht) vast te pakken bij de haren en/of het hoofd
- meermalen (met kracht) met haar hoofd tegen een muur en/of spiegel te slaan, althans te duwen
- meermalen te trappen/stampen op/tegen haar borstkas
- meermalen te trappen en/of schoppen tegen haar benen en/of zijkant van het lichaam
De formele voorvragen.
De geldigheid van de dagvaarding met parketnummer 01.202868.24:
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft bepleit dat sprake is van nietigheid van het op de dagvaarding met parketnummer 01.202868.24 ten laste gelegde feit. Volgens de verdediging wordt verdachte een groot aantal handelingen verweten, terwijl uit het dossier niet aanstonds valt af te leiden welke van de handelingen op welk moment zouden zijn begaan. Daarom is het voor verdachte onvoldoende duidelijk waarvoor hij wordt vervolgd en waartegen hij zich moet verdedigen.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het voldoende duidelijk is waarvoor verdachte wordt vervolgd en waartegen hij zich dient te verdedigen. Zoals op de zitting van 17 december 2025 al was aangekondigd en ter zitting van 15 april 2026 nog is verduidelijkt, maakt de vermeende mishandeling die op 29 mei 2022 in de [bar] plaatsvond, deel uit van de tenlastelegging onder het parketnummer 01.202868.24.
De vermeende mishandeling op diezelfde datum die plaatsvond in het chalet betreft het feit op de tenlastelegging met parketnummer 01.131747.22. De beide tenlasteleggingen zijn door de rechtbank gevoegd, maar de feiten dienen en kunnen los van elkaar gezien en behandeld te worden. Ook voor wat betreft het overige ten laste gelegde wist verdachte waartegen hij zich moest verdedigen. De tenlastelegging voldoet derhalve aan de wettelijke vereisten.
Het oordeel van de rechtbank.
Artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering bevat enkele minimumeisen voor een belangrijk onderdeel van de dagvaarding, de tenlastelegging. De tenlastelegging moet duidelijk, concreet en voldoende precies zijn. Als de tenlastelegging niet aan die minimumeisen voldoet, kan zij niet fungeren als grondslag voor een terechtzitting. De dagvaarding moet dan nietig worden verklaard.
De rechtbank is van oordeel dat, op basis van het dossier en meer specifiek de aangifte, als ook het verhandelde ter terechtzitting en de daarbij door de officier van justitie gegeven uitleg over de bedoeling van de ten laste legger, het wat betreft het ten laste gelegde onder 01.202868.24 voldoende duidelijk is waarvoor verdachte wordt vervolgd en waartegen verdachte zich dient te verdedigen. De tenlastelegging voldoet aan voormelde minimumeisen. Ter zitting bleek het ook goed mogelijk om de verschillende verdenkingen met verdachte te bespreken en was het hem duidelijk waarvan hij werd verdacht. Verdachte wordt door de wijze waarop het ten laste gelegde feit in de dagvaarding is omschreven niet op enigerlei wijze in zijn belangen geschaad. Het verweer wordt verworpen.
De rechtbank stelt vast dat de dagvaardingen ook voor het overige geldig zijn en dus inhoudelijk kunnen worden beoordeeld.
De overige voorvragen.
De rechtbank is verder bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de beide ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de beide ten laste gelegde feiten.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank zal zich eerst buigen over de verdenking die gebaseerd is op de gebeurtenissen in het Chalet op [adres 2] , op 29 mei 2022 (parketnummer 01-131747-22). Daarna zal zij de overige ten laste gelegde mishandelingen beoordelen (parketnummer 01-202868-24).
Parketnummer 01-131747-22
Door de rechtbank vastgestelde feiten
Op 29 mei 2022, rond 02:39 uur, ontving de politie een melding vanuit het Operationeel Centrum Oost-Brabant (de rechtbank leest: de meldkamer) en het verzoek te gaan naar [adres 2] . Aangeefster bleek aldaar de alarmknop van haar Iphone te hebben ingedrukt waardoor de meldkamer een open verbinding had met haar telefoon en kon horen wat er werd gezegd. De meldkamer hoorde dat verdachte en aangeefster ruzie hadden, dat aangeefster overstuur was en aan de politie doorgaf dat verdachte een agressieve indruk maakte. Verdachte praatte geregeld met harde stem en aangeefster riep meermalen “au” en “blijf van me af”.
De meldkamer hield de dienstdoende politieambtenaren gedurende de rit naar Ommel via het meldingsscherm op de hoogte van wat er tussen verdachte en aangeefster gezegd werd. Zo zei aangeefster “Doe het niet, alsjeblieft”, “Stop ermee alsjeblieft”, “ [alias verdachte] alsjeblieft, stop met mij pijn doen, neeheehee”. Van dit open contact is een geluidsopname gemaakt die is uitgewerkt in een proces-verbaal en is toegevoegd aan het dossier.
Aangekomen bij het chalet deed verdachte, na enige tijd aankloppen door de politie, open.
De politie is naar binnen gegaan en hoorde iemand huilen. In de kinderkamer werd aangeefster aangetroffen. Zij was naakt en zat gehurkt op de grond met de haren voor het gezicht. Haar armen en benen had ze vastgeklemd en ze keek naar beneden terwijl ze erg huilde. Op de grond lag een oorring en op het hoeslaken zaten rode druppels die leken op bloed. Aangeefster gaf aan dat die druppels waarschijnlijk uit haar neus kwamen.
Aangeefster vertelde de politie dat ze die avond in de [bar] van [adres 2] onenigheid had gehad met verdachte. Uiteindelijk was ze wel bij hem in de auto gestapt en samen waren ze naar het chalet [nummer] gegaan. Zij mocht van verdachte niet in zijn bed slapen, waarop zij naar de kinderkamer is gegaan. Verdachte is vervolgens naar haar toe gekomen en zei haar mee te gaan naar hun eigen slaapkamer. Aangeefster vertelde dat ze toen door verdachte heel hard aan haar arm en haren meegetrokken werd. Ze had hierop de SOS-knop van haar Iphone ingedrukt en haar telefoon uit haar hand laten vallen. Aangeefster vertelde de politie dat verdachte haar toen nogmaals hard en met beide handen aan de haren had getrokken. Ook had hij haar in haar rug gebeten en in haar borsten geknepen.
Aangeefster was tijdens het gesprek volgens de politie erg emotioneel en de politie hoorde dat ze bang was. Zij vertelde dat ze uit een relatie kwam waar veel huiselijk geweld had gespeeld en hiervoor nooit de politie had gebeld. Nu had ze dat uit paniek wel gedaan.
De politieambtenaren zagen dat aangeefster een schaafwond op haar rechterarm had. Ook zagen zij twee rode kringen, links boven op haar rug, lijkend op een beetwond. Hiervan zijn door de politie foto’s gemaakt.
Bewijsoverwegingen.
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de mishandelingen waarvan verdachte wordt beschuldigd. In zaken over mishandeling in de relationele sfeer is er vaak weinig bewijs, vooral als de verdachte het feit ontkent. Over het algemeen zijn er geen getuigen van de gebeurtenissen, omdat ze zich veelal afspelen in de beslotenheid van een woning, buiten aanwezigheid van derden. De verklaringen van het vermeende slachtoffer nemen dan ook een belangrijke plaats in bij de beoordeling van het bewijs. Het is bij de beoordeling van het bewijs in dergelijke zaken daarom noodzakelijk dat de rechtbank eerst beoordeelt of de verklaringen van het vermeende slachtoffer betrouwbaar zijn.
Daarnaast kan volgens de wet een feit niet worden bewezen op grond van één getuige. Ook niet als de rechtbank deze verklaring betrouwbaar acht. Naast de betrouwbaarheid van de verklaringen van het vermeende slachtoffer is het daarom van belang of er voldoende ander bewijs is dat die verklaring ondersteunt; het zogenaamde steunbewijs. Dat steunbewijs moet van een andere bron afkomstig zijn dan van het vermeende slachtoffer. Volgens de Hoge Raad hoeven niet alle handelingen waarvan verdachte wordt beschuldigd, ondersteund te worden door ander bewijs. De verklaring van het vermeende slachtoffer moet wel op concrete, wezenlijke punten worden ondersteund. Ook mag het steunbewijs niet in een te ver verwijderd verband staan tot wat moet worden bewezen.
Betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster .
Vooropgesteld wordt dat in alle strafzaken aangiftes kritisch en zorgvuldig moeten worden bezien. Verklaringen dienen onder meer te worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid. Het enkele feit dat in verklaringen op punten tegenstrijdigheden voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Dit feit kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen en/of het gevolg zijn van emoties die zijn ontstaan door het delict of tijdsverloop. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd.
Aangeefster is na de gebeurtenissen op 29 mei 2022 gevraagd of zij aangifte wilde doen, maar ze zei dat ze dat niet durfde en erover na wilde denken. De politie heeft wel haar verklaring opgenomen in een proces-verbaal van bevindingen.
Op 18 november 2022 is aangeefster op verzoek van de verdediging bij de rechter-commissaris gehoord. Tijdens dat verhoor kwam zij terug op het verhaal dat ze op 29 mei 2022 tegen de politie vertelde en gaf ze aan dat de politie aandrong op een aangifte.
Nadat de relatie tussen verdachte en aangeefster was beëindigd, heeft aangeefster op 15 juni 2023 alsnog aangifte gedaan van mishandeling gedurende een langere periode door verdachte. In die aangifte herhaalt en bevestigt ze haar verklaring die de politie op 29 mei 2022 uit haar mond heeft opgetekend en geeft ze aan dat ze bij de rechter-commissaris heeft gelogen, omdat ze bedreigd zou zijn door verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat aangeefster bij het doen van haar aangifte op 15 juni 2023 authentiek, gedetailleerd, helder en in de kern consistent met haar eerdere verklaring van 29 mei 2022 heeft verklaard. Op grond daarvan vind de rechtbank de verklaring van aangeefster betrouwbaar.
Dat zij eerder geen aangifte wilde doen en bij de rechter-commissaris niet naar waarheid heeft verklaard, doet hieraan niet af, omdat zij ook heeft uitgelegd waarom zij hiertoe kwam. Verdachte zette haar onder druk. Uit de getuigenverklaring van [getuige 1] , als televisieproducer in die periode betrokken bij het leven van aangeefster en verdachte, blijkt dat aangeefster dit ook tegen deze getuige verteld heeft.
De rechtbank beschouwt dit als een aannemelijk scenario, mede in aanmerking genomen dat de door aangeefster bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring moeilijk te rijmen is met de bevindingen van de politie van 29 mei 2022, zodat de rechtbank de verklaring die aangeefster bij de rechter-commissaris heeft afgelegd buiten beschouwing zal laten.
Steunbewijs
De rechtbank is van oordeel dat voor de aangifte ook voldoende steunbewijs bestaat.
De wijze waarop de politie aangeefster heeft aantroffen en het letsel dat door de politie toen bij aangeefster is gezien, maar ook hetgeen te horen is op de geluidsopname van het contact met de meldkamer, vormen ondersteuning voor aangeefsters verklaring dat ze door verdachte is mishandeld. De aard en omvang van het letsel passen ook bij hetgeen aangeefster hierover zowel op 29 mei 2022 als in haar aangifte heeft verteld.
Dit geldt ook wat betreft de op 29 mei 2022 op de grond van de kinderkamer aangetroffen oorbel in combinatie met wat aangeefster hierover in haar aanvullende aangifte heeft verklaard en het op dat moment door de politie geconstateerde letsel aan de oorlel van aangeefster.
Verklaring verdachte
Verdachte heeft bij zijn eerste verhoor op 29 mei 2022 verklaard dat hij die vroege ochtend van 29 mei 2022 wakker is geworden van de politie die aan de deur stond, dat hij een hysterische aangeefster in de kinderkamer zag en dat hij vervolgens meteen open heeft gedaan voor de politie. Nadat hij geconfronteerd werd met de geluidsopname van het contact met de meldkamer waarop verdachtes stem te horen is, gaf verdachte aan dat hij de situatie niet terug kon halen.
Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat hij bij de politie gelogen heeft en dat hij die nacht inderdaad ruzie had met aangeefster. De mishandeling heeft verdachte ter terechtzitting echter ontkend.
Verdachte heeft gedurende het proces geen alternatieve verklaring gegeven die het letsel van aangeefster kan verklaren. De verklaring van verdachte over de gang van zaken in de betreffende nacht, in het bijzonder over de komst van de politie, is aantoonbaar onwaar, terwijl de aangifte consistent is en in lijn met de waarnemingen van de meldkamer en de politieambtenaren ter plaatse. De verklaring van verdachte dat hij en aangeefster die nacht weliswaar ruzie hadden in chalet [nummer] , maar dat hij haar daarbij niet mishandeld heeft, acht de rechtbank gelet op al het bovenstaande dan ook ongeloofwaardig.
Conclusie
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn (toenmalige) partner in de vroege ochtend van 29 mei 2022 heeft mishandeld.
Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage bij dit vonnis.
De beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hiervoor bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
Parketnummer 01.202868.24
Voorts wordt verdachte verweten het mishandelen van aangeefster gedurende een langere periode, te weten van 13 februari 2022 tot en met 29 november 2022. Zij deed hiervan aangifte op 15 juni 2023, waarbij zij verdachte beschuldigde van de handelingen zoals vermeld in de tenlastelegging, op meerdere momenten in deze periode gepleegd. Verdachte ontkent de mishandelingen. Naar aanleiding van de aangifte zijn door de politie en de rechter-commissaris diverse getuigen gehoord en zijn door aangeefster aan de politie foto’s verstrekt waarop bij haar letsel is waar te nemen.
In dit geval is daarbij relevant dat slechts één van de gehoorde getuigen, namelijk [getuige 2] , aanwezig zou zijn geweest op momenten dat er sprake was van vermeende mishandelingen.
De getuigen die met aangeefster en verdachte samenwerkten aan een televisieprogramma hebben weliswaar op 18 februari 20222 van aangeefster gehoord dat verdachte haar zou mishandelen en hebben daarbij ook gezien dat aangeefster erg overstuur was, maar zij hebben toen, noch op enig ander moment, gezien dat aangeefster letsel had. Zij verklaren ook niet relevant over de rest van de ten laste gelegde periode.
De rechtbank laat de verklaring van getuige [getuige 2] buiten beschouwing.
De geweldshandelingen die gaan over de gebeurtenissen in de [bar] en die genoemd zijn in de aangifte, stroken namelijk onvoldoende met de verklaring van de getuige. Daarbij komt dat de getuige ook niet benoemt wanneer de door hem waargenomen overige mishandelingen zouden hebben plaatsgevonden.
Hiermee valt de belangrijkste pijler van een eventuele bewijsconstructie weg. Hetgeen zich verder in het dossier bevindt kan een bewezenverklaring van de ten laste gelegde handelingen niet dragen. Zo bestaat ten aanzien van een groot aantal door aangeefster overhandigde foto’s onduidelijkheid over wanneer deze gemaakt zijn. Als de foto’s voor een deel al op 29 november 2022 zijn gemaakt, zijnde de dag dat aangeefster fors door verdachte mishandeld zou zijn, dan staat daar tegenover dat door de getuige [getuige 3] op 29 november 2022 geen letsel bij aangeefster is waargenomen. Dit roept voor de rechtbank te veel vragen op. Bovendien geldt dat de foto’s weliswaar ondersteuning kunnen bieden aan het verhaal van aangeefster dat zij letsel heeft opgelopen, maar bieden zij op zichzelf geen ondersteuning voor het vaststellen van het veroorzaken daarvan door verdachte.
Conclusie
Dit betekent niet dat de rechtbank de verklaring van aangeefster onbetrouwbaar acht, maar dat er onvoldoende bewijs is om haar verklaring te ondersteunen.
De rechtbank acht het onder 01.202868.24 daarom niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Voorwaardelijk getuigenverzoek
Bij wijze van voorwaardelijk verzoek heeft de verdediging verzocht om een aantal getuigen te horen. Aangezien de voorwaarde (voor zover de rechtbank niet aanstonds tot vrijspraak komt) niet in vervulling gaat, komt de rechtbank aan behandeling van dat verzoek niet meer toe.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte t.a.v. 01.131747.22:
op 29 mei 2022 te Ommel, gemeente Asten,
zijn levensgezel, [slachtoffer] ,
heeft mishandeld
door die [slachtoffer]
- met kracht aan haar armen en haar haren te trekken
- te bijten in de rug en
- met kracht te knijpen in de borsten en
- een oorbel uit haar oor te trekken.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor de beide ten laste gelegde feiten te veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 140 uur subsidiair 70 dagen hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie heeft bij de eis in het voordeel van verdachte rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om, in het geval een straf wordt opgelegd, rekening te houden met het feit dat verdachte geen relevant strafblad heeft en het een ouder feit betreft.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn toenmalige partner in het chalet waar zij samenwoonden. Het betreft derhalve een vorm van huiselijk geweld.
De rechtbank tilt hier zwaar aan. Juist binnen de relationele en huiselijke sfeer dienen veiligheid, vertrouwen en lichamelijke integriteit een groot goed te zijn. Verdachte heeft hier door zijn handelen een ernstig inbreuk op gemaakt.
Het geweld moet een grote indruk op het slachtoffer hebben gemaakt. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog lang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Dat het slachtoffer in een eerdere relatie mishandeld is en hierdoor al psychisch leed, doet hieraan niet af. Sterker nog, verdachte wist heel goed van het verleden van het slachtoffer en heeft desondanks geweld tegen haar gebruikt.
De rechtbank vindt, kijkend naar wat rechtbanken in min of meer vergelijkbare zaken, opleggen een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel een passende bestraffing voor het feit waaraan verdachte zich heeft schuldig gemaakt.
Voor het bepalen van de precieze straf die de rechtbank zal opleggen overweegt de rechtbank verder als volgt.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 9 maart 2026 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
Verdachte is op 29 mei 2022 in verzekering gesteld. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een strafzaak dient te zijn afgerond binnen twee jaren. Twee jaar na de inverzekeringstelling was het 29 mei 2024. De rechtbank doet heden, 7 mei 2026, pas uitspraak. Aldus is de redelijke termijn in aanzienlijke mate, te weten met ruim 23 maanden, overschreden.
De rechtbank zal de overschrijding van de redelijke termijn in het voordeel van verdachte verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat de rechtbank naast de op te leggen taakstraf geen voorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen, wat zij bij een berechting binnen redelijke termijn wel passend had geacht.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank verdachte voor de mishandeling van zijn (toenmalige) levenspartner zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis indien de taakstraf niet of niet naar behoren wordt verricht.
De rechtbank ziet ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de taakstraf geen beletsel in het feit dat verdachte in België woont.
De rechtbank legt hiermee een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van de mishandeling(en) zoals ten laste gelegd onder parketnummer 01.2020868.24.
De rechtbank is van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij voor integrale toewijzing vatbaar, met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op het gevoerde vrijspraakverweer, de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de beoordeling van de causaliteit van de vordering zeer ingewikkeld is en noopt tot het leveren van tegenbewijs. Dit alles vormt een onevenredige belasting van de strafzaak, zodat de benadeelde partij ook om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Meer subsidiair betwist de verdediging de hoogte van de vordering evenals de duur en intensiteit van de gebeurtenissen.
Het oordeel van de rechtbank.
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van 12.500,00 euro ingediend vanwege immateriële schade die zij als gevolg van het aan verdachte ten laste gelegde zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Op grond van artikel 6:106, sub b, van het Burgerlijk Wetboek komt de benadeelde partij onder meer een vergoeding toe voor immateriële schade als er sprake is van lichamelijk letsel en/of het slachtoffer op andere wijze in de persoon is aangetast.
De rechtbank stelt op grond van het strafdossier en de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij vast dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Dat het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit, in de eigen woning, heeft plaatsgevonden, gevoelens van angst en stress teweeg hebben gebracht, acht de rechtbank aannemelijk.
De mate waarin de benadeelde psychische schade heeft opgelopen is (vooralsnog) echter moeilijk vast te stellen. De rechtbank zal gebruikmaken van haar schattingsbevoegdheid en acht in ieder geval een bedrag van 1.000 euro passend en toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij zal ten aanzien van het resterende deel van de vordering van immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Verder onderzoek naar de juistheid en omvang van dit deel van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 22c, 22d, 36f, 63, 304 Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart het onder 01.202868.24 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
- verklaart het onder 01.131747.22 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
T.a.v. 01.131747.22:
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregel.
T.a.v. 01-131747-22 feit 1:
Een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.
De rechtbank beveelt dat de tijd, door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde onvoorwaardelijke taakstraf en waardeert in dat kader een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uren te verrichten arbeid
Een maatregel tot schadevergoeding.
De rechtbank legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 1.000 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
De rechtbank wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 1.000 euro, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,
mr. C.W.H. Houg en mr. M.M.J. Nuyten, leden,
in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier,
en is uitgesproken op 07 mei 2026.
Mr. Nuyten is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.