ECLI:NL:RBOBR:2026:2871

ECLI:NL:RBOBR:2026:2871

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 07-05-2026
Datum publicatie 06-05-2026
Zaaknummer 82/322925/24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Veroordeling voor: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet of niet tijdig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon waaraan de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd. Het fiscale nadeel is geschat op een bedrag van ruim 2,8 miljoen euro dat nog aan vennootschapsbelasting door de rechtspersonen moet worden betaald. De rechtbank legt op een voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 82.322925.24

Datum uitspraak: 7 mei 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1962] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna aangeduid als de verdachte.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 14 april 2026 en 30 april 2026.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 november 2025. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

[naam 1] en/of [naam 2] en/of

[naam 3] . en/of [naam 4] en/of

[naam 5] en/of [naam 6]

en/of [naam 7] , in of omstreeks de

periode van 6 augustus 2022 tot 28 juni 2024 (aangifte vpb 2020) en/of in of

omstreeks de periode van 25 juli 2023 tot 28 juni 2024 (aangifte vpb 2021), in de

gemeente Asten en/of te Apeldoorn en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen

en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, meermalen, althans

eenmaal, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (digitale)

aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting ten name van [naam 1]

en/of [naam 2] en/of [naam 8]

en/of [naam 4] en/of [naam 9]

en/of [naam 10] en/of [naam 11]

, over het/de aangiftetijdvak(ken) 2020 en/of 2021

niet heeft/hebben gedaan en/of niet binnen de daarvoor gestelde termijn

heeft/hebben gedaan,

terwijl dat/die feit (en) (telkens) ertoe strekten dat te weinig belasting werd

geheven,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafba(a)re feit(en) verdachte

(telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden

gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven.

Voor zover in de tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijswaardering.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte (partieel) dient te worden vrijgesproken van het onderdeel ‘niet doen van aangiften’, omdat de aangiften vennootschapsbelasting uiteindelijk wel zijn ingediend.

Met betrekking tot de in het dossier genoemde aanmaningen (tot het doen van belastingaangifte vennootschapsbelasting) heeft de verdediging – kort weergegeven –betoogd dat in het dossier slechts uitdraaien van aanmaningsbrieven uit het systeem van de Belastingdienst zijn opgenomen. Niet gecontroleerd kan worden dat de aanmaningen het adres van de belastingplichtigen daadwerkelijk hebben bereikt. Bij deze stand van zaken dient de verdachte te worden vrijgesproken, aldus de verdediging (onder verwijzing naar jurisprudentie).

De verdediging heeft verder betoogd dat het opzet op het niet tijdig doen van aangiften ontbreekt en (subsidiair) dat niet is voldaan aan het strekkingsvereiste.

Ook heeft de verdediging betoogd dat verdachte niet als pleger van de onderhavige feiten kan worden veroordeeld, omdat het kwaliteitsdelicten betreft en verdachte niet de betreffende kwaliteit heeft.

De verdediging heeft tot slot betoogd dat geen sprake is van medeplegen, zodat de verdachte hiervan (partieel) dient te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen over het bewijs.

De bewijsmiddelen zijn opgenomen in het procesdossier van de Belastingdienst/FIOD, genummerd/genaamd [nummer] ‘Braddon’, gesloten op 10 oktober 2024, aantal pagina’s 130.

Hierna zal de rechtbank telkens in de voetnoten verwijzen naar de vindplaats van de desbetreffende bewijsmiddelen (digitale nummering).

Volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel van [naam 1] is

de verdachte enig aandeelhouder en bestuurder van deze vennootschap. [naam 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van de verdachte rechtspersonen [naam 2] en [naam 3] . en [naam 4] en [naam 5] en [naam 10] en [naam 7]

Het niet (tijdig) doen van aangiften vennootschapsbelasting.

De Belastingdienst heeft de hiervoor genoemde verdachte rechtspersonen over de jaren 2020 en 2021 uitgenodigd om aangifte vennootschapsbelasting te doen. Wegens

het uitblijven van die aangiften is vervolgens telkens een herinnering en daarna een aanmaning verstuurd. In het dossier bevindt zich een overzicht van deze uitnodigingen, herinneringen en aanmaningen, telkens met verwijzing naar de onderliggende brondocumenten. De uiterste termijn voor het indienen van de vennootschapsbelasting over 2020 bedroeg 5 augustus 2022. Met betrekking tot de vennootschapsbelasting over 2021 was de uiterste termijn 24 juli 2023.

Omdat de aangiften, ondanks uitnodiging en rappelering niet door de Belastingdienst zijn

ontvangen heeft de Belastingdienst aan iedere rechtspersoon zogenoemde ‘correctie-

brieven’ verstuurd met daarin het voornemen om ambtshalve aanslagen op te leggen. Deze hebben steeds betrekking op zowel 2020 als 2021. De inspecteur schrijft daarin:

De reden dat ik deze ambtshalve aanslagen wil opleggen, is gelegen in het feit dat ik tot op

heden - ondanks verleend uitstel en een herinnering en aanmaning - géén aangiften

vennootschapsbelasting over het jaar 2020 en 2021 heb ontvangen.

De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat binnen de genoemde termijnen geen aangiften vennootschapsbelasting zijn ingediend.

Met betrekking tot het verweer van de verdediging dat niet gecontroleerd kan worden dat voornoemde aanmaningen de belastingplichtigen daadwerkelijk hebben bereikt overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank constateert dat de in het dossier genoemde aanmaningen telkens geadresseerd zijn aan het adres [adres] , waar de [naam 1] is gevestigd, en waar zich volgens verdachte ook de centrale administratie van alle ondernemingen bevindt.

In algemene zin overweegt de rechtbank allereerst dat de verdediging, ook niet bij de monde van de verdachte, nooit heeft betwist dat de aanmaningen de betreffende rechtspersonen telkens hebben bereikt. Er wordt enkel een punt van gemaakt dat zulks op basis van het dossier niet vastgesteld zou kunnen worden en dat verdachte [verdachte] de brieven zelf niet heeft gelezen, althans zich dat niet kan herinneren. Van de situatie – zoals in de door de verdediging aangehaalde jurisprudentie – dat een verdachte uitdrukkelijk betwist dat hij de aanmaningen heeft ontvangen, waardoor hij (te goeder trouw) niet op de hoogte was van de betalingstermijnen – is hier geen sprake. In die zin laat dit verweer zich ook moeilijk begrijpen nu, hier voor het eerst op zitting een punt van wordt gemaakt. Dit terwijl al gedurende een periode van meerdere jaren vele brieven naar de verdachte (rechtspersonen) zijn verstuurd en naar aanleiding daarvan meerdere gesprekken met de Belastingdienst hebben plaatsgevonden over onder andere de feiten die thans aan de orde zijn.

De verdachte heeft – kort samengevat – verklaard dat hij brieven tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting niet heeft gezien. Hij heeft hiervoor administratief medewerkers in dienst en een boekhouder/belastingadviseur ingeschakeld. Hij ging ervan uit dat de administratief medewerkers goed met de brieven om zouden gaan. De rechtbank stelt dus vast (zoals gezegd) dat de verdachte zelf niet heeft betwist dat de aanmaningen op de juiste adressen terecht zijn gekomen.

Op vragen van de rechtbank heeft de verdachte verder (met betrekking tot de termijnen voor het indienen van de aangiften vennootschapsbelasting) verklaard dat hij weleens overleg heeft gehad, dat hij mensen “achter de broek” heeft gezeten en dat hij intern heeft gezegd dat men moest “opschieten”. De rechtbank concludeert hieruit dat de verdachte er blijkbaar wel van op de hoogte was dat er dat er bepaalde termijnen golden voor het indienen van de aangiften vennootschapsbelasting en dat hij zijn personeel kennelijk heeft aangespoord om daaraan te voldoen.

De reden voor het niet binnen de gestelde termijnen indienen van de aangiften vennootschapsbelasting is volgens de verdachte zelf gelegen in allerlei omstandigheden, zoals de inval van de FIOD in 2019, de inbeslagname van de administratie door de FIOD en de omstandigheid dat zijn vaste accountant niet langer voor hem wilde werken. Dit is naar het oordeel van de rechtbank iets anders dan dat de aangiften niet tijdig zijn ingediend omdat de aanmaningen daartoe niet zouden zijn ontvangen.

Getuige [getuige] (belastingadviseur bij [bedrijf] , waar de verdachte en de verdachte rechtspersonen vanaf februari 2022 klant zijn) heeft bij de rechter-commissaris op 26 november 2024 verklaard dat de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2020 en 2021 te laat zijn ingediend, omdat de jaarcijfers niet eerder compleet waren. [getuige] heeft op de vraag of contact is gezocht met de Belastingdienst omtrent het feit dat de termijnen van het indienen van aangiften niet konden worden gehaald geantwoord dat op 4 juli 2023 een overleg is geweest met medewerkers van de Belastingdienst. De bedoeling van het gesprek was de grote achterstand in het doen van aangiften te bespreken. Op de vraag of op andere moment contact is geweest met de Belastingdienst gaf [getuige] aan dat dat veelvuldig het geval is geweest. De rechtbank concludeert ook uit deze verklaring dat de belastingadviseur van de verdachte op de hoogte was van de termijnen die golden voor het indienen van de aangiften vennootschapsbelasting en dat deze termijnen reeds waren geschonden, met als reden dat de jaarcijfers niet eerder compleet waren.

De rechtbank heeft daarom geen reden om aan te nemen dat de betreffende aanmaningen – die telkens aan de juiste adressen zijn geadresseerd – niet daadwerkelijk de belastingplichtigen hebben bereikt. Uiteindelijk zijn de aangiften vennootschapsbelasting – na het verstrijken van de uiterste termijnen – pas op 28 juni 2024 ingediend. Het verweer wordt verworpen.

Nu de betreffende aangiften op 28 juni 2024, dus na de gestelde termijnen, alsnog zijn ingediend, kan niet worden gezegd dat geen aangiften zijn ingediend, zodat in zoverre vrijspraak zal volgen.

Opzet.

De verdachte rechtspersonen hebben de in de tenlastelegging vermelde belastingaangiften niet tijdig gedaan, terwijl zij daartoe wel verplicht waren. De door de verdachte aangehaalde omstandigheden ontslaan hen niet van deze verplichting. Daarnaast is van belang dat [getuige] heeft verklaard dat de bezetting bij de [naam 1] beperkt was, en dat er al jarenlang geen jaarstukken waren opgemaakt. Het is aan de rechtspersonen (en uiteindelijk dus aan verdachte) om ervoor te zorgen dat er een deugdelijke administratie wordt gevoerd waarmee tijdig aangiftes kunnen worden opgesteld en ingediend. Door het ontbreken hiervan hebben de rechtspersonen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de betreffende aangiften niet (tijdig) werden gedaan. Daarmee is sprake van voorwaardelijk opzet.

Het strekkingsvereiste.

Bij de beantwoording van de vraag of voldaan is aan het strekkingsvereiste gaat het er volgens vaste rechtspraak om of het niet (tijdig) doen van belastingaangiften gezien de effecten die daarvan uitgaan, naar zijn aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven. Naar het oordeel van de rechtbank mag er naar algemene maatstaven vanuit worden gegaan dat het niet (tijdig) doen van de vereiste aangiften naar haar aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven.

De verdediging heeft in dit verband betoogd dat in zaken zoals de onderhavige (ook) specifieke aspecten van de concrete zaak een rol moeten spelen, en heeft daarbij gewezen op de aanwezigheid van forse compensabele verliezen in de ondernemingen van verdachte.

In deze zaak heeft de Belastingdienst de belastbare bedragen moeten schatten. Dit heeft in totaal geleid tot een bedrag van ruim 2,8 miljoen euro dat nog aan vennootschapsbelasting moet worden betaald. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

De verdediging heeft in reactie hierop gesteld dat inmiddels is gebleken dat correcties over 2020 en 2021 komen te vervallen en dat de in juni 2024 ingediende aangiftes worden gevolgd, waardoor er niet te weinig belasting is geheven.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat de vraag of voldaan is aan het strekkingsvereiste moet worden beoordeeld naar het moment waarop de belastingplichtige in verzuim is. Dit betekent dat ontwikkelingen van na dat moment geen rol spelen. Bovendien heeft de HR op 1 december 2015 nog geoordeeld dat de strekking dat te weinig belasting wordt geheven niet is beperkt tot de heffing ten laste van degene die zelf de verboden gedraging heeft verricht, maar dat beslissend is of die gedraging – (..) - naar haar aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat (in rekenkundige zin) onvoldoende belasting wordt geheven (ECLI:NL:HR:2015:3431).

Hetgeen de verdediging heeft betoogd kan daarom niet tot het door haar gewenste resultaat leiden. Het verweer van de verdediging, dat niet is voldaan aan het strekkingsvereiste, wordt verworpen.

Toerekening aan de rechtspersonen.

Een rechtspersoon kan een strafbaar feit begaan als de verboden gedraging aan de rechtspersoon kan worden toegerekend.

Het niet binnen de gestelde termijn indienen van de aangiften kan worden toegerekend aan de rechtspersonen, omdat het doen van deze aangiften in de sfeer van de rechtspersoon plaatsvindt en past in de normale bedrijfsvoering van vennootschappen.

Op grond van het voorstaande stelt de rechtbank vast dat de in de tenlastelegging genoemde rechtspersonen zich schuldig hebben gemaakt aan genoemde strafbare feiten.

Feitelijk leidinggeven.

De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan het door de rechtspersonen niet binnen de gestelde termijn belastingaangiften doen.

De rechtbank is van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven. Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte zich (nog los van zijn formele bevoegdheden) heeft gepresenteerd en gedragen als de feitelijk leidinggever van de rechtspersonen. De verdachte heeft dit erkend en de verdediging heeft dit ook niet betwist. Verdachte was dus eindverantwoordelijke en hij heeft daarmee feitelijk leidinggegeven aan het nalaten de aangiften tijdig in te dienen.

Medeplegen.

Niet is gebleken dat de ondernemingen de feiten tezamen en in vereniging met (een) ander(e) ondernemingen hebben gepleegd, zodat van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspraak zal volgen.

Kwaliteitsdelict.

De rechtbank verwerpt dit verweer omdat verdachte volgens de tenlastelegging niet als pleger maar als feitelijk leidinggevende van de ondernemingen is aangemerkt (en dit laatste ook wettig en overtuigend bewezen is).

Conclusie.

De feiten kunnen op grond van al het voorgaande wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

De bewezenverklaring.

Op grond van de inhoud van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, en op grond van de inhoud van het vorenoverwogene, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

[naam 1] en [naam 2] en

[naam 3] . en [naam 4] en

[naam 5] en [naam 6]

en [naam 7] , in de periode van 6 augustus 2022 tot 28 juni 2024 (aangifte vpb 2020) en in de periode van 25 juli 2023 tot 28 juni 2024 (aangifte vpb 2021), in Nederland, meermalen, telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (digitale) aangiften voor de vennootschapsbelasting ten name van [naam 1]

en [naam 2] en [naam 8]

en [naam 4] en [naam 5] en [naam 10] en [naam 7] , over de aangiftetijdvakken 2020 en 2021 niet binnen de daarvoor gestelde termijn hebben gedaan,

terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven,

aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden geëist.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft betoogd dat er bij een bewezenverklaring rekening mee gehouden dient te worden dat de administratie inmiddels is rechtgetrokken en dat het de intentie van de verdachte is om jaarlijks tijdig aangifte te doen.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemene overweging.

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feiten waarop de straf is gebaseerd.

De verdachte heeft zich als eigenaar van een groot aantal ondernemingen gedurende een periode van meerdere jaren schuldig gemaakt aan ernstige fiscale nalatigheid, door het opzettelijk niet tijdig doen van aangiften vennootschapsbelasting. In het onderhavige geval heeft de Belastingdienst het fiscale nadeel geschat op een bedrag van ruim 2,8 miljoen euro dat nog aan vennootschapsbelasting door de rechtspersonen moet worden betaald.

De verdachte heeft met zijn handelen de integriteit van het financiële en economische verkeer geschonden, enkel ten behoeve van zijn eigen financiële belangen. Ook heeft hij het financiële fundament van onze samenleving ondermijnd. Uit zijn handelen blijkt dat de verdachte volstrekt onvoldoende prioriteit heeft gegeven aan de fiscale verplichtingen die verbonden zijn aan het drijven van zijn ondernemingen.

Daarbij komt dat de bewust gebrekkige wijze waarop de administratie is gevoerd het lastig maakt om (ook nadat er aangiftes zijn ingediend) te komen tot een juiste aangifte. Dit valt de verdachte volledig te verwijten.

De rechtbank heeft ook gezien dat het administratief al vanaf 2013/2014 mis gaat bij de verdachte rechtspersonen. Over meerdere boekjaren worden geen jaarcijfers opgemaakt. Pogingen om de verdachte ‘compliant’ te krijgen slagen niet. In 2019 vonden dan invallen door de FIOD plaats bij de verdachte en de verdachte rechtspersonen. Op de terechtzitting van 14 april 2026 heeft een belastingadviseur van het huidige accountantskantoor van de verdachte desgevraagd te kennen gegeven dat er thans nog tientallen fiscale procedures lopen tussen de Belastingdienst en verdachtes rechtspersonen.

De onderhavige zaak staat dus niet op zichzelf, maar lijkt onderdeel van een vast patroon. Anders dan vergelijkbare ondernemingen van deze omvang heeft verdachte er vele jaren voor gekozen om geen volledige, inzichtelijke en professionele administratie te voeren.

Met als gevolg dat jarenlang niet wordt voldaan aan de fiscale verplichtingen en de belastingdienst handenvol werk heeft. Tegelijkertijd kiest hij ervoor om veelvuldig belastingprocedures te starten.

Op vragen van de rechtbank is niet duidelijk geworden in hoeverre er inmiddels al is betaald. Het is dan ook de vraag of de te betalen belasting uiteindelijk volledig betaald zal gaan worden, aangezien de bedrijven nu grotendeels stilliggen doordat diverse vergunningen zijn ingetrokken. Dit terwijl de bedrijven voorheen winstgevend waren.

De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 november 2025. De rechtbank houdt in de strafmaat rekening met een niet-onherroepelijke veroordeling van 15 april 2025 terzake het niet juist voeren van een administratie alsmede het niet (tijdig) doen van belastingaangiften over 2017 en 2018. Hiervoor is aan de verdachte een gevangenisstraf is opgelegd van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Deze zaak en de onderhavige, vergelijkbare zaak hadden gelijktijdig kunnen worden behandeld; artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is hier van toepassing.

Straftoemeting.

Gelet op de aard en de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor straftoemeting (LOVS) en naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De oriëntatiepunten gaan bij een benadelingsbedrag van € 1.000.000,- en hoger uit van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden tot maximaal (in dit geval) 4 jaar.

Alles afwegend, ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de strafeis van de officier van justitie. De rechtbank zal, meer dan de officier van justitie, rekening houden met de door de rechtbank op 15 april 2025 opgelegde straf. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal een proeftijd voor de duur van 2 jaren opleggen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 51, 57, 63 Wetboek van Strafrecht,

69 Algemene wet inzake rijksbelastingen.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet of niet tijdig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon waaraan de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd.

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Oplegging van straf:

legt op een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NLF 2026/0913
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand