RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 82-322987-24
Datum uitspraak: 7 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
statutair gevestigd te [adres 1] (postadres: [adres 2] ),
hierna aangeduid als de verdachte rechtspersoon.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 14 april 2026 en 30 april 2026.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 januari 2026. Aan de verdachte rechtspersoon is ten laste gelegd dat:
[verdachte] in of omstreeks de periode van 6
augustus 2022 tot 28 juni 2024 (aangifte vpb 2020) en/of in of omstreeks de
periode van 25 juli 2023 tot 28 juni 2024 (aangifte vpb 2021), in de gemeente Asten
en/of te Apeldoorn en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging
met een ander of anderen en/of alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens)
opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de
Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) (digitale) aangifte(n) voor de
vennootschapsbelasting ten name van [verdachte] ,
over het/de aangiftetijdvak(ken) 2020 en/of 2021 niet heeft/hebben gedaan en/of
niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft/hebben gedaan,
terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekten dat te weinig belasting wordt
geheven.
Voor zover in de tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte rechtspersoon daardoor niet geschaad in de verdediging.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijswaardering.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft aangevoerd dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft betoogd dat de verdachte rechtspersoon (partieel) dient te worden vrijgesproken van het onderdeel ‘niet doen van aangiften’, omdat de aangiften vennootschapsbelasting uiteindelijk wel zijn ingediend.
Met betrekking tot de in het dossier genoemde aanmaningen (tot het doen van belastingaangifte vennootschapsbelasting) heeft de verdediging – kort weergegeven –betoogd dat in het dossier slechts uitdraaien van aanmaningsbrieven uit het systeem van de Belastingdienst zijn opgenomen. Niet gecontroleerd kan worden dat de aanmaningen het adres van de belastingplichtigen daadwerkelijk hebben bereikt. Bij deze stand van zaken dient de verdachte rechtspersoon te worden vrijgesproken, aldus de verdediging (onder verwijzing naar jurisprudentie).
De verdediging heeft verder betoogd dat het opzet op het doen van geen tijdige aangiften ontbreekt en (subsidiair) dat niet is voldaan aan het strekkingsvereiste.
De verdediging heeft voorts betoogd dat geen sprake is van medeplegen, zodat de verdachte rechtspersoon hiervan (partieel) dient te worden vrijgesproken.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen over het bewijs.
De bewijsmiddelen zijn opgenomen in het procesdossier van de Belastingdienst/FIOD, genummerd/genaamd 6074175 ‘Braddon’, gesloten op 10 oktober 2024, aantal pagina’s 130.
Hierna zal de rechtbank telkens in de voetnoten verwijzen naar de vindplaats van de desbetreffende bewijsmiddelen (digitale nummering).
Volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel van [vennootschap] is
medeverdachte [medeverdachte 1] enig aandeelhouder en bestuurder van deze vennootschap. [vennootschap] is enig aandeelhouder en bestuurder van de verdachte rechtspersonen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] . en [medeverdachte 6] . en [verdachte]
Het niet (tijdig) doen van aangiften vennootschapsbelasting.
De Belastingdienst heeft de verdachte rechtspersoon over de jaren 2020 en 2021 uitgenodigd om aangifte vennootschapsbelasting te doen. Wegens het uitblijven van die aangiften is vervolgens telkens een herinnering en daarna een aanmaning verstuurd. In het dossier bevindt zich een overzicht van deze uitnodigingen, herinneringen en aanmaningen, telkens met verwijzing naar de onderliggende brondocumenten. De uiterste termijn voor het indienen van de vennootschapsbelasting over 2020 bedroeg 5 augustus 2022. Met betrekking tot de vennootschapsbelasting over 2021 was de uiterste termijn 24 juli 2023.
Omdat de aangiften, ondanks uitnodiging en rappelering niet door de Belastingdienst zijn
ontvangen heeft de Belastingdienst aan iedere verdachte rechtspersoon zogenoemde ‘correctie-brieven’ verstuurd met daarin het voornemen om ambtshalve aanslagen op te leggen. Deze hebben steeds betrekking op zowel 2020 als 2021. De inspecteur schrijft daarin:
De reden dat ik deze ambtshalve aanslagen wil opleggen, is gelegen in het feit dat ik tot op
heden - ondanks verleend uitstel en een herinnering en aanmaning - géén aangiften
vennootschapsbelasting over het jaar 2020 en 2021 heb ontvangen.
De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat binnen de genoemde termijnen geen aangiften vennootschapsbelasting zijn ingediend.
Met betrekking tot het verweer van de verdediging dat niet gecontroleerd kan worden dat voornoemde aanmaningen de belastingplichtige daadwerkelijk hebben bereikt overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank constateert dat de in het dossier genoemde aanmaningen telkens geadresseerd zijn aan het adres [adres 2] in Asten, waar de verdachte rechtspersoon is gevestigd, en waar zich volgens de bestuurder van de verdachte rechtspersoon ook de centrale administratie van alle ondernemingen bevindt.
In algemene zin overweegt de rechtbank allereerst dat de verdediging, ook niet bij de monde van de bestuurder van de verdachte rechtspersoon, nooit heeft betwist dat de aanmaningen de betreffende rechtspersoon telkens hebben bereikt. Er wordt enkel een punt van gemaakt dat zulks op basis van het dossier niet vastgesteld zou kunnen worden en dat verdachte [medeverdachte 1] de brieven zelf niet heeft gelezen, althans zich dat niet kan herinneren. Van de situatie – zoals in de door de verdediging aangehaalde jurisprudentie – dat een verdachte uitdrukkelijk betwist dat hij de aanmaningen heeft ontvangen, waardoor hij (te goeder trouw) niet op de hoogte was van de betalingstermijnen – is hier geen sprake. In die zin laat dit verweer zich ook moeilijk begrijpen nu hier voor het eerst op zitting een punt van wordt gemaakt. Dit terwijl al gedurende een periode van meerdere jaren vele brieven naar de verdachte rechtspersoon zijn verstuurd en naar aanleiding daarvan meerdere gesprekken met de Belastingdienst hebben plaatsgevonden over onder andere de feiten die thans aan de orde zijn.
De bestuurder van de verdachte rechtspersoon heeft – kort samengevat – verklaard dat hij brieven tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting niet heeft gezien. Hij heeft hiervoor administratief medewerkers in dienst en een boekhouder/belastingadviseur ingeschakeld. Hij ging ervan uit dat de administratief medewerkers goed met de brieven om zouden gaan. De rechtbank stelt dus vast (zoals gezegd) dat de bestuurder van de verdachte rechtspersoon zelf niet heeft betwist dat de aanmaningen op het juiste adres terecht zijn gekomen.
Op vragen van de rechtbank heeft de bestuurder van de verdachte rechtspersoon verder (met betrekking tot de termijnen voor het indienen van de aangiften vennootschapsbelasting) verklaard dat hij weleens overleg heeft gehad, dat hij mensen “achter de broek” heeft gezeten en dat hij intern heeft gezegd dat men moest “opschieten”. De rechtbank concludeert hieruit dat de bestuurder van de rechtspersoon er blijkbaar wel van op de hoogte was dat er dat er bepaalde termijnen golden voor het indienen van de aangiften vennootschapsbelasting en dat hij zijn personeel kennelijk aangespoord om daaraan te voldoen.
De reden voor het niet binnen de gestelde termijnen indienen van de aangiften vennootschapsbelasting is volgens de bestuurder van de verdachte rechtspersoon zelf gelegen in allerlei omstandigheden, zoals de inval van de FIOD in 2019, de inbeslagname van de administratie door de FIOD en de omstandigheid dat zijn vaste accountant niet langer voor hem wilde werken. Dit is iets anders dan dat de aangiften niet tijdig zijn ingediend, omdat de aanmaningen daartoe niet zouden zijn ontvangen.
Getuige [getuige] (belastingadviseur bij [bedrijf] , waar de verdachte rechtspersoon vanaf februari 2022 klant is) heeft bij de rechter-commissaris op
26 november 2024 verklaard dat de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2020 en 2021 te laat zijn ingediend, omdat de jaarcijfers niet eerder compleet waren. [getuige] heeft op de vraag of contact is gezocht met de Belastingdienst omtrent het feit dat de
termijnen van het indienen van aangiften niet konden worden gehaald geantwoord dat op
4 juli 2023 een overleg is geweest met medewerkers van de Belastingdienst. De bedoeling van het gesprek was de grote achterstand in het doen van aangiften te bespreken. Op de vraag of op andere moment contact is geweest met de Belastingdienst gaf [getuige] aan dat dat veelvuldig het geval is geweest. De rechtbank concludeert ook uit deze verklaring dat de belastingadviseur van de verdachte rechtspersoon op de hoogte was van de termijnen die golden voor het indienen van de aangiften vennootschapsbelasting en dat deze termijnen reeds waren geschonden, met als reden dat de jaarcijfers niet eerder compleet waren.
De rechtbank heeft daarom geen reden om aan te nemen dat de betreffende aanmaningen – die telkens aan het juiste adres zijn geadresseerd – niet daadwerkelijk de belastingplichtige hebben bereikt. Uiteindelijk zijn de aangiften vennootschapsbelasting – na het verstrijken van de uiterste termijnen – pas op 28 juni 2024 ingediend. Het verweer wordt verworpen.
Nu de betreffende aangiften op 28 juni 2024, dus na de gestelde termijnen, alsnog zijn ingediend, kan niet worden gezegd dat geen aangiften zijn ingediend, zodat in zoverre vrijspraak zal volgen.
Opzet.
De verdachte rechtspersoon heeft de in de tenlastelegging vermelde belastingaangiften niet tijdig gedaan, terwijl zij daartoe wel verplicht was. De door de bestuurder van de verdachte rechtspersoon aangehaalde omstandigheden ontslaan haar niet van deze verplichting. Daarnaast is van belang dat [getuige] heeft verklaard dat de bezetting bij de [vennootschap] beperkt was, en dat er al jarenlang geen jaarstukken waren opgemaakt. Het is aan de rechtspersonen om ervoor te zorgen dat er een deugdelijke administratie wordt gevoerd waarmee tijdig aangiftes kunnen worden opgesteld en ingediend. Door het ontbreken hiervan heeft de verdachte rechtspersoon bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de betreffende aangiften niet (tijdig) werden gedaan. Daarmee is sprake van voorwaardelijk opzet.
Het strekkingsvereiste.
Bij de beantwoording van de vraag of voldaan is aan het strekkingsvereiste gaat het er volgens vaste rechtspraak om of het niet (tijdig) doen van belastingaangiften gezien de effecten die daarvan uitgaan, naar zijn aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven. Naar het oordeel van de rechtbank mag er naar algemene maatstaven vanuit worden gegaan dat het niet (tijdig) doen van de vereiste aangiften naar haar aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven.
De verdediging heeft in dit verband betoogd dat in zaken zoals de onderhavige (ook) specifieke aspecten van de concrete zaak een rol moeten spelen, en heeft daarbij gewezen op de aanwezigheid van forse compensabele verliezen in de ondernemingen van verdachte.
In deze zaak heeft de Belastingdienst de belastbare bedragen moeten schatten. Ten aanzien van de verdachte rechtspersoon is de vennootschapsbelasting over 2020 geschat op € 531.326,- en over 2021 op € 628.113. In totaal dus € 1.159.439,-.
De rechtbank is evenwel van oordeel dat de vraag of voldaan is aan het strekkingsvereiste moet worden beoordeeld naar het moment waarop de belastingplichtige in verzuim is. Dit betekent dat ontwikkelingen van na dat moment geen rol spelen. Bovendien heeft de HR op 1 december 2015 nog geoordeeld dat de strekking dat te weinig belasting wordt geheven niet is beperkt tot de heffing ten laste van degene die zelf de verboden gedraging heeft verricht, maar dat beslissend is of die gedraging – (..) - naar haar aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat (in rekenkundige zin) onvoldoende belasting wordt geheven (ECLI:NL:HR:2015:3431).
Hetgeen de verdediging heeft betoogd kan daarom niet tot het door haar gewenste resultaat leiden. Het verweer van de verdediging, dat niet is voldaan aan het strekkingsvereiste, wordt verworpen.
Toerekening aan de rechtspersoon.
Een rechtspersoon kan een strafbaar feit begaan als de verboden gedraging aan de rechtspersoon kan worden toegerekend.
Het niet binnen de gestelde termijn indienen van de aangiften kan worden toegerekend aan de verdachte rechtspersoon, omdat het doen van deze aangiften in de sfeer van die rechtspersoon plaatsvindt en past in de normale bedrijfsvoering daarvan.
Op grond van het voorstaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte rechtspersoon zich schuldig heeft gemaakt aan genoemde strafbare feiten.
Medeplegen.
Niet is gebleken dat de verdachte rechtspersoon de feiten tezamen en in vereniging met (een) andere rechtspersoon/rechtspersonen heeft gepleegd, zodat de verdachte rechtspersoon van dit onderdeel van de tenlastelegging partieel zal worden vrijgesproken.
Conclusie.
De feiten kunnen op grond van al het voorgaande wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
De bewezenverklaring.
Op grond van de inhoud van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, en op grond van de inhoud van het vorenoverwogene, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte rechtspersoon het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
[verdachte] in de periode van 6 augustus
2022 tot 28 juni 2024 (aangifte vpb 2020) en in de periode van 25
juli 2023 tot 28 juni 2024 (aangifte vpb 2021), in
Nederland,
meermalen, telkens opzettelijk
bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet
inzake rijksbelastingen, te weten (digitale) aangiften voor de
vennootschapsbelasting ten name van [verdachte] ,
over de aangiftetijdvakken 2020 en 2021 niet
binnen de daarvoor gestelde termijn hebben gedaan,
terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting wordt
geheven.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte rechtspersoon zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van de verdachte rechtspersoon.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte rechtspersoon uitsluiten. De verdachte rechtspersoon is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie komt ten aanzien van de verdachte rechtspersoon tot een fiscaal nadeel van € 1.189.439,-. In het fiscale recht is het uitgangspunt voor geldboetes in geval van voorwaardelijk opzet: 50% van het nadeelsbedrag (Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst). De officier van justitie heeft derhalve een geldboete ter hoogte van € 500.000,- (afgerond) geëist.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft betoogd dat er bij een bewezenverklaring rekening mee gehouden dient te worden dat de administratie inmiddels is rechtgetrokken en dat het de intentie van de verdachte rechtspersoon is om jaarlijks tijdig aangifte te doen.
Het oordeel van de rechtbank.
Algemene overweging.
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte rechtspersoon dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door de verdachte rechtspersoon gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de omstandigheden van de verdachte rechtspersoon.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straf is gebaseerd.
De verdachte rechtspersoon heeft zich gedurende een periode van meerdere jaren schuldig gemaakt aan forse fiscale nalatigheid, door het opzettelijk niet tijdig doen van aangiften vennootschapsbelasting. Met het begaan van belastingfraude zijn grote financiële belangen gemoeid. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit type delicten leidt tot fiscaal nadeel en extra werk voor de belastingdienst.
In het onderhavige geval heeft de Belastingdienst het fiscale nadeel geschat op een bedrag van ruim 1 miljoen euro dat nog aan vennootschapsbelasting door de rechtspersoon moet worden betaald. De verdachte rechtspersoon heeft met haar handelen de integriteit van het financiële en economische verkeer geschonden enkel ten behoeve van de eigen financiële belangen. De verdachte rechtspersoon heeft volstrekt onvoldoende prioriteit gegeven aan de fiscale verplichtingen die verbonden zijn aan het drijven van de onderneming.
De rechtbank rekent dit alles de verdachte rechtspersoon aan.
De omstandigheden van de verdachte rechtspersoon.
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 november 2025, waaruit blijkt dat de verdachte rechtspersoon op 22 december 2023 bij strafbeschikking een geldboete van € 600,- opgelegd heeft gekregen voor het niet publiceren van de jaarrekening. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is hier van toepassing.
Straftoemeting.
Gezien de ernst van de feiten zal de rechtbank een forse geldboete opleggen. De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de geldboete gekeken naar geldboetes die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Alles afwegend ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 51, 57, 63 Wetboek van Strafrecht,
69 Algemene wet inzake rijksbelastingen.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte rechtspersoon meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:
Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet of niet tijdig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
verklaart de verdachte rechtspersoon hiervoor strafbaar.
Oplegging van straf: