RECHTBANK OOST-BRABANT
Parketnummer: [01.084675.25]
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 01.084675.25
Datum uitspraak: 7 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [1995] ,
thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 mei 2025. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 23 juni 2025 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1 primair:
hij op of omstreeks 17 maart 2025 te Eindhoven, althans in Nederland
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer 1]
opzettelijk
van het leven te beroven,
die [slachtoffer 1] meermaals met een mes, althans een scherp voorwerp
- in de nek/hals heeft gestoken en/of gesneden, en/of
- in de rug/schouder heeft gestoken,
T.a.v. feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 17 maart 2025 te Eindhoven, althans in Nederland
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer 1]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [slachtoffer 1] meermaals met een mes, althans een scherp voorwerp
- in de nek/hals heeft gestoken en/of gesneden, en/of
- in de rug/schouder heeft gestoken,
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De beoordeling van het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Het standpunt van de verdediging.
Op de in de pleitnota genoemde gronden en de daarop gegeven aanvullingen ter terechtzitting van 23 april 2026, heeft de verdediging vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit bepleit omdat geen aanmerkelijke kans op de dood kan worden vastgesteld en bovendien niet kan worden vastgesteld dat verdachte die kans heeft aanvaard. Ten aanzien van het subsidiaire feit heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen.
1. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 23 april 2026 afgelegd.
Ik heb op 17 maart 2025 in de woning van mijn ouders in Eindhoven een mes gepakt. Met dit mes heb ik mijn vader [slachtoffer 1] meerdere keren gestoken.
2. het proces-verbaal van verhoor getuige, proces-verbaalnummer 6, opgemaakt en afgesloten op 18 maart 2025. Dit proces-verbaal houdt onder meer zakelijk weergegeven de verklaring van [verdachte] .
[pag. 79 t/m 80]
Op maandag 17 maart 2025, was ik (…) bij mijn vader thuis, gelegen aan de [adres] .
(…)
Ik (…) zag (…) dat [verdachte] een mes vast hield. Ik zag dat hij het mes in zijn rechterhand vast hield, hij hield het mes boven zijn hoofd met het punt van het mes naar beneden gericht, ik zag dat hij een hakbeweging maakte, waarna het mes in de rechterschouder van mijn vader stak. (…) Ik zag dat [verdachte] meerdere keren met het mes op het lichaam van mijn vader aan het inhakken was (…)
3. Een ander geschrift, te weten een Forensisch medische letselrapportage zonder benoeming als gerechtelijk deskundige d.d. 12 mei 2025, opgemaakt door drs. M.W.G. Govaerts, forensisch arts.
[pag. 12]
Betrokkene:
Naam en geboortedatum: [slachtoffer 1] , [1974] te [geboorteplaats 2] .
(…)
[pag. 13 t/m 14]
Beschrijving en typering van het letsel: (…)
Hoog op de rug, iets rechts van de wervelkolom, net boven de rand van het rechter schouderblad is een iets schuin (van linksboven naar rechtsonder) verlopend, roze-rode streepvormige huidafwijking zichtbaar. De lengte bedraagt ca. 2,5 cm. Er zijn enkele puntvormige korstjes zichtbaar enkele mm. onder en boven de streepvormige huidafwijking en in het verloop van de huidafwijking.
De beschreven huidafwijking betreft het litteken van een gehechte huidperforatie.
(…)
In de hals rechts, aan de achterzijde richting de nek is een verticaal verlopende, dunne, streepvormige huidafwijking zichtbaar met een lengte van ca. 7 mm. Aan de bovenste punt van de streep is een zwarte, puntvormige verkleuring zichtbaar.
Ook deze afwijking betreft het litteken van een genezen, oppervlakkige huidperforatie.
(…)
Er (…) bleek dat er sprake was van een actieve bloeding uit een slagader (de arteria scapularis dorsalis) met bloeding in de monnikskapspier rechts, via de intrede van de steekverwonding tot buiten het lichaam.
Nadere overweging van de rechtbank.
Opzet op de dood.
Juridisch kader
Het strafrecht kent verschillende vormen van opzet. De zwaarste vorm van opzet heet ‘vol opzet’, waarbij de verdachte echt het doel heeft om het strafbare feit te plegen. De meest lichte vorm van opzet wordt ‘voorwaardelijk opzet’ genoemd. Daarvan is sprake als de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen) dat een bepaald gevolg zal intreden.
Oordeel van de rechtbank over het opzet
De rechtbank stelt vast dat de verdachte het slachtoffer meerdere keren met een mes in het bovenlichaam heeft gestoken, ten minste een keer in de schouder en een keer in de nek. De broer van verdachte heeft verklaard dat hij zag dat de verdachte meerdere keren met een mes op het slachtoffer "aan het inhakken was." Uit de letselrapportage is gebleken dat het slachtoffer meerdere steekverwondingen heeft opgelopen, waaronder een verwonding die heeft geleid tot een slagaderlijke bloeding.
Aanmerkelijke kans op de dood
De rechtbank oordeelt dat het meermalen met een mes steken in het bovenlichaam van een ander (waaronder in de nek en schouder) naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans in het leven roept dat het slachtoffer daardoor komt te overlijden. In het bovenlichaam bevinden zich immers vitale organen en grote bloedvaten. Dat die kans zich in dit geval ook daadwerkelijk heeft voorgedaan, blijkt uit de slagaderlijke bloeding die bij het slachtoffer is opgetreden. Het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke bloeding levensbedreigend is.
Aanvaarding van die kans
Voor wat betreft de bewuste aanvaarding van die kans op de dood overweegt de rechtbank als volgt. De verdachte heeft meerdere keren met een mes in het bovenlichaam van het slachtoffer gestoken. Die gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.
Niet vastgesteld kan worden dat verdachte het volle opzet op de dood van zijn vader heeft gehad. Maar de rechtbank acht wel bewezen dat verdachte het voorwaardelijke opzet op de dood van zijn vader heeft gehad.
Conclusie
Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in samenhang bezien met wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het onder feit 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, een en ander zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader is omschreven.
De bewezenverklaring.
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
T.a.v. feit 1 primair:
op 17 maart 2025 te Eindhoven, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] meermaals met een mes
- in de nek heeft gestoken en
- in de schouder heeft gestoken,
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde feit niet aan verdachte toe te rekenen is en dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De officier van justitie sluit zich daarbij aan bij de pro Justitia rapportage van GZ-psychologen drs. M.H. Keppel en drs. M.F. Benist d.d. 13 januari 2026 en hij verwijst daarbij naar de pro Justitia rapportage van psychiater drs. A. Banaei Kashani d.d. 9 juli 2025.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging verzoekt de rechtbank de conclusies uit de pro Justitia rapportage van GZ-psychologen drs. M.H. Keppel en drs. M.F. Benist d.d. 13 januari 2026 over te nemen, verdachte het ten laste gelegde niet toe te rekenen en hem te ontslaan van alle rechtsvervolging.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het bewezen verklaarde niet aan verdachte toe te rekenen is. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de inhoud van de hiervoor genoemde pro Justitia rapportages.
Uit deze rapportages blijkt, onder meer, dat bij verdachte sprake is van een psychotische stoornis, een stemmingsstoornis en een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis. De psychologen concluderen dat de psychotische belevingen van verdachte bepalend waren in zijn gedragskeuzes. Verdachte was niet in staat om zijn psychotische belevingen te toetsen of te ontkrachten bij anderen. Daardoor was hij niet in staat om tijdig hulp te accepteren. De psychologen concluderen dat verdachte niet in staat is geweest om andere gedragskeuzes te maken of om de gevolgen van zijn handelen te overzien. De psychologen adviseren het ten laste gelegde in het geheel niet aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt deze tot de hare.
Concluderend zal verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Oplegging van maatregelen.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt opgelegd zoals deze door de reclassering in haar rapportage van 23 februari 2026 is geadviseerd. Voorts vordert de officier van justitie de dadelijk uitvoerbaarheid van deze maatregel. Daarnaast vordert de officier van justitie oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging verzoekt oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden met de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel zoals deze ook door de officier van justitie is gevorderd. Daarnaast stelt de verdediging zich op het standpunt dat geen gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel moet worden opgelegd, omdat de noodzaak daarvoor onvoldoende is gebleken.
Het oordeel van de rechtbank.
Nu het bewezen verklaarde feit niet aan verdachte kan worden toegerekend, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of en zo ja, welke maatregelen passend en geboden zijn.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag van zijn vader. Verdachte heeft hem in diens eigen woning in het bijzijn van zijn broer, uit het niets meerdere malen met een mes gestoken. De broer van verdachte achtte zich genoodzaakt om met een mes tussenbeide te komen om het leven van zijn vader te redden. Dat moet een enorm schokkende en traumatische ervaring geweest zijn voor zowel de vader als de broer van verdachte, die zij voor de rest van hun leven zullen moeten meedragen.
De persoon van verdachte.
De conclusie en het advies van de psychologische rapportage luidt als volgt:
“Het risico op recidive van gewelddadig gedrag wordt als matig-hoog ingeschat. De
belangrijkste risicofactoren zijn dat er sprake is van een ernstige psychiatrische
stoornis en van fors middelengebruik. Er is sprake van een disfunctioneren op vrijwel
alle levensgebieden en betrokkene heeft zich in het verleden zorgmijdend getoond.
(…)
Gelet op de vastgestelde stoornissen, en de samenhang hiervan met de hem ten laste
gelegde feiten, is behandeling ter preventie van recidive geïndiceerd bij betrokkene. De
behandeling dient zich primair te richten op de psychotische stoornis, waarbij zowel
medicamenteuze als psychologische/psychiatrische behandeling van belang wordt
geacht. In deze behandeling dient tevens aandacht te zijn voor de depressieve klachten
van betrokkene, omdat er een duidelijke overlap wordt gezien tussen de stemming en de
psychotische klachten. Tot slot wordt behandeling gericht op de verslavingsproblematiek
geadviseerd, omdat het veelvuldige drugsgebruik een negatief effect heeft op de
psychotische klachten en het algeheel functioneren van betrokkene.
(…)
Er is bij betrokkene sprake van een ernstige psychiatrische stoornis en het recidiverisico wordt als matig-hoog ingeschat. Deze factoren, in combinatie met de neiging tot zorgmijding en de ambivalente houding ten opzichte van behandeling, maken dat er aan een klinische opname in een gedwongen kader wordt gedacht, bijvoorbeeld op een FPA. Naast behandeling kan hier, na stabilisatie van het psychotische toestandsbeeld, nadere diagnostiek worden uitgevoerd. De begeleiding en behandeling kan vervolgd worden in een (langdurig) ambulant traject met een ACT team, waarbij ook toegewerkt kan worden naar een beschermende woonvorm. Het opbouwen van een positief sociaal netwerk en het vinden van dagbesteding worden van belang geacht om de beschermende factoren te vergroten.
(…)
Indien het ten laste gelegde bewezen wordt geacht, kan bovenstaande behandeling
gerealiseerd worden in het kader van de maatregel terbeschikkingstelling met
voorwaarden, indien deze maatregel mogelijk en haalbaar wordt geacht. Hierbij is
aandacht voor de risicofactoren en het monitoren van het recidiverisico. Gezien de
ernstige psychiatrische stoornis van betrokkene, welke sterk van invloed is geweest op
het ten laste gelegde, wordt niet verwacht dat hij op korte termijn gestabiliseerd is. De
terbeschikkingstelling met voorwaarden betreft een langduriger traject, waarin
betrokkene stapsgewijs kan werken aan zowel psychische als sociaalmaatschappelijke
stabilisatie. Er wordt verwacht dat betrokkene voldoende in staat is om zich aan de
voorwaarden te houden wanneer er sprake is van meer psychiatrische stabiliteit.”
Op 23 februari 2026 heeft de reclassering een advies omtrent verdachte uitgebracht. Dit advies luidt onder meer als volgt:
“Wij adviseren positief over tbs met voorwaarden met de onderstaande voorwaarden. (…) .
De rechtbank neemt de bovenstaande conclusies en adviezen over.
De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist. Gelet op het recidiverisico en de ernst van de psychopathologie kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een minder strikt kader dan de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden. De rechtbank zal daaraan de voorwaarden verbinden zoals door de reclassering geadviseerd. Ter zitting heeft de reclasseringsmedewerker meegedeeld dat verdachte is aangemeld bij [naam] . Verdachte heeft zich zowel ten overstaande van de reclassering als ter terechtzitting bereid verklaard zich te houden aan de door de reclassering opgestelde voorwaarden.
De rechtbank overweegt voorts dat is voldaan aan de formele voorwaarden om de tbs-maatregel op te leggen. Het bewezen verklaarde feit betreft een misdrijf waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van tbs met voorwaarden voldoende waarborgen biedt met betrekking tot de beveiliging van de samenleving. De maatregel zal worden opgelegd voor misdrijven die zijn gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De maatregel kan daarom langer duren dan vier jaar.
Dadelijke uitvoerbaarheid.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zonder behandeling en begeleiding opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal de rechtbank, gelet op artikel 38, zesde lid, Wetboek van Strafrecht, bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr. Aan verdachte wordt een ongemaximeerde tbs-maatregel opgelegd. Dat impliceert dat beëindiging van de maatregel pas aan de orde is als het recidiverisico laag is. De toegevoegde waarde van een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel is de rechtbank niet gebleken.
Voorlopige hechtenis
Omdat er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat aan verdachte een vrijheidsbenemende maatregel kan worden opgelegd (namelijk door omzetting in tbs met dwangverpleging als hij zich niet aan de voorwaarden houdt), heft de rechtbank de voorlopige hechtenis niet op. De voorlopige hechtenis blijft daarmee van kracht tot zestig dagen na deze uitspraak. De rechtbank acht het wel van belang dat als er een plek bij [naam] of een overbruggingsplek beschikbaar is, terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, verdachte daar direct naartoe kan. De rechtbank zal daarom bevelen dat de voorlopige hechtenis wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop de verdachte voor zijn klinische behandeling binnen [naam] of een overbruggingsplek zal worden opgenomen. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zullen dezelfde voorwaarden worden verbonden als die aan de tbs met voorwaarden zijn verbonden. De rechtbank is zich er van bewust dat de tbs met voorwaarden niet mag worden omgezet in een tbs met dwangverpleging als het vonnis nog niet onherroepelijk is. Om een vangnet te creëren voor het geval verdachte de aan de tbs verbonden voorwaarden overtreedt in de periode waarin de uitspraak nog niet onherroepelijk is, wordt de voorlopige hechtenis geschorst onder dezelfde voorwaarden als die aan de tbs-maatregel verbonden zijn. Zou de verdachte de in dat kader te stellen voorwaarden niet naleven, terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, bestaat de mogelijkheid om de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen. Op die manier worden de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen gewaarborgd.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
37a, 38, 38a, 45, 287 Wetboek van Strafrecht
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
t.a.v. feit 1 primair:
poging tot doodslag
verklaart verdachte niet strafbaar en
ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.
legt op de volgende maatregel.
een terbeschikkingstelling met voorwaarden
en stelt daarbij de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde:
Geen strafbaar feit plegen
Terbeschikkinggestelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
Meewerken aan reclasseringstoezicht
Terbeschikkinggestelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
Meewerken aan time-out
Als de reclassering dat nodig vindt en terbeschikkinggestelde daarmee instemt, kan terbeschikkinggestelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of terbeschikkinggestelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
Niet naar het buitenland
Terbeschikkinggestelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
Opneming in een zorginstelling
Dat terbeschikkinggestelde zich laat opnemen in en behandelen door zorginstelling [naam] , of een soortgelijke zorginstelling te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt terbeschikkinggestelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
Ambulante behandeling
Terbeschikkinggestelde verleent aansluitend aan de klinische opname zijn medewerking aan een ambulant forensisch vervolgtraject door een nog nader te bepalen instelling/behandelaar, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de
zorgverlener dat nodig vindt.
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Dat terbeschikkinggestelde verblijft in een nog nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend op de klinische behandeling. Terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
Verbod verdovende middelen
Dat terbeschikkinggestelde geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Betrokkene moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Alcoholverbod
Dat terbeschikkinggestelde geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Terbeschikkinggestelde moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
- geeft opdracht aan de reclassering de ter beschikking gestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
Het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis is bij aparte beslissing d.d. 7 mei 2026 geminuteerd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.E. Bartels, voorzitter,
mr. F. Kooijman en mr. C.F.N. van Schaijk, leden,
in tegenwoordigheid van mr. J. Beex, griffier,
en is uitgesproken op 07 mei 2026.