ECLI:NL:RBOBR:2026:2932

ECLI:NL:RBOBR:2026:2932

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 06-05-2026
Datum publicatie 07-05-2026
Zaaknummer 26/371 en 26/539
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Uitspraak over een last onder dwangsom in verband met het gebruik van de bedrijfswoning als burgerwoning, het gebruik van een loods en verharding buiten het bouwvlak. De voorzieningenrechter verklaart in deze uitspraak het beroep gegrond maar laat de rechtsgevolgen in stand. Dat betekent dat de last onder dwangsom in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

[eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss, het college

Samenvatting

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 26/371 en SHE 26/539 OWHAND

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 mei 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

(gemachtigde: mr. J.A. Huijgen),

en

(gemachtigden: [naam] en [naam]).

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college waarin het een last onder dwangsom aan eiseres oplegt in verband met het gebruik van de bedrijfswoning als burgerwoning, het gebruik van een loods, het verbouwen van een loods, het aanleggen en gebruiken van verharding buiten het bouwvlak en de opslag en aanwezigheid van containers buiten het bouwvlak. Eiseres is het niet eens met de oplegging van de last. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter het bestreden besluit.

De voorzieningenrechter verklaart in deze uitspraak het beroep gegrond maar laat de rechtsgevolgen in stand. Dat betekent dat de last onder dwangsom in stand blijft. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, vervalt de voorziening die met de uitspraak van 23 februari 2026 is getroffen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om een voorziening te treffen dat de begunstigingstermijn om te voldoen aan de last onder 1, 2 en 4 wordt verlengd tot en met vier weken na verzending van deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het besluit van 17 april 2025 (het primaire besluit) heeft het college de last onder dwangsom opgelegd. Met het bestreden besluit van 23 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het college de last onder aanvullende motivering in stand gelaten. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank. Het beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer SHE 26/371. Het verzoek om een voorlopige voorziening is geregistreerd onder zaaknummer SHE 26/539.

Het college heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.

Bij uitspraak van 23 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter het primaire besluit en het bestreden besluit ten aanzien van de bewoning van de bedrijfswoning, het gebruik van de loods en het verwijderen van de verharding bij wijze van ordemaatregel geschorst.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.

Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiseres daartegen. Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Vooraf

3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

 Eiseres drijft een onderneming die zich richt op de teelt, bewerking en verkoop van tuinbouwgewassen. Eiseres heeft arbeidsmigranten in dienst. Een deel daarvan wordt gehuisvest in de loods die zich bevindt op het perceel [adres] in [plaats] (de locatie). Op de locatie bevindt zich tevens een bedrijfswoning.

 Ter plaatse van de locatie geldt het Omgevingsplan gemeente Oss (het omgevingsplan). Op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet gold ten tijde van het bestreden besluit het bestemmingsplan “Buitengebied Oss - 2020” (het bestemmingsplan) als onderdeel van dat omgevingsplan. Op grond van het bestemmingsplan is aan de locatie de bestemming “Agrarisch met waarden - Landschap” en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - vergroting bouwvlak tot 2 ha’ toegekend. De locatie bevat tevens een bouwvlak.

 Eiseres beschikt ten aanzien van (het bouwen en het wijzigen van de indeling van) de loods met de huisvestingsvoorziening over een omgevingsvergunning van 25 juli 2017 en een omgevingsvergunning van 25 maart 2019. Deze vergunningen staan toe dat in een deel van de loods maximaal twaalf seizoenarbeiders mogen worden gehuisvest, waarbij geldt dat deze personen maximaal zes maanden per jaar op de locatie mogen verblijven.

 Toezichthouders van het college hebben op 29 augustus 2023 en 30 november 2023 controles uitgevoerd op de locatie. Tijdens de controle op 30 november 2023 constateerden zij een verbouwing aan de loods zonder omgevingsvergunning en in strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft daaropvolgend de bouw stilgelegd.

 Het college heeft op 25 juni 2024 een hercontrole uitgevoerd. Tijdens die controle hebben toezichthouders diverse constateringen gedaan.

1. Uit de hercontrole volgt volgens het college dat de bedrijfswoning op de locatie wordt gebruikt als burgerwoning. Dit is volgens het college in strijd met het bestemmingsplan, zodat eiseres artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet overtreedt.

2. Uit de hercontrole volgt volgens het college ook dat de loods gebruikt wordt in strijd met het bestemmingsplan en de voorwaarden uit de omgevingsvergunningen van 25 juli 2017 en 25 maart 2019. De loods mag namelijk worden gebruikt voor bewoning door maximaal 12 seizoenarbeiders voor maximaal zes maanden per jaar, en deze seizoenarbeiders moeten werkzaam zijn in de agrarische sector, gedurende het plant- en oogstseizoen. Tijdens de controle van 3 december 2024 is geconstateerd dat er 13 personen woonachtig én ingeschreven in de Basisregistratie personen (BRP) zijn, en dat deze personen niet werkzaam zijn in de agrarische sector. Ook volgt uit de controles dat de bewoning langer dan zes maanden duurt. Dit is volgens het college een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, en artikel 5.5 van de Omgevingswet.

3. De verbouwwerkzaamheden aan de loods die eiseres heeft uitgevoerd en die door het college zijn stilgelegd zijn zonder omgevingsvergunning uitgevoerd. Eiseres handelt hierdoor volgens het college in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de Omgevingswet.

4. Uit de hercontrole volgt volgens het college dat buiten het bouwvlak verharding is aangebracht aan de achterzijde van het perceel. Dit is volgens het college in strijd met het bepaalde in artikel 3.1.2, onder b, 29.2.1, onder h en 38.122.1, onder a, van de planregels. Dit is volgens het college een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.

 Bij brief van 8 juli 2024 heeft het college eiseres laten weten voornemens te zijn door middel van een last onder dwangsom handhavend op te gaan treden tegen de geconstateerde overtredingen. Eiseres heeft hiertegen zienswijzen ingediend.

 Toezichthouders van het college hebben op 3 december 2024 en 22 januari 2025 opnieuw controles uitgevoerd op de locatie. Uit die controles volgt volgens het college dat eiseres nog steeds ten aanzien van de bedrijfswoning, het gebruik van de loods, de verbouwwerkzaamheden aan de loods en de aanwezige verharding in overtreding is. Verder heeft het college geconstateerd dat op de verharding twee containers stonden met huisvuil en dat daarnaast tuinafval lag. Dit is volgens het college in strijd met artikel 37.1, onder a, van de planregels waarin staat dat het doen en/of laten gebruiken van gronden als stort- en/of opslagplaats en voor buitenopslag niet is toegestaan.

 Met het primaire besluit heeft het college de last opgelegd. Eiseres wordt het volgende gelast:

1. Het (laten) beëindigen en beëindigd houden van de bewoning van de bedrijfswoning in strijd met het omgevingsplan;

2. Het gebruik van de loods in overeenstemming (laten) brengen met de verleende vergunningen van 25 juli 2017 en 25 maart 2019 en dit aantonen doormiddel van documenten, zoals bijvoorbeeld arbeidsovereenkomsten.

3. De loods terug (laten) brengen in vergunde staat zoals blijkt uit de tekeningen behorende bij de verleende vergunning van 25 maart 2019.

4. Het (laten) verwijderen van de verharding, buiten het bouwvlak, binnen de aanduiding 'overige zone-dekzandrug'.

5. Het (laten) verwijderen van de opslag en containers, buiten het bouwvlak, binnen de aanduiding 'overige zone-dekzandrug'.

Doet eiseres dat niet, dan verbeurt zij een dwangsom van:

1. € 2.000,- per constatering per persoon met een maximum van € 12.000,- per persoon voor het (laten) beëindigen en beëindigd houden van de bewoning van de bedrijfswoning in strijd met het omgevingsplan;

2. € 1.000,- per constatering met een maximum van € 6.000,- voor het gebruik van de loods in strijd met de verleende vergunningen van 25 juli 2017 en 25 maart 2019.

3. € 1.000,- per week met een maximum van € 6.000,- voor zover het verbouwde gedeelte van de loods niet in overeenstemming is (gebracht) met de vergunde staat zoals blijkt uit de tekeningen behorende bij de verleende omgevingsvergunning 25 maart 2019.

4. € 500,- per week met een maximum van € 3.000,- voor het aanwezig hebben van de verharding, buiten het bouwvlak, binnen de aanduiding 'Overige zone - dekzandrug'.

5. € 500,- per constatering met een maximum van € 3.000,- voor het aanwezig hebben van opslag en containers, buiten het bouwvlak, binnen de aanduiding 'Overige zone - dekzandrug'.

 Met het bestreden besluit heeft het college de last onder aanvullende motivering ten aanzien van het gebruik van de bedrijfswoning en het gebruik van de loods en na hercontrole op 1 oktober 2025 in stand gelaten. Het college heeft daarbij de begunstigingstermijn voor wat betreft de verbouwwerkzaamheden aan de loods verlengd tot nadat op de aanvraag omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit is beslist.

 De begunstigingstermijn ten aanzien van de last onder punt 1, 2, 4 en 5 zou eindigen op 3 maart 2026. Voor punt 3 is de begunstigingtermijn op 20 november 2025 geëindigd. Bij uitspraak van 23 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter het primaire besluit en het bestreden besluit ten aanzien van punt 1, punt 2 en punt 4 bij wijze van ordemaatregel geschorst.

Spoedeisend belang

4. Het college is van mening dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Uit het verzoekschrift blijkt geenszins dat eiseres een ander belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening dan het voorkomen van verbeuren van dwangsommen. Indien blijkt dat dwangsommen ten onrechte verbeurd zijn, kan eiseres echter financiële compensatie van het college vorderen.

Voor het treffen van een voorlopige voorziening geldt op grond van artikel 8:81 van de Awb het vereiste van het aanwezig zijn van een spoedeisend belang. Bij uitspraak van 23 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter het primaire besluit en het bestreden besluit ten aanzien van punt 1, punt 2 en punt 4 bij wijze van ordemaatregel geschorst. Daarbij is reeds geoordeeld dat sprake is van een voldoende spoedeisend belang.

De bedrijfswoning

5. Eiseres voert aan dat geen sprake is van een overtreding. De persoon die in de bedrijfswoning woont is een toezichthouder die werkt voor eiseres en toezicht houdt op de arbeidsmigranten die woonachtig zijn in de loods. De aanwezigheid van een toezichthouder is verplicht op grond van de voorschriften uit de omgevingsvergunningen. Daarmee volgt uit het planologisch kader zelf dat bewoning door een toezichthouder niet slechts toelaatbaar, maar structureel noodzakelijk is. Het bestreden besluit houdt weliswaar in dat het gebruik door een toezichthouder in beginsel mogelijk is, maar alleen als aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan en de noodzakelijkheid wordt aangetoond. Eiseres acht dit deel van het bestreden besluit in strijd met de rechtszekerheid. Omdat bewoning door de toezichthouder juist binnen het planologisch regime past én onderdeel is van de vergunde huisvesting van arbeidsmigranten, is de situatie reeds gelegaliseerd en had het college moeten afzien van handhaving.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat tijdens de verschillende controles die zijn uitgevoerd bewoning van de bedrijfswoning door verschillende personen is vastgesteld. Tijdens geen enkele controle is aangegeven noch aangetoond dat de bedrijfswoning door een beheerder bewoond zou worden. Door de telkens wisselende bewoning en de eerdere constateringen dat de bedrijfswoning bewoond werd door personen werkzaam in de vleessector, in combinatie met de overtreding dat, in afwijking van de vergunning, personen gehuisvest worden in de loods die werkzaam zijn in de vleessector en dus niet bij eiseres, vindt het college dat de last onder dwangsom rechtmatig is opgelegd, temeer nu de overtreding eenvoudig hervat kan worden. In het bestreden besluit staat dat bewoning van de bedrijfswoning door een beheerder in beginsel passend is, mits voldaan wordt aan de daartoe gestelde eisen én de noodzakelijkheid van deze bewoning aangetoond kan worden. Dat bewoning noodzakelijk moet zijn volgt uit de begripsdefinitie van ‘bedrijfswoning’ zoals opgenomen in de planregels, aldus het college.

Ingevolge artikel 3.1.1, onder b, van de planregels zijn de voor “Agrarisch met waarden – Landschap” aangewezen gronden onder meer bestemd voor het wonen, uitsluitend in de bedrijfswoning inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen voor de woonfunctie. Een bedrijfswoning is in artikel 1.17 van de planregels gedefinieerd als een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is. Een woning is in artikel 1.111 van de planregels gedefinieerd als een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden. Huishouden is in artikel 1.66 van de planregels gedefinieerd als de leefvorm of samenlevingsvorm van een alleenstaande of een gezin, waaronder mede wordt begrepen:

het inwonen of het bewonen van kamers door ten hoogste twee verwanten of andere personen in het hoofdgebouw en/of aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen, al dan niet bij wijze van mantelzorg en al dan niet met eigen voorzieningen;

een met een gezin gelijk te stellen samenlevingsverband, waaronder mede wordt begrepen:

1. een woongroep van mensen met een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking of aandoening met inbegrip van begeleiding en toezicht gericht op zelfstandige bewoning;

2. de gezamenlijke huisvesting van een groep van maximaal 4 niet verwante personen, die gebruik maken van de gemeenschappelijke voorzieningen in de woning.

Tussen partijen is niet meer in geschil dat de bedrijfswoning bewoond mag worden door een beheerder die werkzaam is voor eiseres en toezicht houdt op de huisvesting van de seizoenarbeiders. Dit leest de voorzieningenrechter ook in het bestreden besluit, en de voorzieningenrechter acht dit ook overeenkomstig de verleende omgevingsvergunningen van 25 juli 2017 en 25 maart 2019 en de planregels. Tussen partijen is nog wel in geschil of eisers in overtreding was, omdat de bedrijfswoning niet werd bewoond door uitsluitend een beheerder.

Uit de rapporten van de controles die toezichthouders van het college hebben uitgevoerd leidt de voorzieningenrechter af dat in het verleden er steeds verschillende personen in de bedrijfswoning hebben verbleven. Uit het controlerapport van de controle op 29 augustus 2023 volgt onder meer dat de eigenaar van eiseres heeft verklaard dat geen van de bewoners die op dat moment in de bedrijfswoning verbleven een arbeidsrelatie hadden met eiseres. Uit het controlerapport van de controle op 30 november 2023 volgt onder meer dat een bewoner van de bedrijfswoning vertelde dat er 18 personen in de bedrijfswoning wonen en dat deze personen werkzaam zijn in de vleesindustrie via een uitzendbureau. Uit het rapport van de controle van 25 juni 2024 volgt dat een bewoonster van de bedrijfswoning heeft verklaard dat in de bedrijfswoning acht kamers zijn en dat deze allemaal gebruikt worden. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat het college op goede gronden heeft kunnen vaststellen dat de bedrijfswoning ten tijde van de voornoemde controles in strijd met de planregels werd gebruikt, nu de bedrijfswoning in ieder geval werd gebruikt door meer dan één huishouden. Gelet daarop is sprake van een overtreding, zodat het college bevoegd is handhavend op te treden.

Uit het controlerapport van de controle op 22 januari 2025 volgt dat toezichthouders door het raam signalen van bewoning van de bedrijfswoning zagen. In verband met deze vermoedens van bewoning hebben zij telefonisch contact opgenomen met de eigenaar van eiseres. Hij verklaarde dat er op dat moment één persoon woonachtig was in de bedrijfswoning en dat er aan het einde van die week nog een persoon bij komt, die voor zijn bedrijf werkzaam is. Dit acht de voorzieningenrechter niet in strijd met de planregels, nu de gezamenlijke huisvesting van een groep van maximaal 4 niet verwante personen ingevolge artikel 1.66 van de planregels ook wordt aangemerkt als een huishouden. Tijdens de hercontrole op 1 oktober 2025 is vastgesteld dat de bedrijfswoning op dat moment niet bewoond werd. Gelet op die laatste twee controles is dus geen sprake meer van een overtreding. Volgens vaste rechtspraak kan een last ter voorkoming van herhaling van een eerdere overtreding evenwel worden opgelegd, indien een overtreding heeft plaatsgevonden en gevaar voor herhaling voor de hand ligt. Hoewel sinds de controle op 22 januari 2025 geen overtreding is vastgesteld, mocht het college eiseres – gezien de eerdere overtredingen – gelasten om het gebruik van de bedrijfswoning in strijd met het omgevingsplan te beëindigen en beëindigd te houden. Omdat de last mede is opgelegd ter voorkoming van herhaling van de overtreding, staat de omstandigheid dat bij de laatste controles geen overtreding is geconstateerd niet in de weg aan de bevoegdheid van het college tot het opleggen en in bezwaar handhaven van de last. Deze grond slaagt dus niet.

In het bestreden besluit staat dat bewoning door de beheerder slechts is toegestaan mits voldaan wordt aan de daartoe gestelde eisen én de noodzakelijkheid van deze bewoning aangetoond kan worden. Tussen partijen is ook in geschil of het bestreden besluit op dit punt rechtsonzeker is. Daarover overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

De voorzieningenrechter acht de gestelde vereiste noodzakelijkheid van de bewoning niet rechtsonzeker. Immers dient ingevolge artikel 1.17 van de planregels de huisvesting van de bewoner van de bedrijfswoning reeds noodzakelijk te zijn. Met ‘de daartoe gestelde eisen’ begrijpt de voorzieningenrechter dat het college bedoelt dat bewoning van de bedrijfswoning is toegestaan zolang eiseres zich houdt aan (de voorschriften uit) de omgevingsvergunningen van 25 juli 2017 en 25 maart 2019. Ter zitting heeft het college hierover toegelicht dat het van mening is dat als het gebruik van de loods niet in overeenstemming is met de verleende omgevingsvergunningen, het gebruik van de bedrijfswoning door een beheerder van eiseres die toezicht houdt op de huisvesting dat ook niet kan zijn. Dat acht de voorzieningenrechter te onbepaald en daarmee rechtsonzeker. De voorzieningenrechter ziet niet in hoe elke overtreding ten aanzien van het gebruik van de loods de facto ook een overtreding van het gebruik van de bedrijfswoning oplevert. Het college heeft nagelaten dit deugdelijk te motiveren. Deze uitleg van de in het bestreden besluit opgenomen zinsnede “mits voldaan wordt aan de daartoe gestelde eisen” kan daarom niet in stand blijven. Deze uitleg is echter pas tijdens de zitting gegeven. De last over de bedrijfswoning zelf is voldoende duidelijk en rechtszeker en uit het hiervoor onder 5.4 en 5.5 overwogene volgt dat sprake was van een overtreding. Nu dit tijdens de zitting ingenomen standpunt niet expliciet volgt uit het bestreden besluit, en de toevoeging “mits voldaan wordt aan de daartoe gestelde eisen” naar het oordeel van de voorzieningenrechter enkel betrekking kan hebben op de regelgeving ten aanzien van het gebruik van de bedrijfswoning zelf, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

Het gebruik van de loods

6. Eiseres voert aan dat geen sprake is van een overtreding. Uit de omgevingsvergunningen van 25 juli 2017 en 25 maart 2019 volgt uitsluitend dat individuele seizoenarbeiders niet langer dan zes maanden op de locatie mogen verblijven. De vergunningen schrijven niet dat de loods zes maanden per jaar leeg moet staan. Uit de vergunningen volgt dus niet dat bewoning door verschillende groepen niet zou mogen of dat een ‘stilstandsperiode’ verplicht is. Het omgevingsplan staat de huisvesting van arbeidsmigranten op deze locatie uitdrukkelijk toe, zodat het omgevingsplan geen zelfstandige grondslag biedt voor handhaving. Het is verder aan het college het om aannemelijk te maken dat de bewoners niet voor eiseres werkzaam zijn.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat voldoende duidelijk blijkt uit de taalkundige ontleding van het begrip 'seizoensarbeiders voor maximaal zes maanden per jaar' dat tijdelijke huisvesting vergund is gedurende het plant- en oogstseizoen met een maximale periode van zes maanden op jaarbasis. Als beoogd was om jaarrond huisvesting toe te staan was het onnodig geweest om hier een termijn, dan wel seizoen aan te binden. Uit ruimtelijk oogpunt is het namelijk slechts beperkt tot niet relevant of de gehuisveste personen in samenstelling gelijk blijven of halfjaarlijks wisselen. Voor zover het gaat om de huisvesting door personen die niet werkzaam zijn voor het bedrijf van eiseres heeft het college tijdens alle controles voorafgaand aan en ook na het bestreden besluit, vastgesteld dat bewoners werkzaam zijn in de vleesindustrie. De verklaring die eiseres hierover in het kader van de bezwaren procedure heeft aangeleverd maakt niet dat dit afbreuk doet aan de feitelijke constateringen van de toezichthouders.

Aan de omgevingsvergunning van 25 juli 2017 zijn onder meer de volgende voorschriften verbonden.

Voorschrift 1.1.5

De te huisvesten personen mogen niet langer dan 6 maanden op de locatie verblijven.

Voorschrift 1.3.1

Gegevens en bescheiden die nog niet bij de aanvraag zijn overgelegd moeten drie weken voor aanvang van de werkzaamheden ter goedkeuring bij Bouwen, Wonen en Milieu worden ingediend. Het gaat hierbij om de volgende overeenkomstig de considerans bepaalde gegevens:

• Aantonen dat de te huisvesten personen niet langer dan 6 maanden verblijven d.m.v.

arbeidscontracten.

Aan de omgevingsvergunning van 25 maart 2019 zijn onder meer de volgende voorschriften verbonden.

Voorschrift 1.1.2

Er mogen maximaal 12 seizoenarbeiders gehuisvest worden.

Voorschrift 1.1.3

Seizoenarbeiders mogen gedurende een maximale periode van zes maanden per jaar

gehuisvest worden. Dit is overeenkomstig de voorschriften van de vergunning, geregistreerd

onder dossiernummer W 20322 d.d. 25 juli 2017.

Uit het controlerapport van de controle op 29 augustus 2023 volgt dat de beheerder van de loods heeft verklaard dat de loods wordt gebruikt door [naam]. De contactpersoon van [naam] heeft een lijst overgelegd met 24 personen die verblijven in de bedrijfswoning en in de loods. Tevens is [naam] de contractant voor de watervoorziening van beide panden. Uit het controlerapport van de controle op 30 november 2023 volgt dat in de hal van de loods een kaart hangt waarop staat geschreven dat er maximaal 24 personen gehuisvest mogen worden. Een van de bewoners heeft verklaard dat er 24 personen wonen in de loods. Uit het controlerapport van de controle op 11 oktober 2024 volgt dat meerdere ter plaatse aanwezige arbeidsmigranten hebben aangegeven werkzaam te zijn voor [naam] Uit het controlerapport van de controle op 3 december 2024 volgt dat alle aanwezige personen verklaarden werkzaam te zijn voor [naam].

De voorzieningenrechter is van oordeel uit de controlerapporten voldoende blijkt dat sprake is van een overtreding, omdat er meer dan 12 seizoenarbeiders in de loods verblijven en deze niet uitsluitend werkzaam zijn voor eiseres. De verklaring van [naam] eiseres in bezwaar heeft overgelegd dat geen van haar medewerkers bij eiseres verblijven doet daar niet aan af. Immers verklaarden de arbeidsmigranten ook dat zij werkzaam waren voor [naam]. Bovendien acht de voorzieningenrechter de verklaring van [naam] niet zonder meer betrouwbaar, nu uit de controlerapporten blijkt dat [naam] wel betrokken is geweest bij de huisvesting van de arbeidsmigranten. Eiseres had daarentegen bijvoorbeeld door middel van arbeidscontracten of andere documentatie eenvoudig kunnen aantonen dat de arbeidsmigranten die in haar bedrijfsloods verbleven uitsluitend werkzaam waren voor eiseres. Dat heeft zij nagelaten. Ook de omstandigheid dat eiseres thans niet meer in overtreding zou zijn, zoals zij zelf stelt, betekent niet dat het college de last met het bestreden besluit niet in stand heeft kunnen laten. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat de last ook is gericht op het beëindigd houden van de overtreding.

De voorzieningenrechter is wel met eiseres van oordeel dat in de voorschriften bij de omgevingsvergunningen van 25 juli 2017 en 25 maart 2019 niet kan worden gelezen dat eiseres niet jaarrond seizoenarbeiders mag huisvesten. Uit de voorschriften volgt slechts dat seizoenarbeiders voor maximaal zes aaneengesloten maanden gehuisvest mogen worden bij eiseres. De voorschriften verzetten zich er niet tegen dat na die periode andere seizoenarbeiders gehuisvest mogen worden. Het college heeft daarom ten onrechte aangenomen dat sprake is van een overtreding omdat op elk controlemoment bewoning in de loods werd geconstateerd, waardoor de bewoning langer dan zes maanden heeft plaatsgevonden en daardoor in strijd met de voorschriften is. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit in zoverre. De last is echter gericht op het in overeenstemming (laten) brengen van het gebruik van de loods met de verleende omgevingsvergunningen van 25 juli 2017 en 25 maart 2019. De formulering van de last is aldus ook gericht op het beëindigen van de overtredingen ten aanzien van het aantal gehuisveste personen en voor wie zij werken. De formulering van de last behoeft dus geen aanpassing, en daarom kunnen op dit punt de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in zoverre in stand blijven.

De verharding buiten het bouwvlak

7. Eiseres voert aan dat van handhavend optreden ten aanzien van de verharding buiten het bouwvlak behoort af te worden gezien, omdat sprake is van concreet zicht op legalisatie. De aanlegactiviteiten kunnen worden vergund op grond van artikel 38.122.1 van het omgevingsplan. Verder bevat het omgevingsplan door middel van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - vergroting bouwvlak tot 2 ha’ een (oude) binnenplanse wijzigingsbevoegdheid. Op basis van de artikelen 40.3.1 en 40.3.2 kunnen burgemeester en wethouders gebruik van agrarische gronden buiten het bouwvlak toestaan als het bouwvlak van een agrarisch bedrijf vergroten tot maximaal 2 hectare. De bestaande verharding voldoet aan de relevante criteria: zij ligt aansluitend aan het bouwvlak, is functioneel noodzakelijk voor de bedrijfsvoering, kan landschappelijk worden ingepast en blijft binnen de 2-hectaregrens. Daarmee kan de activiteit tevens binnenplans worden vergund op grond van artikel 22.32 van het omgevingsplan. Eiseres heeft vanwege de groei van de bedrijfsactiviteiten onder andere een kantoor en kantine vanwege de huisvesting van de arbeidsmigranten in de loods geplaatst. Daardoor is er minder tot geen ruimte om de machines in de loods te stallen. Eiseres zal daarom een aanlegvergunning aanvragen. Zij heeft bovendien op 27 februari 2026 een omgevingsvergunningaanvraag voor het vergroten van het bouwvlak ingediend.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat ten tijde van het bestreden besluit er nog geen aanvraag voor een omgevingsvergunning was ingediend. Op dat moment was er dus geen concreet zicht op legalisatie. Inmiddels is er op 27 februari 2026 wel een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het vergroten van het bouwvlak. De omgevingsvergunning kan worden verleend indien in ieder geval aan de voorwaarden uit de voorheen geldende wijzigingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan wordt voldaan. Dat heeft eiseres volgens het college echter niet of nauwelijks aangetoond en het college heeft ook geen positief principestandpunt ingenomen.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.

De voorzieningenrechter oordeelt dat in deze zaak er geen sprake is van concreet zicht op legalisatie. Voor het antwoord op de vraag of concreet zicht op legalisatie bestaat, moet worden gekeken naar de feiten en omstandigheden ten tijde van de besluitvorming. Eiseres had ten tijde van het bestreden besluit geen aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning, hetgeen tenminste nodig is om concreet zicht op legalisatie aan te nemen. Dat eiseres inmiddels wel een aanvraag om een omgevingsvergunning ter legalisatie van de verharding heeft gedaan, levert dus geen bijzondere omstandigheid op om van handhavend optreden af te zien. Bovendien heeft het college bij brief van 21 april 2026 laten weten voornemens te zijn de omgevingsvergunning te weigeren.

Evenredigheid

8. Het college handelt volgens eiseres in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Op meerdere onderdelen is het college contrair gegaan aan het gemotiveerde advies van de bezwaarschriftencommissie, zonder deugdelijk te onderbouwen waarom een zwaardere lijn noodzakelijk zou zijn. De bezwaarschriftencommissie concludeerde onder meer dat met betrekking tot het gebruik van de loods géén overtreding is vastgesteld en dat de last over het gebruik van de bedrijfswoning nader onderzoek vergt. Toch handhaaft het college beide lasten onverkort, en kiest daarmee bewust voor een zwaardere koers dan de bezwaarschriftencommissie noodzakelijk achtte.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het geen zwaardere lijn hanteert. De punten van het advies van de commissie die het college niet gevolgd heeft betreffen een oordeel van de commissie over de vaststelling van de overtredingen, niet over de wijze van handhavend optreden hiertegen. Het college is in tegenstelling tot het advies van de commissie van oordeel dat daadwerkelijk vast is komen te staan dat sprake is van overtredingen. Artikel 7:13, zevende lid, van de Awb geeft aan dat indien de beslissing van het bestuursorgaan afwijkt van het advies van de commissie, het bestuursorgaan in haar beslissing aangeeft wat de reden voor die afwijking is en het advies wordt meegezonden. Aan deze beider eisen heeft het college in het bestreden besluit voldaan.

Het evenredigheidsbeginsel is neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Uit de genoemde Harderwijk-uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022 volgt dat de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid een rol kunnen spelen bij de toetsing van een besluit aan de norm van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het middel (de last) geschikt is het doel (het beëindigen van de overtreding) te bereiken. Een last onder dwangsom is in het algemeen een geschikt middel om een overtreder te dwingen om een overtreding te beëindigen. Eiseres heeft geen omstandigheden aangevoerd waarom met het opleggen van de last in dit geval niet kan worden bereikt dat zij de overtreding beëindigen.

De voorzieningenrechter oordeelt ook dat het opleggen van de last onder dwangsom noodzakelijk is. Er is een overtreding waar het college tegen op wil treden. De voorzieningenrechter ziet geen reden om aan te nemen dat het opleggen van een last onder dwangsom in dit geval verder gaat dan nodig. Er is geen ander, minder ingrijpend middel waarmee het college hetzelfde resultaat kon bereiken.

De voorzieningenrechter acht de last tot slot ook evenwichtig. Eiseres benoemt slechts dat het college afwijkt van het advies van de bezwaarschriftencommissie, maar dat is een bevoegdheid die het college heeft. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat de last ten aanzien van de verharding te zwaar is gelet op de doelen die gediend zijn. Het college heeft hierover terecht opgemerkt dat het en beginselplicht heeft om handhavend op te treden. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het college om van die beginselplicht af te wijken.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat het college een overtreding ten aanzien van de periode waarbinnen seizoenarbeiders mogen worden gehuisvest onvoldoende heeft vastgesteld. De rechtbank vernietigt daarom in zoverre het bestreden besluit. De rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de formulering van de last geen aanpassing behoeft.

Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

10. Bij uitspraak van 23 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter het primaire besluit en het bestreden besluit ten aanzien van last 1, 2 en 4 bij wijze van ordemaatregel geschorst. De ordemaatregel vervalt op grond van artikel 8:85, tweede lid, onder c, van de Awb zodra de voorzieningenrechter in deze procedure uitspraak heeft gedaan. Om te voorkomen dat eiseres direct na deze uitspraak dwangsommen verbeurt, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de begunstigingstermijn te verlengen ten aanzien van last 1, 2 en 4. De termijn om te voldoen aan deze onderdelen van de last wordt verlengd tot en met vier weken na verzending van deze uitspraak. Dit geeft eiseres de mogelijkheid om binnen vier weken te voldoen aan de last zonder dat zij direct na deze uitspraak van rechtswege dwangsommen verbeurt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 23 oktober 2025;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- treft de voorlopige voorziening dat de begunstigingstermijn om te voldoen aan de last onder 1, 2 en 4 wordt verlengd tot en met vier weken na verzending van deze uitspraak;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;

- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kleijn Hesselink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J.A.B. Elsman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand