2. 2. Ambulante behandelingVeroordeelde werkt mee aan diagnostisch onderzoek door de forensische polikliniek van Kaïros (jeugd), of een soortgelijke hulpverleningsinstantie. De reclassering bepaalt welke aanbieder het wordt. Indien uit diagnostiek blijkt dat ambulante behandeling of begeleiding geïndiceerd is, dan werkt veroordeelde hieraan mee zolang de reclassering dit nodig vindt. Het diagnostisch onderzoek start zo spoedig mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling/begeleiding. De behandeling/begeleiding is gericht op psychische problematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
3. ContactverbodVerdachte zoekt of heeft gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met: [slachtoffer] , geboren op [2009] te [geboorteplaats] , (slachtoffer in onderhavige zaak).
Geeft aan William Schrikker Stichting. Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden onder 1 en 2 en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.
Beveelt de dadelijke uitvoerbaarheid van de op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht.
legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] van een bedrag van € 10.188,76.
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 75 dagen.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade van € 10.000,-- en materiële schade van
€ 188,76. De vergoeding van immateriële en materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing vordering benadeelde partij [slachtoffer] .
Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , van een bedrag
€ 10.188,76, bestaande uit € 10.000,-- immateriële schade en € 188,76 materiële schade (reiskosten).
Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, 12 februari 2023, tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de (proces)kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk ten aanzien van het overige deel van de vordering (overige deel van de gevorderde immateriële schade).
Bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden
aangebracht.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.C.L. Pechaczek, voorzitter,
mr. S.J.W. Hermans en mr. E.H. Groen, leden,
in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,
en is uitgesproken op 8 mei 2026.