RECHTBANK OOST-BRABANT
vonnis
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer: 82.318822.23
Datum uitspraak: 12 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
gevestigd te: [adres] ,
hierna ook aangeduid als: [verdachte] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
1. De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 6 februari 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 maart 2020 tot en met 9 oktober 2020 te Esbeek , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, de CMR’s, handelspapieren en/of facturen met transporten welke hebben plaatsgevonden tussen [bedrijf 2] (in Duitsland) en [bedrijf 1] , zijnde (een) geschrifte(n) dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft zij en/of haar medeverdachte(n) valselijk of in strijd met de waarheid:
A. (met betrekking tot het transport op d.d. 13 maart 2020)
B. (met betrekking tot het transport op d.d. 29 mei 2020)
- op de CMR (deel voor vervoerder, deel 3) (met kenmerk: 36365092)(DOC-2123, p. 2.037) heeft vermeld dat het ging om 'Slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed’, en/of,
C. (met betrekking tot het transport op d.d. 17 juli 2020)
D. (met betrekking tot het transport op d.d. 18 september 2020)
terwijl bij deze/dit transport(en) in werkelijkheid runderbloed werd getransporteerd, zulks met het oogmerk om dat geschrift (telkens) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
2. De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
3. De bewijsbeslissing,
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Het standpunt van de verdediging.
Op de in de pleitnota beschreven gronden en de toelichting daarop ter terechtzitting heeft de verdediging primair integrale vrijspraak ten aanzien van het tenlastegelegde bepleit. Hiertoe heeft de verdediging – zakelijk weergegeven en onder meer – bepleit dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat er (slechts) bloed werd getransporteerd door de chauffeurs van [verdachte] nu de bij [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) geladen inhoud van de vrachtwagens nooit is getest.
Daarnaast kan, aldus de raadsman, niet bewezen worden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het plegen van valsheid in geschrift. Uit de omstandigheid dat medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) het door hem ingewonnen advies opvolgde kan niet worden afgeleid dat hij, namens [verdachte] , willens en wetens een aanmerkelijke kans op het plegen van valsheid in geschrift heeft aanvaard. Ook op deze grond dient (subsidiair) vrijspraak te volgen, dan wel ontslag van alle rechtsvervolging.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt voor het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs.
De inleiding.
Op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
[verdachte] werd op 9 oktober 2014 opgericht. [medeverdachte] is sinds die oprichting enig (middellijk) bestuurder van [verdachte] . Haar bedrijfsactiviteiten bestonden uit het in- en verkopen van meststoffen, het handelen in meststoffen, het bemiddelen tussen partijen inzake de afzet van meststoffen en ver- en bewerken van meststoffen. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat het bedrijf zich feitelijk voornamelijk bezig heeft gehouden met het verzorgen van (internationale) transporten van mest.
Vanaf 17 januari 2020 verzorgde [verdachte] , na een tip van een zakelijke kennis van verdachte, transporten goederen van leverancier [bedrijf 2] naar afnemer [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). Die transporten boden voor verdachte een commerciële kans nu de vrachtwagens van [verdachte] regelmatig na een aflevering in Duitsland leeg langs deze locaties retour reden. [bedrijf 1] exploiteerde onder verlening van een bijbehorende SDE-vergunning een co-vergistingsinstallatie. In de bijbehorende omgevingsvergunning van [bedrijf 1] staat opgenomen dat er enkel co-producten verwerkt mogen worden welke vermeld staan in Bijlage Aa, onderdeel IV van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Op deze zogenoemde ‘positieve’ lijst staat geen bloed opgenomen.
De rechtbank moet beoordelen of de tenlastegelegde documenten die zijn opgemaakt in het kader van dergelijke transporten, valselijk zijn opgemaakt. De rechtbank zal hierom eerst nader ingaan op de vraag of vastgesteld kan worden wat er door [verdachte] is vervoerd en of de omschrijving op de documenten hiermee overeenstemde. Daarna zal de rechtbank ingaan op de vragen of de onderliggende documenten (opzettelijk) valselijk zijn opgemaakt.
Welk product is er door [verdachte] vervoerd van [bedrijf 2] naar [bedrijf 1] ?
Op grond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt zonder meer dat de initiële afspraken tussen [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [verdachte] zagen op transporten met betrekking tot uitsluitend bloed.
Zo stuurt medeverdachte [medeverdachte] , op 8 november 2019 een email aan [naam 1] dat hij varkensbloed voor € 30,00 per ton kon verkopen in Esbeek. Op alle in de administratie van [verdachte] aangetroffen Duitse weegbonnen staat ‘blut’ en in de aangetroffen correspondentie tussen verdachte, zijn chauffeurs en [naam 2] , die betrokken is bij de co-vergistingsinstallatie van [bedrijf 1] , wordt ook steeds gesproken over bloed. Op de bij [verdachte] aangetroffen administratie met betrekking tot transporten in de periode van 17 januari 2020 tot en met 6 maart 2020 staan omschrijvingen genoemd als “runderbloed” en “Blut Rind” en “Bovidea/bloed.” Medeverdachte [medeverdachte] verklaart bij zijn verhoor van 6 mei 2025, op de vraag of [verdachte] deze vrachten bloed vervoerd en afgeleverd heeft aan [bedrijf 1] , het volgende: “Ja. Wat er precies in de tank zat. dat weet ik niet. Maar er zat veel bloed bij, dat is een feit. Ik heb het zelf niet onderzocht.” Ter zitting heeft verdachte ook verklaard dat bij aanvang bloed werd vervoerd.
In totaal heeft [verdachte] 39 transporten van [bedrijf 2] naar [bedrijf 1] verzorgd. Om vast te kunnen stellen wat er steeds door [verdachte] geladen is bij [bedrijf 2] is [getuige 1] , zijnde sectiehoofd levensmiddelencontrole van het Duitse bureau voor veterinaire zaken, als getuige gehoord. Uit haar verklaringen blijkt dat getuige [getuige 1] regelmatig in de slachthal bij [bedrijf 2] is ten behoeve van het uitvoeren van levensmiddelencontroles. Op basis van haar kennis en eigen waarnemingen verklaarde zij, als onafhankelijke deskundige, dat bloed na de slacht direct via een aparte vloerafvoer en middels een gesloten buizensysteem wordt opgevangen in een tank. Maag- en darminhoud wordt tijdens een latere stap in het slachtproces verzameld in een aparte container. Deze onafhankelijke systemen maken het technisch gezien onmogelijk dat bloed vermengd kan raken met maagdarminhoud of andere bestanddelen van de geslachte dieren.
De rechtbank leidt uit al hetgeen hiervoor is overwogen af dat het bloed dat vrijkomt door de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 2] apart wordt opgevangen van de overige restproducten. Door getuige [getuige 2] is ook verklaard dat het Nederlandse bedrijf per week de dagproductie van het bloed op een vaste dag van de week ophaalde, dat dit proces het zelfde is gebleven en dat er geen andere producten met het bloed geladen werden. Redelijkerwijs is tot 13 maart 2020, de aanvang van de ten laste gelegde periode, dus altijd hetzelfde product geladen, namelijk runderbloed. Op de facturen van de eerste zeven facturen stond bovendien ook “transport rinderblut” vermeld.
Vanaf 13 maart 2020, na een controle van de NVWA bij de co-vergistingsinstallatie in Esbeek, veranderen de omschrijvingen op de in de administratie van [verdachte] aangetroffen vervoersdocumenten. De documenten spreken ten aanzien van het transport van 13 maart 2020 onder meer over: “slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed”. Op 13 maart 2020 geeft verdachte aan [chauffeur] de opdracht om naar kantoor te komen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt zonder meer dat dit nodig was omdat [chauffeur] niet over de nieuwe versie van de handelsdocumenten beschikte.
In de periode van 20 maart 2020 tot en met 18 september 2020 spreken de documenten over “slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed”. Dit terwijl uit de verklaring van onder meer getuige Aspers die in dienst was bij [verdachte] blijkt dat bij [bedrijf 2] altijd werd geladen vanuit dezelfde tank. De enige feitelijke verandering die kennelijk plaatsvond binnen de bedrijfsvoering van [verdachte] was dat verdachte aan hen vertelde dat er andere omschrijvingen op hun papieren moest komen te staan. Dit moest namelijk overeenkomen met het advies van het adviesbureau en de opgestelde handelsdocumenten.
Dat er alleen op papier iets veranderde wordt ook ondersteund door het volgende. Bij de transporten van 19 mei 2020 en 25 mei 2020 wordt door de betrokken chauffeurs, ondanks de nieuwe afspraken, op de CMR’s aangegeven dat er sprake was van ‘1 vracht bloed’. Op 24 september 2020 belde [naam 2] met verdachte over deze situatie en deelde hij aan verdachte mede dat als op de CMR’s bloed blijft staan het product niet mag worden afgenomen in Esbeek. Na dit telefoongesprek stuurt medeverdachte [medeverdachte] een WhatsApp-bericht naar de chauffeurs die bij hem in dienst waren. In dit bericht maakte hij duidelijk aan zijn chauffeurs dat nergens op de papieren bloed meer mag staan.
Gelet op al het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat ook na 13 maart 2020 uitsluitend bloed is opgeladen door de vrachtwagens van verdachte en [verdachte] . De stelling van medeverdachte [medeverdachte] dat het door [bedrijf 2] afgegeven restproduct op enig moment is veranderd of dat bloed na de achtste levering werd gemixt met schraapvet wordt ook op geen enkele manier ondersteund door de overige inhoud van het dossier. Restproducten (ongeboren mest, slib van slachthuis e.d.) die gezien het gesloten productieproces bij [bedrijf 2] ook nimmer bij de opslagtanks kunnen komen die uiteindelijk door [verdachte] werden geleegd. Nu er verder niets anders werd geladen dan inhoud van deze opslagtanks, zoals blijkt uit de verklaring van [chauffeur] , is het ook niet aannemelijk dat deze restproducten op andere wijze zijn toegevoegd aan het bloed uit deze tanks.
Gelet op het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat alleen bloed is vervoerd, het verweer van de verdediging wordt daarom verworpen.
Bovendien, ook als vanaf 13 maart 2020 daadwerkelijk, zoals medeverdachte [medeverdachte] stelt, een mengsel van 99% bloed en 1% schraapvet is geladen, maakt dit op geen enkele wijze begrijpelijk dat er vanaf 13 maart 2020 steeds is gekozen voor de omschrijvingen op de tenlastegelegde documenten. Die omschrijvingen wijzen immers steeds op wezenlijk andere restproducten dan bloed en schraapvet.
De administraties werden zodoende niet overeengebracht met de daadwerkelijke goederen die werden vervoerd, maar werden zodanig aangepast dat het niet meer duidelijk was wat er werd vervoerd: bloed.
Het (voorwaardelijk) opzet van verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte volledig opzettelijk valse documenten heeft opgemaakt. Uit het verhandelde ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat medeverdachte [medeverdachte] namens [verdachte] volledig heeft geleund op het door hem ingewonnen advies van een destijds actief adviesbureau en er volledig vanuit is gegaan dat wat hij deed, gelet op het advies, klopte en mocht. De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of medeverdachte [medeverdachte] , die steeds namens [verdachte] handelde, voorwaardelijk opzet heeft gehad op het plegen van valsheid in geschrift.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het plegen van valsheid in geschrifte – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Zoals hiervoor is overwogen heeft [verdachte] vanaf 13 maart 2020 omschrijvingen gehanteerd op documenten die niet overeenkomen met het geladen product bij [bedrijf 2] . De proceshouding van de wettelijk vertegenwoordiger van verdachte (medeverdachte [medeverdachte] ) ter terechtzitting, waarin hij stelde dat hij het lastig vond om te beoordelen of bloed, al dan niet gemengd met een zeer kleine hoeveelheid schraapvet, redelijkerwijs omschreven mag worden als “slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed” en/of “Magen- und Darminhalt gemischt mit Blut” is niet geloofwaardig. Immers zijn dit wezenlijk andere restproducten van een slachthuis dan bloed. Het onderscheid tussen dergelijke producten is voor eenieder, eventueel na wat korte zoekslagen op internet, gemakkelijk te maken. Van een internationale vervoerder, die uit hoofde van het CMR-verdrag verplicht was om de inhoud van hun ladingen te controleren en de juiste omschrijvingen van de ladingen op de CMR-vrachtbrieven te zetten, mag dit ook worden verwacht. Het ligt dan ook alleszins voor de hand dat medeverdachte [medeverdachte] wel degelijk heeft ingezien dat de geadviseerde termen niet konden kloppen met wat hij werkelijk vervoerde. Om een voor hem moverende reden is hij desondanks steeds meegegaan in de opdrachten die hij van [naam 2] lijkt te hebben gekregen om het bloed op papier als iets anders te omschrijven.
Door de hierna bewezenverklaarde omschrijvingen te hanteren heeft medeverdachte [medeverdachte] , namens [verdachte] , naar het oordeel van de rechtbank dan ook steeds de aanmerkelijke kans dat hij een vals document opmaakte en gebruikte bewust aanvaard. Dit betekent dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Gelet op het voorgaande is evenmin sprake van het ontbreken van alle schuld, verdachte zal daarom niet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Kunnen de strafbare feiten worden toegerekend aan [verdachte] ?
Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang met wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de bewezenverklaarde gedragingen plaats vonden in de sfeer van [verdachte] . De gedragingen zoals deze hierna zijn bewezenverklaard pasten in de normale bedrijfsvoering van [verdachte] en zijn dienstig geweest aan het door [verdachte] uitgeoefende bedrijf. Die gedragingen kunnen daarom in redelijkheid aan verdachte worden toegerekend. Dit betekent dat het tenlastegelegde kan worden bewezen verklaard.
Medeplegen.
Op grond van het al hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] , medeverdachte [medeverdachte] , het adviesbureau en [naam 2] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
4. De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
op tijdstippen in de periode van 13 maart 2020 tot en met 18 september 2020, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, de CMR’s, handelspapieren en facturen met transporten welke hebben plaatsgevonden tussen [bedrijf 2] in Duitsland en [bedrijf 1] , zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft zij en/of haar medeverdachten in strijd met de waarheid:
A. (met betrekking tot het transport op 13 maart 2020)
B. (met betrekking tot het transport op 29 mei 2020)
C. (met betrekking tot het transport op 17 juli 2020)
D. (met betrekking tot het transport op 18 september 2020)
terwijl bij deze transporten in werkelijkheid runderbloed werd getransporteerd, zulks met het oogmerk om dat geschrift telkens als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
5. De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
6. De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
7. De oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 70.000,--.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om in haar strafoplegging rekening te houden met de gevolgen die de strafzaak voor [verdachte] heeft gehad en die een veroordeling zal hebben en het feit dat verdachte niet heeft gehandeld uit winstbejag nu met de transporten geen grote geldbedragen werden verdiend. Daarnaast heeft de raadsman de rechtbank verzocht rekening te houden met de oudheid van de feiten en de overschrijding van de redelijke termijn.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Namens [verdachte] zijn diverse valse documenten, zijnde vrachtbrieven (CMR’s), handelsdocumenten en facturen, opgemaakt. Op de documenten werd steeds gesproken over een andere inhoud dan daadwerkelijk vervoerd is geweest. Door zulke documenten op te maken heeft verdachte meegedraaid in een frauduleuze werkwijze van [bedrijf 1] om (goedkopere) goederen te kunnen vergisten die wettelijk gezien helemaal niet als co-product vergist mochten worden.
Anderszins heeft de rechtbank oog voor het standpunt van de wettelijk vertegenwoordiger van verdachte dat hij heeft gehandeld op basis van het aan hem gegeven advies. Uit het dossier leidt de rechtbank ook niet af dat hij, namens [verdachte] , volle opzet had op het behulpzaam zijn aan de hiervoor genoemde frauduleuze werkwijze. Het verwijt dat de rechtbank verdachte maakt is dat zij kritischer had moeten zijn op de aan hem gegeven adviezen nu het, zoals hiervoor is overwogen, om wezenlijk andere productomschrijvingen ging dan wat daadwerkelijk geladen werd. Het inwinnen van advies vrijwaart verdachte niet van haar verantwoordelijkheid om zijn administratie naar waarheid te voeren en doorlopend te controleren of zijn administratie in overeenstemming is met wat hij vervoert. Zeker als verdachte ter zitting verklaart dat hij zo afhankelijk is van zijn vergunning om (internationaal) goederenvervoer uit te kunnen voeren.
Ter terechtzitting heeft de wettelijk vertegenwoordiger van verdachte invoelbaar kunnen beschrijven dat het uitvoeren van deze transporten en het opmaken van de bijbehorende valse administratie de grootste fout van zijn leven is geweest. Uit het dossier kan de rechtbank ook niet opmaken dat er sprake is geweest van handelen uit winstbejag. Immers hebben de door [verdachte] gereden transporten financieel gezien geen grote winsten opgeleverd. Alles wijst er op dat verdachte een commerciële kans als bijvangst heeft willen benutten, maar zich in dat proces volledig heeft laten lenen voor de wensen van haar zakelijke contacten om hun wettelijke verplichtingen te omzeilen.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de gevolgen die de strafzaak tot nu toe en die deze veroordeling mogelijk zal hebben voor de bedrijfsvoering van [verdachte] . Zoals hiervoor is overwogen hebben de gereden transporten geen grote bedrijfsresultaten opgeleverd. Dit staat in schril contrast tot het feit dat de vergunning van [verdachte] om haar bedrijfsactiviteiten te kunnen verrichten gedurende de strafzaak op het spel heeft gestaan en na dit vonnis wederom mogelijk op het spel zal staan. Gelet hierop is verdachte door haar eigen handelen getroffen. Dit weegt voor de rechtbank in strafmatigende zin mee.
De rechtbank heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 2 februari 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen voor soortgelijke feiten.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat het recht van elke verdachte op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is geschonden. De rechtbank stelt vast dat bewezenverklaarde feiten
zijn gepleegd in de periode van 13 maart 2020 tot en met 18 september 2020. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat het tijdsverloop tot aan dit vonnis geheel of gedeeltelijk aan de verdediging is toe te rekenen. Ook is er geen sprake van feiten of omstandigheden die ertoe dienen te leiden dat afgeweken wordt van het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg twee jaren bedraagt.
De rechtbank neemt de inverzekeringstelling van de wettelijk vertegenwoordiger van verdachte op 25 januari 2022 als aanvangsmoment voor de redelijke termijn. Een en ander maakt dat bij het doen van uitspraak door deze rechtbank de redelijke termijn met 2 jaar en ruim 3 maanden is overschreden. De rechtbank zal in strafmatigende zin rekening houden met deze forse termijnoverschrijding.
Alles afwegende acht de rechtbank een aanzienlijk lagere straf dan door de officier van justitie is geëist passend en geboden. De rechtbank acht een geldboete ter hoogte van € 25.000,--, gelet op al het voorgaande, voldoende recht doen aan de ernst van de feiten. Gelet op de forse overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank deze boete matigen tot € 20.000,--.
De toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
23, 47, 51, 57, 225 Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert het misdrijf:
medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon
- verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:
Een geldboete ter hoogte van 20.000,00 euro.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.J.H. van de Kant, voorzitter,
mr. F.H.E. Boerma en mr. M. Langstraat, leden,
in tegenwoordigheid van mr. S.B.J. de Leeuw, griffier,
en is uitgesproken op 12 mei 2026.