RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.123322.25
Datum uitspraak: 08 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2003] ,
wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te: [verblijfplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 februari 2026 en 24 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 januari 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1 primair:
hij op of omstreeks 21 januari 2025 te Vught, in elk geval in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen (met kracht) met een aardappelschilmesje, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn hoofd en/of nek en/of schouders en/of bovenrug, althans in/op zijn lichaam, heeft gestoken en/of gesneden en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 januari 2025 te Vught, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen (met kracht) met een aardappelschilmesje, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in zijn hoofd en/of nek en/of schouders en/of bovenrug, althans in/op zijn lichaam, heeft gestoken en/of gesneden en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs.
2. Proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden, opgemaakt op 30 januari 2025 door verbalisant [verbalisant] , dossierpagina’s 58-60, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
3. Een geschrift betreffende een forensisch medische letselrapportage zonder benoeming als gerechtelijk deskundige, opgemaakt door drs. M.W.G. Govaerts, onderzoek uitgevoerd op 3 februari 2025. Voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd het primair ten laste gelegde, zijnde de poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen te verklaren met als opzetvorm voorwaardelijk opzet.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het primair ten laste gelegde, omdat er niet vastgesteld kan worden hoe diep er gestoken is. Er is niet diep genoeg gestoken om vitale delen van het lichaam te raken, waardoor er geen sprake kan zijn van een poging tot doodslag. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er wel voldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een veroordeling van poging tot zware mishandeling over te gaan.
Het oordeel van de rechtbank.
Vaststelling van de feiten.
De rechtbank stelt -als onweersproken- vast dat verdachte op 21 januari 2025 met het latere slachtoffer aan het koken was en dat verdachte op enig moment, zonder duidelijke aanleiding met een aardappelschilmes met kracht dertien keer in het hoofd, de nek, schouders en de bovenrug van het slachtoffer heeft gestoken. De rechtbank baseert dit op de volgende bewijsmiddelen:
De bewijsmiddelen.
1. Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , opgemaakt door verbalisant [verbalisant] op 24 januari 2025, dossierpagina’s 8-31, voor zover inhoudende en zakelijk weergegeven:
Ik doe aangifte tegen [verdachte] (de rechtbank begrijpt [verdachte] ), (…). [verdachte] is een medegedetineerde (…).
Ik zit op de [verblijfplaats] sinds maart 2024.
(...)
Dinsdag op 21 januari 2025.
(…)
Op een gegeven moment was hij een uitje naast mij aan het snijden. [verdachte] stond op
dat moment pal naast mij, rechts van mij. Ik draaide mij een kwartslag om om een
zakje van de verwarming te pakken en opeens voelde het alsof ik een duw kreeg van
achteren. Ik kon het gevoel niet plaatsen.
(…)
Het voelde of iemand mij met de knokkels van een vuist sloeg. Achteraf realiseer ik
mij dat [verdachte] mij 15 keer in mijn nek en hoofd had gestoken en dat het gevoel van de
knokkels kwam van de stekende beweging die [verdachte] over mijn hoofd en nek maakte.
Ik kan me nog wel herinneren dat ik voelde dat ik de knokkel van [verdachte] met zijn
rechter vuist in mijn nek en hoofd voelde.
Toen ik opkeek en totaal niet wist wat er aan de hand was, zag ik dat [verdachte] voor mij
stond met een aardappelschilmes in zijn rechterhand, met het metalen gedeelte van het
mes, het lemmet aan de onderzijde van zijn hand.
Uit ervaring weet ik dat het een aardappelschilmes van zo'n 15 centimeter lang is
met een wit handvat en een roestvrijstalen lemmet. Dit weet ik omdat ik eerder heb
gekookt in de keuken en ik herken de keukenspullen.
Het mes dat [verdachte] vasthield stak 2 a 3 centimeter uit zijn hand. Ik zag dat hij
steek bewegingen in mijn richting maakte ter hoogte van mijn gezicht en mijn nek en
mij opnieuw wilde aanvallen. In een reflex en uit noodweer in hem af te houden maakte
ik een trap duw in de richting van het lichaam van [verdachte] . Ik zag dat hij hierdoor
iets achteruit ging. Ik pakte hierop meteen de prullenbak van de grond die voor mij
stond en hield ik deze voor mij om af te weren en mij zelf te beschermen.
Ik voelde dat er bloed langs de linker zijde van hoofd sijpelde en ik zag dit op de
grond druppelde.
(…)
Meerdere bewaarders hebben met meerdere doeken mijn wonden op mijn hoofd en in mijn
nek met kracht aangedrukt. Zo ernstig stroomde het bloed uit mijn hoofd en mijn nek.
Op maandag 27 januari 2025 ontving ik na vordering de camerabeelden van een
steekincident dat plaatsvond op dinsdag 21 januari 2025 om 14:10 uur binnen de
[verblijfplaats] .
(…)
Voor het aanrecht, ter hoogte van de locatie tussen de kookplaat en de spoelbakken,
zie ik 2 personen op korte afstand naast elkaar staan die ik als volgt wil
beschrijven: (de rechtbank begrijpt dat NN1 [verdachte] betreft en NN2 [slachtoffer] is).
(…)
14:10:12 - NN1 pakt met zijn linkerhand de rechter schouder vast van NN2. NN1 heft
zijn rechterarm in een hoek van 90 graden omhoog en haalt een aantal keer met volle
kracht uit in de richting van NN2. De rechter hand van NN1 komt steeds met volle
kracht terecht in het gebied van de nek, het hoofd en schouders van NN2. Ik zie dat
NN1 op deze wijze 10 keer een aanval uitvoert op NN2. Ik zie dat NN2 zich afweert
door voorovergebogen met zijn beide handen zijn nek en hoofd af te schermen en door
achterwaarts te lopen.
14:10:14 - Op dit tijdsframe is duidelijk te zien dat NN1 een langwerpig
zilverkleurig voorwerp in zijn rechterhand vast houdt en hiermee NN2 aanvalt dan wel
op hem insteekt.
14:10:16 - NN2 komt achterwaarts tot stilstand tegen de tafel. Ik zie dat NN1
dreigend voor NN2 staat, kijkend in de richting van NN2 en met het voorwerp nog
steeds in zijn rechter hand.
(…)
14:10:20 - NN1 en NN2 verdwijnen grotendeels uit het zicht van de camera, echter
doordat er wilde bewegingen worden waargenomen is te zien is dat er nog steeds een
worsteling plaatsvindt tussen NN1 en NN2.
(…)
14:11:30 - Op dit tijdsframe is duidelijk te zien dat NN2 hevig bloedt vanuit de nek of het hoofd.
Bij betrokkene werden in de behaarde hoofdhuid, in de nek en op de schouders en hoog op de rug de littekens van 13 huidletsels, meest waarschijnlijk steekverwondingen, aangetroffen.
De volgende vraag is hoe dit handelen van verdachte gekwalificeerd moet worden.
De kwalificatie.
Verdachte heeft meermaals met een mes met kracht op vitale delen van het lichaam van slachtoffer ingestoken. Zo heeft hij meermaals met kracht, ongecontroleerd in de streek van het hoofd, de nek en schouders van het slachtoffer gestoken. Hij heeft het slachtoffer daarbij 13 x daadwerkelijk geraakt.
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat bij een poging tot doodslag niet relevant is of er letsel is ontstaan en zo ja, wat de aard van dat letsel is. De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat het gebied rond het hoofd en de hals zeer vitaal en kwetsbaar is. In de hals bevinden zich immers de luchtpijp en vitale (hoofdslag)aders en in het hoofd bevinden zich de hersenen. Als men op die plekken geraakt wordt kan dit leiden tot ernstig bloedverlies en dodelijke verwondingen. Ook met een aardappelschilmes kunnen er dermate hevige verwondingen worden aangebracht dat het slachtoffer kan komen te overlijden. Daarbij is het van belang hoe en met welke kracht met het mes is gestoken. Verdachte heeft vele malen met veel kracht ingestoken op het hoofd, de hals en schouders van het slachtoffer. Er was daarbij sprake van een dynamische situatie, omdat het slachtoffer zich met alle macht probeerde te verweren en zijn lichaam dus veel in beweging was. Dat vergroot het risico op dodelijk steekletsel in vitale delen aanzienlijk.
Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat verdachte, door te handelen zoals hiervoor omschreven, zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op het slachtoffer. De rechtbank is daarbij van oordeel dat verdachte met vol opzet heeft gehandeld, nu zijn handelen naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht was op de dood van het slachtoffer, dat het niet anders kan dan dat de verdachte met de messteken het slachtoffer ook heeft willen doden. De rechtbank acht daarom het primair ten laste gelegde, de poging tot doodslag, wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
Ten aanzien van het primair ten laste gelegde:
op 21 januari 2025 te Vught, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen met kracht met een aardappelschilmesje, in zijn hoofd en nek en schouders en bovenrug, heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte geheel uitsluiten.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.
De officier van justitie heeft hierbij opgemerkt dat zij bij de hoogte van de eis rekening heeft gehouden met de verminderde toerekenbaarheid van het feit vanwege de, bij verdachte aanwezige, persoonlijkheidsstoornis.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
Primair heeft de verdediging verzocht om artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen. Dat wil zeggen dat verdachte geen straf moet krijgen, zodat de eerder opgelegde terbeschikkingstelling zo snel mogelijk kan aanvangen.
Subsidiair heeft de verdediging verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.
Meer subsidiair is verzocht om een terbeschikkingstelling op te leggen zonder bijkomende straf.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich -wederom- schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Dit is gepleegd tegen een medegedetineerde die nietsvermoedend aan het koken was met verdachte. De aanval lijkt uit het niets te zijn gebeurd, wat het gevoel van onveiligheid voor het slachtoffer zowel tijdens als na het incident moet hebben vergroot. Verdachte heeft ter terechtzitting ook geen verdere inzage gegeven in zijn beweegredenen, voor zover mogelijk. Het slachtoffer mag van geluk spreken dat hij niet dodelijk gewond is geraakt. Zowel buiten als binnen de muren van een penitentiaire inrichting moeten personen zich veilig wanen. Verdachte heeft zo weinig respect voor het welzijn van zijn medegedetineerde gehad dat het slachtoffer heeft moeten vrezen voor zijn leven. Dit is zeer ernstig.
Het zeer gewelddadig karakter van het door verdachte gepleegde strafbare feit laat zien dat verdachte er niet voor terugschrikt om zwaar geweld tegen nietsvermoedende willekeurige personen te gebruiken. Verdachte heeft zich bij zijn strafbaar handelen niet bekommerd om de gevolgen.
Het geweld moet een grote indruk op het slachtoffer hebben gemaakt, hetgeen ook uit de slachtofferverklaring blijkt. Het slachtoffer heeft middels zijn advocaat verklaard dat hij kort na het gebeuren zijn cel niet meer uit durfde, een lange periode slecht sliep, erg alert is -zeker als er messen in de buurt zijn- en dat hij tot de dag van vandaag nog erg veel pijn heeft van de verwondingen door littekenweefsel en zenuwpijnen.
Persoonlijke omstandigheden en de verminderde toerekeningsvatbaarheid
Volgens het uittreksel van zijn justitiële documentatie heeft verdachte al eerder, op 15 april 2022 een medegedetineerde doodgestoken en 3 anderen verwond. Hij zat op dat moment een PIJ-maatregel uit die hem op 26 augustus 2021 is opgelegd wegens meerdere geweldsdelicten. Op 5 maart 2025 is verdachte in hoger beroep voor voornoemde doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar en 9 maanden en TBS met dwangverpleging. Verdachte zat ten tijde van onderhavig delict de gevangenisstraf uit en was nog niet begonnen met de noodzakelijke TBS-behandeling. Gelet op de recidive lijkt het een patroon dat verdachte uit het niets ernstig geweld toepast op willekeurige slachtoffers, ook in de gecontroleerde omgeving van een penitentiaire inrichting.
In het kader van de doodslag in 2022 is over verdachte een Pro Justitia rapportage opgemaakt door het Pieter Baan Centrum op 9 november 2022 door GZ-psycholoog J. Heerschop, psychiater B. Buis en psychiater D. Harari.
De officier van justitie heeft per e-mail van 13 januari 2025 en tijdens de zitting van 24 februari 2026 kenbaar gemaakt deze Pro Justitia rapportage te willen gebruiken voor de beoordeling van het onderhavige feit, nu er sindsdien niets is veranderd in de situatie van verdachte. De verdediging heeft tijdens diezelfde zitting van 24 februari 2026 laten weten zich hier niet tegen te verzetten, wat de verdediging ter terechtzitting van 24 april 2026 heeft herhaald. Daarmee is voldaan aan het in artikel 37a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering gestelde vereiste. De rechtbank zal deze rapportage dan ook betrekken in haar oordeel.
De rapporteurs stellen in het rapport dat er sprake is van een jongen (verdachte) waarbij het inlevingsvermogen in anderen en de introspectie beperkt is en dat betrokkene in samenhang met zijn persoonlijkheidsstoornis inadequaat en (zeer) agressief kan reageren op een voor anderen onduidelijke aanleiding. Verder concluderen de gedragsdeskundigen dat er sprake is van een ‘andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis’ (…). Binnen deze persoonlijkheidsstoornis zijn antisociale en paranoïde trekken zichtbaar. Deze persoonlijkheidsstoornis is volgens de rapporteurs chronisch van aard. Verder stellen de gedragsdeskundigen een lichte stoornis in cannabisgebruik vast.
Tot slot schatten de rapporteurs de kans op recidive hoog in en adviseren zij het geweldsfeit, dat destijds aan verdachte ten laste is gelegd, verdachte in mindere mate toe te rekenen.
De rechtbank neemt voorgaande conclusies van de psycholoog en psychiaters over en maakt deze tot de hare. De rechtbank stelt vast dat de omstandigheden die destijds hebben geleid tot het opleggen van een maatregel ter beschikkingstelling nu nog onverkort aanwezig zijn. Met name omdat de eerder opgelegde TBS-maatregel nog niet is aangevangen en de persoonlijkheidsstoornis chronisch van aard is. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat het tenlastegelegde feit verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend. De rechtbank neemt dit in strafmatigende zin mee in haar oordeel.
In strafverzwarende zin neemt de rechtbank mee dat verdachte eerder al een soortgelijk feit heeft gepleegd. Verdachte heeft meerdere geweldsmisdrijven op zijn justitie documentatie staan waaronder doodslag en tweemaal een poging daartoe. Daarbij is op verdachte door de directeur van de [verblijfplaats] het zogenaamde ‘boeienregime’ van toepassing verklaard, vanwege de voortdurende onberekenbaarheid van verdachte. Ook ter terechtzitting was verdachte om die reden geboeid.
De op te leggen straf.
De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat een gevangenisstraf passend en geboden is. Poging tot doodslag is namelijk een van de zwaarste misdrijven die ons Wetboek van Strafrecht kent en verdachte heeft meermaals ernstige geweldsmisdrijven gepleegd. De slachtoffers zijn steeds volstrekt willekeurig en de geweldshandelingen ontstaan uit het niets. Het is duidelijk dat een TBS-behandeling zeer noodzakelijk is. Het kan echter niet zo zijn dat verdachte in afwachting van deze behandeling straffeloos ernstige strafbare feiten kan plegen. Daarom is er geen ruimte voor een schuldig verklaring zonder oplegging van straf. Datzelfde geldt voor een geheel voorwaardelijke straf. Dit zou geen recht doen aan de bescherming van de maatschappij, adequate normhandhaving en de uitdrukking van de ernst van het feit. Om die reden acht de rechtbank een gevangenisstraf passend en geboden.
Gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden, zou een langdurige, jarenlange gevangenisstraf passend en geboden zijn. De rechtbank heeft echter oog voor het grote belang om de TBS-behandeling van verdachte zo spoedig mogelijk te kunnen starten en zal enkel om die reden de gevangenisstraf fors matigen.
De rechtbank is van oordeel dat onder deze uitzonderlijke omstandigheden een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren passend en geboden is.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .
De benadeelde partij vordert een immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 10.000,00 en te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen en heeft zich ten aanzien van de hoogte van het bedrag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair het gevorderde bedrag bij toewijzing aanzienlijk te matigen.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank is ten aanzien van de gevorderde immateriële schade van oordeel dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat aan de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek een vergoeding wegens geleden immateriële schade toekomt nu sprake is van lichamelijk letsel en een aantasting in de persoon op andere wijze. Het lichamelijk letsel bestaat uit ontsierende littekens op het lichaam van het slachtoffer.
De aantasting in de persoon op andere wijze kan reeds worden aangenomen, omdat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zodanig voor de hand liggen. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade, rekening houdend met in de rechtspraak in soortgelijke gevallen toegekende bedragen aan smartengelden, naar billijkheid gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van 7.500,00 euro. De rechtbank heeft daarbij tevens acht geslagen op de hoogte van de schadevergoedingen zoals vermeld in de Rotterdamse Schaal en tot slot heeft zij gelet op de gevolgen die het voor het slachtoffer heeft gehad.
Het overige deel van de vordering zal niet-ontvankelijk verklaard worden. De benadeelde partij kan dit gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer betaalt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2025 tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
36f, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor primair bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf;
Ten aanzien van het primair ten laste gelegde:
poging tot doodslag
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
De rechtbank legt op de volgende straf:
Ten aanzien van het primair ten laste gelegde:
Een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren
De rechtbank legt op de volgende maatregel:
- een maatregel van schadevergoeding:
De rechtbank legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 7.500,00 euro. De rechtbank bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 62 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 7.500,00 euro, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.M.L.A.T. Doll, voorzitter,
mr. W. Heijninck en mr. I.C. Meuris, leden,
in tegenwoordigheid van mr. T.J. Oosterman en D.A. Koopmans, griffiers,
en is uitgesproken op 08 mei 2026.