ECLI:NL:RBOBR:2026:3132

ECLI:NL:RBOBR:2026:3132

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 13-05-2026
Datum publicatie 11-05-2026
Zaaknummer 01/275905/25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Bewezenverklaring poging tot doodslag door middel van het steken met een mes in het been, bovenlichaam en de hals/nek. Uitgaansgeweld. Geen geslaagd beroep op noodweer(exces): geen noodzakelijke verdediging. Sprake van verminderde toerekenbaarheid. 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van drie jaren. Toewijzing vordering benadeelde partij.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: 01.275905. [verdachte]

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Team Strafrecht

Parketnummer: 01.275905.25

Datum uitspraak: 13 mei 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1990] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd te: [vestigingsplaats] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 april 2026 en 30 april 2026 (sluiting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 29 december 2025.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

T.a.v. feit 1:

hij op of omstreeks 17 oktober 2025 te Eindhoven

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, voornoemde [slachtoffer] een of meerdere malen in de benen, het (boven)lichaam en/of de hals/nek, heeft gestoken met mes, althans een scherp en puntig voorwerp

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De beoordeling van het ten laste gelegde feit.

De bewijsmiddelen:

Op grond van de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, is de rechtbank, evenals de officier van justitie van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen is, een en ander, zoals hierna onder “De bewezenverklaring” nader zal worden omschreven.

Verdacht heeft het hierna bewezenverklaarde bekend en de verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de bewezenverklaring. Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 17 oktober 2025 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, voornoemde [slachtoffer] in het been, het bovenlichaam en de hals/nek, heeft gestoken met een mes, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

De strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van de verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft primair bepleit dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt. De verdediging stelt daarbij dat er sprake is van twee opeenvolgende situaties. In de eerste situatie heeft aangever verdachte bedreigd waarna verdachte een slaande beweging maakt in de richting van aangever. Verdachte en aangever worden vervolgens uit elkaar gehaald, waarmee situatie één ten einde komt. Vervolgens ontstaat situatie twee waarbij aangever de confrontatie met verdachte zoekt, zijn jas uittrekt en met verdachte wil vechten. De bewezenverklaarde messteken hebben plaatsgevonden in de tweede situatie. De verdediging stelt zich op het standpunt dat toen sprake was van een wederrechtelijke aanval waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Mocht de rechtbank oordelen dat verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, dan heeft de verdediging subsidiair bepleit dat het disproportionele handelen van verdachte verontschuldigbaar is omdat deze overschrijding van grenzen veroorzaakt is door een hevige gemoedsbeweging waarin verdachte in de noodzakelijke verdediging te ver is gegaan. De verdediging voert in dit verband aan dat verdachte in het verleden zelf is mishandeld. De angst om opnieuw mishandeld te worden heeft doorgewerkt in de gemoedstoestand van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit. Meer subsidiair stelt de verdediging dat er sprake is van putatief noodweer(exces).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beroep op noodweer niet slaagt, ook niet in zijn verschijningsvorm als noodweerexces of in putatieve vorm. Primair voert hij daarvoor aan dat er geen sprake was van een wederrechtelijke aanranding, omdat het gedrag van verdachte in de kern als aanvallend moet worden beschouwd. Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat aan de zijde van verdachte geen sprake is geweest van een noodzakelijke verdediging. Meer subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat er geen sprake is geweest van een proportionele verdediging.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat er sprake was van een noodweersituatie, dat wil zeggen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding gericht tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waarbij de verdediging noodzakelijk en proportioneel moet zijn. De noodzaak tot verdediging ontbreekt indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden gevergd (zie Hoge Raad 22 maart 2026, ECLI:NL:HR:2016:456, r.o. 3.5.2).

De rechtbank stelt vast dat het slachtoffer, nadat partijen vlak daarvoor uit elkaar waren gehaald (door de verdediging geduid als situatie één), naar verdachte is toegelopen om het gevecht met verdachte te hervatten (door de verdediging geduid als situatie twee) en dat in deze tweede situatie sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer. Het beroep op noodweer(exces) strandt echter op de noodzakelijkheid van de verdediging. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Verdachte was degene die de eerdere confrontatie heeft veroorzaakt door het slachtoffer als eerste en zonder enige aanleiding in het gezicht te slaan. Nadat partijen uit elkaar waren gehaald en het slachtoffer op verdachte afkwam wachtte verdachte het slachtoffer op met een mes in de hand. Indien verdachte geen verdere confrontatie had gewild had het op zijn weg gelegen om zich toen aan de situatie te onttrekken door weg te gaan in plaats van hem op te wachten met een mes. Verdachte had bovendien opnieuw de gelegenheid zich te onttrekken toen het slachtoffer zijn jas uitdeed. Ook toen was er voor hem voldoende tijd om te vertrekken. Een derde onttrekkingsmogelijkheid deed zich voor toen het slachtoffer gaandeweg de tweede confrontatie van verdachte wegliep. Verdachte is toen met het mes op het slachtoffer afgerend, waarbij hij het slachtoffer met het mes in de hals/nek heeft gestoken.

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor genoemde onttrekkingsmogelijkheden reëel en redelijk waren. Dat verdachte zich zou onttrekken kon redelijkerwijs ook van verdachte worden gevergd. Onder die omstandigheden komt verdachte geen beroep op noodweer(exces) toe.

Voor zover de verdediging tevens een beroep heeft gedaan op putatief noodweer, behoeft dit geen bespreking, nu de rechtbank heeft vastgesteld dat daadwerkelijk sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Tevens zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk. De officier van justitie vordert daarbij oplegging van de voorwaarden zoals deze door de reclassering in haar rapportage van 16 april 2026 worden geadviseerd met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast vordert de officier van justitie oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft aangevoerd dat het bewezen verklaarde feit verdachte in verminderde mate moet worden toegerekend, gelet op de pro Justitia-rapportage van 16 maart 2026. Verdachte is voorts bereid zich te houden aan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De verdediging heeft er verder op gewezen dat uit het reclasseringsadvies volgt dat bij verdachte geen sprake is van een pro-criminele houding. De verdediging heeft de rechtbank verzocht aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de duur van het reeds ondergane voorarrest overschrijdt.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van het bewezenverklaarde feit.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte heeft het slachtoffer meerdere malen met een mes in het lichaam gestoken, onder meer in de hals/nek. Verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer in ernstige mate geschonden. De gedragingen van verdachte hadden tot de dood van het slachtoffer kunnen leiden.

Dit betreft een geval van uitgaansgeweld, gericht tegen een willekeurig slachtoffer. Dergelijke feiten dragen bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Slachtoffers van dit soort ernstige geweldsfeiten ondervinden daar vaak nog langdurig last van. Dat dit ook voor het slachtoffer in deze zaak geldt, blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring.

De persoon van de verdachte.

Op 16 maart 2026 is een pro Justitia rapportage omtrent verdachte uitgebracht, opgesteld door E. van der Vorst (klinisch psycholoog en psychotherapeut) en T. Doucet (GZ-psycholoog). Zij hebben geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een bipolaire stoornis van het type 1, laatste episode manisch met psychotische kenmerken die de gedragskeuzes c.q. gedragingen van verdachte tijdens het bewezenverklaarde feit hebben beïnvloed. De keuzes die verdachte voorafgaand en tijdens het gevecht heeft gemaakt werden gekleurd door verstoorde realiteitstoetsing kaderend binnen de manische

episode van de bipolaire stoornis met als gevolg een ernstig gebrekkig en

tekortschietend kritiek- en oordeelsvermogen, waardoor hij onvoldoende greep had

op zichzelf en de situatie en de gevolgen en de ernst van de situatie onvoldoende

heeft kunnen inschatten en overzien. Desalniettemin heeft verdachte tijdens het tenlastegelegde een aantal afwegingen gemaakt waardoor er nog een beperkte vorm van keuzevrijheid in het handelen lijkt te zijn geweest en het handelen niet volledig door de bipolaire stoornis verklaard lijkt te kunnen worden. De deskundigen adviseren om het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank sluit zich aan bij de conclusies en het advies van de deskundigen en zal het bewezenverklaarde feit in verminderde mate aan verdachte toerekenen.

De strafmodaliteit.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf in het voordeel van verdachte rekening gehouden met zijn verminderde toerekenbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde feit. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het van groot belang is dat verdachte wordt behandeld voor de bij verdachte vastgestelde stoornissen ter voorkoming van recidive in de toekomst. De rechtbank vindt daarbij aansluiting bij de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering deze heeft geadviseerd in haar rapportage van 16 april 2026. Verdachte heeft zich bereid verklaard zich aan deze voorwaarden te houden. De rechtbank zal voor het voorwaardelijk deel een proeftijd van drie jaren opleggen.

Voor oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel in aanvulling op de voorwaardelijke gevangenisstraf met alle bijkomende bijzondere voorwaarden, ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank betrekt daarbij dat verdachte gedurende de proeftijd een intensieve behandeling moet ondergaan, dat hij door de reclassering begeleid zal worden alsmede het gegeven dat verdachte niet eerder voor dergelijke feiten met justitie in aanraking is gekomen.

Conclusie.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. Alles tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk onder aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met de in het reclasseringsadvies van 16 april 2026 vermelde voorwaarden en een proeftijd van 3 jaren.

Motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De vordering van de benadeelde partij.

De benadeelde partij heeft een vordering ingediend tot een totaalbedrag van € 8.000,-, bestaande uit immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schadevergoeding geheel kan worden toegewezen onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2025 tot de dag der algehele voldoening.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij niet inhoudelijk betwist.

Het oordeel van de rechtbank.

Gezien de aard van het bewezenverklaarde feit is de rechtbank van oordeel dat voldoende onderbouwd is dat de benadeelde partij door de poging doodslag lichamelijk en psychisch letsel heeft opgelopen. Ook de hoogte van het gevorderde bedrag aan immateriële schade acht de rechtbank voldoende onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schadevergoeding van € 8.000,- een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit en acht de verdachte aansprakelijk voor deze schade. De vordering wordt in haar geheel toegewezen tot een bedrag van € 8.000,-.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, omdat de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 36f, 45, 287 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

t.a.v. feit 1:

poging tot doodslag

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1:

- Een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht met een proeftijd van 3 jaren

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

En stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij reclassering Dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Leger des Heils op het adres [adres] .

Opneming in een zorginstelling Dat verdachte zich tijdens de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in, behandelen en diagnosticeren door een nader te bepalen zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start aansluitend aan de detentieperiode. De zorginstelling bepaalt de wijze van diagnostiek en behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname Dat verdachte zich aansluitend aan de klinische opname gedurende de proeftijd laat behandelen door ForFACt of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, en/of andere problematiek. Gelet op de problematiekkan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan dereclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.

Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang Dat verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in instelling voor begeleid of beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische opname. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.

Verbod verdovende middelen Dat verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Houden aan aanwijzingen Verdachte houdt zich aan de officiële aanwijzingen die door de reclassering worden gegeven. Ook als dat inhoudt meewerken aan het toewerken naar en behouden van dagbesteding en/of meewerken aan het aflossen van schulden.

Maatregel van schadevergoeding voor [slachtoffer] :

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 8.000,- euro.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 65 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 8.000,- euro, bestaande uit immateriële schade. De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F. Kooijman, voorzitter,

mr. M.E. Bartels en mr. C.F.N. van Schaijk, leden,

in tegenwoordigheid van mr. J. Beex, griffier,

en is uitgesproken op 13 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. F. Kooijman
  • mr. M.E. Bartels
  • mr. C.F.N. van Schaijk

Griffier

  • mr. J. Beex

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand