ECLI:NL:RBOBR:2026:3235

ECLI:NL:RBOBR:2026:3235

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 09-04-2026
Datum publicatie 13-05-2026
Zaaknummer 11688374 CV EXPL 25-2515
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Dexia. Effectenlease.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Zaaknummer: 11688374 CV EXPL 25-2515

vonnis van de kantonrechter van 9 april 2026

in de zaak van

1. [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij in conventie in de hoofdzaak en in het incident,

verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,

gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,

tegen

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak en verwerende partij in het incident,

eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,

gemachtigde: USG Legal Professionals.

Partijen worden hierna [eisers] (in mannelijk enkelvoud) en Dexia genoemd.

1. Kern van de zaak

[eisers] heeft via een tussenpersoon een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst(en) hield(en) het volgende in. [eisers] leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [eisers] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst(en) werden de aandelen verkocht en moest [eisers] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [eisers] na verrekening met de restschuld een bedrag van € 936,28 aan opbrengsten van Dexia betaald heeft gekregen. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [eisers] geleden schade helemaal moet vergoeden.

Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [eisers] geleden schade helemaal moet vergoeden.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 30 april 2025 met het incidentele verzoek ex artikel 194 jo. 195 Rv;

het incidentele verzoek ex artikel 195 Rv tevens houdende conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie;

de conclusie van antwoord op het incidentele verzoek tevens houdende repliek in conventie en van antwoord in reconventie;

de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie,

de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.

Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3. De feiten

[eisers] heeft de volgende leaseovereenkomsten (verder: de overeenkomsten) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:

Nr.

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

I.

[nummer 1]

30-09-1999

Capital Effect

II.

[nummer 2]

30-09-1999

Capital Effect

Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:

Nr.

Datum eindafrekening

Resultaat

Betaald door Dexia

I.

15-05-2006

+ € 468,14

Ja

II.

15-05-2006

+ € 468,14

Ja

Volgens opgave van Dexia heeft [eisers] op grond van de overeenkomsten – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 9.049,60 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Een bedrag van € 9.262,58 aan restschuld heeft Dexia met de verkoopopbrengst en het totaal aan inhaalincasso’s (tegoed) van in totaal € 9.730.72 verrekend. Volgens de opgave heeft [eisers] een bedrag aan van € 3,564,12 aan dividenden ontvangen en is een bedrag van € 432,00 aan dividend verrekend. Daarnaast heeft hij € 2.519,39 aan fiscaal voordeel genoten. Bij het einde van de overeenkomst heeft Dexia de onderliggende effecten aan [eisers] uitgeleverd en een bedrag van € 936,28 aan [eiser 1] aan restant hoofdsom betaald.

De gemachtigde van [eisers] , Leaseproces heeftde nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame.

4. De vordering en het verweer in de hoofdzaak en in de incidenten in conventie en in reconventie

[eisers] vordert dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- in het incident:

 Dexia ex artikel 195 Rv zal veroordelen de aanvraagformulieren aan [eisers] te verstrekken,

- in de hoofdzaak:

 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,

 voor recht zal verklaren dat [eisers] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,

 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eisers] van al datgene dat [eisers] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,

 Dexia te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis te bewerkstelligen dat de registratie van [eisers] bij het Bureau Kredietregistratie in Tiel wordt doorgehaald en dat de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat Dexia daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 20.000,00,

 Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten met rente,

 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.

Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- in het incident:

 [eisers] ex artikel 195 Rv zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans andere schriftelijke documenten waar de door Leaseproces namens [eisers] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,

- in de hoofdzaak:

 voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [eisers] gesloten overeenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [eisers] verschuldigd is.

 [eisers] zal veroordelen in de proceskosten, met rente.

Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.

5. De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en in de incidenten algemeen 5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eisers]

De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.

Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

er is sprake van huurkoop;

er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

[eisers] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen

er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

verjaring

Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eisers] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.

tussenpersoon

[eisers] heeft de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Verzekerd Spaarplan Nederland (verder: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden is genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.

De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eisers] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eisers] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eisers] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eisers] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eisers] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.

[eisers] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:

[eisers] heeft op aanraden van een familielid telefonisch contact opgenomen met Verzekerd Spaarplan Nederland. Vervolgens is er een afspraak gemaakt voor een huisbezoek om de financiële situatie van [eisers] door te nemen met een financieel adviseur van Verzekerd Spaarplan Nederland. Zowel [eiser 1] als [eiser 2] waren bij dat gesprek aanwezig. Tijdens het gesprek heeft de adviseur van Verzekerd Spaarplan Nederland geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eisers] . Zo is met de adviseur gesproken over het inkomen, de gezinssituatie, de lopende financiële producten, zoals een bestaande lening, en financiële verplichtingen van [eisers] Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van [eisers] om vermogen op te bouwen voor de toekomst en om sneller de bestaande lening af te lossen. De adviseur gaf daarop aan dat hij daarvoor een geschikt product wist. De adviseur adviseerde [eisers] om twee Capital Effect producten van Bank Labouchere met een maandelijkse inleg van elk ongeveer NLG 250,- per product af te sluiten. De adviseur adviseerde deze bedragen aan de hand van wat [eisers] maandelijks kon missen. Volgens de adviseur zou [eisers] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen voor de toekomst en om de lening te kunnen aflossen. De adviseur heeft [eisers] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten. Als [eisers] op deze risico’s was gewezen, had hij de Capital Effect overeenkomsten nooit afgesloten. [eisers] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur over zijn advies. Om deze reden heeft [eisers] het advies van de adviseur opgevolgd en twee Capital Effect overeenkomsten met een maandelijkse inleg van ieder NLG 249,29 afgesloten. De aanvraag voor de Capital Effect overeenkomsten zijn door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomsten zijn op een later moment ondertekend.

[eisers] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:

- schermafbeeldingen van de website van Verzekerd Spaarplan Nederland zoals deze op 5 april 2001 luidde, met de tekst: “Als VSN zijn we reeds jaren actief als adviseur en bemiddelaar ten behoeve van particulieren voor tal van diensten op fiscaal gebied(…)”. “Onze specialisten van de afdeling fiscale diensten zorgen ervoor dat ook uw maandelijkse inleg onbelast blijft. Bovendien kan het leasen van aandelen veel meer opbrengen dat rechtstreeks beleggen in aandelen en dat geldt zeker voor de opbrengsten van een gewone spaarrekening of spaarpolis.” En ook:

" Voorwaarde is wel dat u belegt in eersteklas fondsen die al sinds jaren een uitstekend rendement realiseren. Vandaar dat Verzekerd Spaarplan Nederland voor u een aantal fondsen heeft geselecteerd die zichzelf steeds ruimschoots bewezen hebben. Deze fondsen bestaan uit aandelen van ABN AMBO, ING, Dordtse Petroleum (houdstermaatschappij van Koninklijke Olie), Wolter Kluwer , Ahold, Fortis Amev. ” En: “Verzekerd Spaarplan Nederland heeft daarnaast verschillende pakketten voor u samengesteld die onderling verschillen in looptijd, inleg en maandlasten. Zo kunt u zelf het pakket kiezen dat op uw persoonlijke situatie is toegesneden. De pakketten staan uitgebreid beschreven onder de gelijknamige

knop". En de tekst: "Persoonlijk advies. Direct Rendement Effect is slechts een van de effecten lease mogelijkheden van Bank Labouchere. Uw adviseur legt u de diverse mogelijkheden graag uit zodat u een weloverwogen keuze kunt maken ”

- een kopie van een uittreksel van de KvK van Verzekerd Spaarplan Nederland met als beschrijving van de werkzaamheden ‘Verlenen van financiële diensten, alsmede het verlenen van diensten op het gebied van assurantie, hypotheken, pensioen, onroerende zaken, reizen, sparen en leasing’.

aanhoudingsverzoek

Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.

Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.

(nieuwe) argumenten Dexia

Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:

dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;

dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;

dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en

dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.

Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eisers] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [eisers] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eisers] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomsten dan wel tot stand waren gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eisers] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [eisers] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eisers] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [eisers] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.

wetenschap Dexia 5.13. In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [eisers] . Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met [eisers] kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [eisers] voor rekening van Dexia.

aansprakelijkheid Dexia 5.14. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eisers] de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens [eisers] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [eisers] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.

vorderingen van [eisers] 5.15. De door [eisers] gevorderde verklaring(en) voor recht /zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld door [eisers] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eisers] niet alleen als klant aanbracht maar [eisers] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.

De als gevolg hiervan door [eisers] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [eisers] niet is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).

[eisers] heeft aan de hand van het door Dexia overgelegde financiële overzicht in de conclusie van repliek in conventie/antwoord in reconventie de schade berekend op € 11.079,41. Omdat Dexia de berekening niet heeft betwist, zal de kantonrechter uitgaan van dit bedrag.

Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.

Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eisers] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.

BKR-registratie 5.19. Dexia zal - voor het geval Dexia met betrekking tot [eisers] een A-codering aan het Bureau Kredietregistratie heeft doorgegeven - worden veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [eisers] geen verplichtingen uit de overeenkomsten meer heeft. De daaraan te verbinden dwangsom wordt bepaald op € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot een maximum van € 10.000,00.

het incidentele verzoek van [eisers]

verzoekt Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van het aanvraagformulier(en). Uit het voorgaande volgt dat [eisers] in het gelijk zal worden gesteld. Hij heeft dan ook geen belang meer bij deze stukken in deze procedure, zodat het verzoek zal worden afgewezen. De proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

het incidentele verzoek van Dexia

Dexia verzoekt dat [eisers] wordt veroordeeld het intakeformulier van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken. Een zogenoemde “exhibitievordering” komt in beginsel voor toewijzing in aanmerking als is voldaan aan de volgende uit artikel 194 Rv. voortvloeiende, cumulatieve voorwaarden:

- degene die de vordering instelt, dient voldoende belang te hebben,

- het moet gaan om bepaalde gegevens,

- aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is.

Daargelaten de vraag of aan deze vereisten is voldaan, oordeelt de kantonrechter dat op grond van het tweede lid van 194 Rv geen inzage van het intakeformulier dan wel van andere schriftelijke documenten verlangd kan worden. In het tweede lid van artikel 194 Rv is, kortgezegd, bepaald dat beoefenaren van vertrouwensberoepen ter zake van hetgeen hen in hun hoedanigheid is toevertrouwd niet gehouden zijn om aan de exhibitievordering te voldoen. In beginsel betreft dit alle met de beroepsbeoefenaar gewisselde stukken en is het aan de beroepsbeoefenaar om te bepalen of die informatie hem in zijn hoedanigheid zijn toevertrouwd. Er is dus bij hoge uitzondering ruimte om van de beroepsbeoefenaar te verlangen dat hij zich niet op zijn verschoningsrecht beroept. Ook van [eisers] als cliënt(e) van de beroepsbeoefenaar kan (ervan uitgaande dat [eisers] , althans zijn gemachtigde, in het bezit is van het intakeformulier) of vergelijkbaar ander document, geen inzage worden verlangd omdat gewichtige redenen als bedoeld in het tweede lid van artikel 194 Rv, zich daartegen verzetten. Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [eisers] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens, via een toegewezen exhibitievordering, bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Al met al oordeelt de kantonrechter dat de incidentele vordering van Dexia moet worden afgewezen.

De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op € 82,00.

vorderingen Dexia

Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.

proceskosten

Omdat [eisers] inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eisers] gevallen.

Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil.

De proceskosten van [eisers] Dexia worden begroot op:

- dagvaarding € 144,47

- griffierecht € 90,00

- salaris gemachtigde € 576,00 (2 punten x tarief € 288,00)

- nakosten € 100,00

Totaal € 910,47

De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.

6. De beslissing

De kantonrechter

in het incident van [eisers]

wijst het verzoek af,

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

in het incident van Dexia

wijst het verzoek af,

veroordeelt Dexia in proceskosten van [eisers] , tot op heden begroot op € 82,00,

in conventie

verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld door [eisers] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eisers] niet alleen als klant aanbracht maar [eisers] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,

verklaart voor recht dat [eisers] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,

veroordeelt Dexia om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 11.079,41, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.16,

veroordeelt Dexia - voor het geval Dexia met betrekking tot [eisers] een A-codering aan het Bureau Kredietregistratie heeft doorgegeven – om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [eisers] geen verplichtingen uit de leaseovereenkomst(en) meer heeft, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot en maximum van € 10.000,00.

veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 910,47 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,

veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

wijst de vorderingen af,

veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eisers] gevallen, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. H.T.J.F. Verhappen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H.T.J.F. Verhappen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand