RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 01.282894.25
Datum uitspraak: 15 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1982] ,
thans gedetineerd te: [vestigingsplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 februari 2026 en 1 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
van amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
door:
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 6 januari 2026. Nadat de tenlastelegging op de zitting van 2 februari 2026 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
hij op één of meer tijdstippen in/of omstreeks de periode van 10 oktober 2025 tot en met 12 oktober 2025 te Torhout en/of één of meer andere plaatsen in België en/of te Boxmeer en/of één of meer andere plaatsen in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
het lijk van [slachtoffer] ,
heeft verborgen, weggevoerd en/of weggemaakt,
met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden
te verhelen;
T.a.v. feit 2:
hij in/of omstreeks de periode van 6 oktober 2025 tot en met 10 oktober 2025 te Torhout, althans in België,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervaardigd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
T.a.v. feit 3:
hij in/of omstreeks de periode van 6 oktober 2025 tot en met 10 oktober 2025 te Torhout, althans in België,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren en/of
- het opzettelijk vervaardigen
- voorwerpen en/of stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededaders wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
- aanpassingen/verbouwingen aan een loods gelegen op [adres] aan te brengen en/of te laten aanbrengen ten behoeve van de inrichting van een of meer productieruimte(s) en/of de opslag van de benodigde chemicaliën, grondstoffen, materialen voor de productie van amfetamine en/of BMK en/of
- (een) productieopstelling(en) en/of (laboratorium)benodigdheden en/of chemicaliën, grondstoffen ten behoeve van de productie van amfetamine en/of BMK voorhanden te hebben en/of
- BMK te produceren;
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De beoordeling van de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging.
Op de in de pleitnota genoemde gronden en de daarop gegeven aanvullingen ter terechtzitting van 1 mei 2026 heeft de verdediging vrijspraak bepleit van hetgeen verdachte onder feit 1 en feit 2 ten laste wordt gelegd.
Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging partiële vrijspraak bepleit voor zover het tenlastegelegde betrekking heeft op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine. Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen.
De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage.
Nadere overwegingen van de rechtbank.
t.a.v. feit 1.
Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat verdachte het stoffelijk overschot van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) in een bestelauto heeft geplaatst en weggevoerd van het laboratorium te Torhout in België naar Nederland. Verdachte heeft de bestelauto met daarin het stoffelijk overschot vervolgens geparkeerd in de buurt van zijn verblijfadres in Boxmeer. Het lichaam bevond zich daarbij achter in de bestelauto. Het stoffelijk overschot is nadien door een ander dan verdachte vanuit de bestelauto in een personenauto geplaatst. De verdediging heeft bepleit dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte het oogmerk had om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen, nu verdachte heeft verklaard dat hij het lichaam van [slachtoffer] wilde weghalen uit het laboratorium omdat hij niet wilde dat het daar zou achterblijven bij onbekenden. De rechtbank volgt de verdediging hierin niet. Verdachte heeft het lichaam van [slachtoffer] immers niet naar zijn ex-partner [naam] , naar de politie of naar het ziekenhuis gebracht toen hij van Torhout naar Nederland reed. Ook heeft verdachte geen melding gemaakt van het overlijden van [slachtoffer] . In plaats daarvan heeft verdachte het lichaam 3 dagen in de bestelauto verborgen gehouden. Het handelen van verdachte was er (mede) op gericht te voorkomen dat de omstandigheden waaronder [slachtoffer] is overleden aan het licht zouden komen. Dit blijkt onder andere uit de verklaring van verdachte dat hij het lichaam niet naar een ziekenhuis kon brengen, omdat men dan door de chemicaliën op de kleding van [slachtoffer] een link zou kunnen leggen met het werken in een drugslab. Het stoffelijk overschot is uiteindelijk aan het licht gekomen doordat een derde het in de personenauto aantrof en de politie heeft ingeschakeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het handelen van verdachte was gericht op het verhelen van zowel het feit als de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] .
Hoewel anderen gezien de verklaring van verdachte betrokken zijn geweest bij het plaatsen van het stoffelijk overschot in de bestelauto, is het verdachte geweest die het stoffelijk overschot eigenhandig heeft weggevoerd van Torhout naar Boxmeer en het daar verborgen heeft gehouden. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat verdachte het feit tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd en zal verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
t.a.v. feit 2.
Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast. Verdachte is in de periode van 6 tot en met 10 oktober 2025 samen met [slachtoffer] naar een loods in Torhout, België afgereisd waar een laboratorium was ingericht voor de productie van amfetamine. Verdachte heeft daar gedurende deze gehele periode verbleven en werkzaamheden verricht. De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat verdachte aanvankelijk niet wist dat hij in een drugslab zou gaan werken en dat de werkzaamheden die verdachte heeft verricht van ondergeschikte aard waren, zodat geen sprake is van medeplegen van de productie van amfetamine.
De rechtbank volgt de verdediging hierin niet. Dat verdachte aanvankelijk niet wist dat hij in een drugslab zou gaan werken, doet niet af aan de bewezenverklaring. Uit de verklaring van verdachte volgt immers dat [slachtoffer] hem op de productielocatie heeft verteld dat zij speedolie zouden gaan maken en dat verdachte vervolgens gedurende vijf dagen op die locatie is gebleven en daar werkzaamheden heeft verricht die rechtstreeks verband houden met het productieproces.
Uit de verklaring van verdachte volgt dat die werkzaamheden niet beperkt bleven tot randzaken. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] hem heeft laten zien hoe bepaalde zaken in het productieproces werkten en waar op gelet moest worden, waaronder de temperatuur. Verdachte heeft verklaard dat hij de temperatuur in de gaten hield en daartoe handelingen heeft verricht die rechtstreeks verband houden met de productie van amfetamine. De rechtbank is van oordeel dat verdachte hiermee, in samenhang met zijn voortdurende aanwezigheid gedurende vijf dagen op de productielocatie, een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan de productie van amfetamine om als medepleger te worden aangemerkt.
Dat in het laboratorium daadwerkelijk amfetamine is geproduceerd, vindt naast het deskundigenrapport van het NICC ook bevestiging in het toxicologisch rapport betreffende het overlijden van [slachtoffer] . Uit dit rapport volgt dat [slachtoffer] een zeer hoog gehalte amfetamine in zijn lichaam had en dat hij hieraan is overleden. Dit wordt ondersteund door de verklaring van verdachte dat [slachtoffer] in het laboratorium is blootgesteld aan amfetamine als gevolg van een incident tijdens het productieproces, waarbij een slang is losgeraakt. [slachtoffer] is aldus blootgesteld aan de amfetamine die op dat moment in het laboratorium werd geproduceerd.
Concluderend acht de rechtbank het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring.
van amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
t.a.v. feit 1:
in de periode van 10 oktober 2025 tot en met 12 oktober 2025 te Torhout en andere plaatsen in België en te Boxmeer en andere plaatsen in Nederland, het lijk van [slachtoffer] , heeft verborgen en weggevoerd, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden
te verhelen;
t.a.v. feit 2:
in de periode van 6 oktober 2025 tot en met 10 oktober 2025 te Torhout, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervaardigd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
t.a.v. feit 3:
in de periode van 6 oktober 2025 tot en met 10 oktober 2025 te Torhout, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken en/of
- het opzettelijk vervaardigen
voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en zijn mededader wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door:
- productieopstellingen en laboratoriumbenodigdheden, chemicaliën en grondstoffen ten behoeve van de productie van amfetamine en BMK voorhanden te hebben en
- BMK te produceren.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
De strafbaarheid van de feiten.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren
met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de psychische problematiek, de verslavingsproblematiek, de licht verstandelijke beperking en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd. De raadsvrouw heeft voorts gewezen op de bekennende verklaring van verdachte en zijn motivatie voor behandeling. De verdediging heeft verzocht een beperkte onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een fors voorwaardelijk deel met bijzondere voorwaarden, waar mogelijk gecombineerd met een taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder dit zijn begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de bewezenverklaarde feiten.
Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan onder meer de productie van amfetamine in een laboratorium in België en aan de daarmee samenhangende voorbereidingshandelingen. De chemische processen bij de productie van synthetische drugs en de ongecontroleerde opslag van chemicaliën brengen grote veiligheidsrisico's en risico's voor de volksgezondheid met zich. Deze risico’s zijn in deze zaak ook tot uiting gekomen, nu [slachtoffer] als gevolg van een incident tijdens het productieproces is komen te overlijden. Daarnaast is het algemeen bekend dat het gebruik van synthetische drugs grote gezondheidsrisico's met zich brengt voor gebruikers en dat de productie van en handel in deze drugs gepaard gaat met andere vormen van (zware) criminaliteit.
Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het verbergen en wegvoeren van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] met het oogmerk het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen. Door zo te handelen heeft verdachte de nabestaanden van [slachtoffer] de mogelijkheid ontnomen om tijdig kennis te nemen van zijn overlijden en op waardige wijze afscheid van hem te nemen. Zijn lichaam was door de staat van ontbinding namelijk niet meer toonbaar.
Daarnaast is hierdoor het onderzoek naar de omstandigheden waaronder [slachtoffer] is overleden bemoeilijkt.
Samenloop.
De onder feit 2 en feit 3 bewezenverklaarde feiten leveren in die mate een samenhangend, zich op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt. De desbetreffende strafbepalingen strekken bovendien beide ter bescherming van de volksgezondheid. De rechtbank is dan ook van oordeel dat ten aanzien van feit 2 en feit 3 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
De persoon van verdachte.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport van 24 september 2025. Uit dit rapport volgt dat bij verdachte sprake is van verslavingsproblematiek, een traumastoornis (PTSS), een depressieve stemmingsstoornis en een licht verstandelijke beperking. De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat hij uiteindelijk een bekennende verklaring heeft afgelegd en openheid van zaken heeft gegeven over zijn betrokkenheid ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde.
De strafmodaliteit.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor zover deze beschikbaar zijn. Deze oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf. Daarom zal de rechtbank ook een grotendeels onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte opleggen. De rechtbank ziet evenwel in de persoonlijke problematiek van verdachte en zijn motivatie voor behandeling aanleiding om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Het voorwaardelijk deel zal niet ten uitvoer worden gelegd als verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken alsmede aan de bijzondere voorwaarden zoals deze in de voornoemde reclasseringsrapportage zijn opgenomen. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds invloed uitoefenen op het gedrag van de verdachte, opdat hij niet opnieuw een strafbaar feit begaat.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Conclusie.
Alles tegen elkaar afwegend is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren waarvan één jaar voorwaardelijk onder aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht met een proeftijd van drie jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals deze in de reclasseringsrapportage van 24 september 2025, opgemaakt in een eerdere zaak tegen verdachte, zijn geadviseerd.
Beslag.
De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van dit inbeslaggenomen goed.
De overige goederen zal de rechtbank verbeurd verklaren.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 47, 55, 57, 63, 151 Wetboek van Strafrecht
2, 10, 10a Opiumwet.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
t.a.v. feit 1:
het verbergen en wegvoeren van een lijk met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen
t.a.v. feit 2 en feit 3:
de eendaadse samenloop van:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B en onder D van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straf.
Een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
En stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich binnen twee dagen na het ingaan van de proeftijd bij Novadic-Kentron op het telefoonnummer 073-640 96 96 . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)
Veroordeelde laat zich behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Bij een terugval in middelengebruik kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van dagbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Meewerken aan middelencontrole
Veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en cocaïne om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de
controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
Verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten:
1. STK Niet te definiëren goederen;
1. STK Beker;
1. STK Snoep;
1. STK Niet te definiëren goederen;
1. STK Toiletartikel;
1. STK Handschoen;
1. STK Sticker;
1. FLS Fles;
2 STK Tapijttegel;
1. STK Kauwgom;
1. STK Tas;
1. STK Papier;
1. FLS Fles;
1. FLS Fles;
1. STK Kentekenplaat;
1. STK Kentekenplaat;
1. STK Kassabon;
1. STK Kassabon;
1. STK Kassabon;
1. STK Kassabon;
1. STK Visitekaartje;
1. STK Papier;
1. STK Rookwaar.
Teruggave van het inbeslaggenomen goed, vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen:
1. STK Bestelauto,
aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.C.L. Pechaczek, voorzitter,
mr. S.J.W. Hermans en mr. R.J. Heuft, leden,
in tegenwoordigheid van mr. J. Beex, griffier,
en is uitgesproken op 15 mei 2026.