RECHTBANK OOST-BRABANT
vonnis
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.181581.25
Datum uitspraak: 15 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2001] ,
wonende te [woonplaats] ,
1. Het onderzoek ter terechtzitting.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 maart 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 13 juni 2025 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van 3500 gram, althans een (grote) hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of zijnde cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3. De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
4. Bewijs.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft partiële vrijspraak bepleit van het onderdeel van de tenlastelegging dat betrekking heeft op medeplegen. Degene die de cocaïne in het voertuig heeft gestopt, was al vertrokken toen verdachte bij de auto kwam. Er is wel sprake geweest van samenwerking in het overdragen van de cocaïne, maar verdachte was bij de aanhouding de enige die over de cocaïne kon beschikken.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank volstaat ten aanzien van het bewezenverklaarde feit met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en daarna geen vrijspraak is bepleit.
De bewijsmiddelen:
de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 1 mei 2026;
het proces-verbaal van bevindingen van [naam 1] en [naam 2] op 13 juni 2025 (p. 15 – 18);
het proces-verbaal van bevindingen van [naam 3] en [naam 4] op 15 juni 2025 (p. 25 – 26);
het rapport van het drugsonderzoek aan 23 verpakte blokken en drie monsters wit poeder en brokken van het Nederlands Forensisch Instituut van 29 augustus 2025 (p. 96 – 107);
het proces-verbaal van het politieverhoor van verdachte op 14 juni 2025 om 10:15 uur (p. 142 – 148);
het proces-verbaal van het politieverhoor van verdachte op 14 juni 2025 om 12:08 (p. 150 – 163).
5. De bewezenverklaring.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
op 13 juni 2025 te Eindhoven, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van 3500 gram cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting, is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
6. De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
7. De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
8. Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 390 dagen waarvan 387 voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht met een proeftijd van 3 jaren, en een taakstraf voor de duur van 240 uren. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf dienen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld.
Met betrekking tot het beslag vordert de officier van justitie verbeurdverklaring van twee onder verdachte inbeslaggenomen iPhones met goednummers [nummer 1] en [nummer 2] . Met de eerstgenoemde iPhone heeft het contact tussen verdachte en de onbekende persoon over het vervoeren van de drugs plaatsgevonden. De officier van justitie vraagt om verbeurdverklaring van de tweede genoemde iPhone, omdat in deze telefoon wellicht nog contacten staan die verband houden met drugs. Op de laatstgenoemde telefoon is geen belastende informatie gevonden.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft een voorwaardelijke gevangenisstraf bepleit in combinatie met een taakstraf, mocht de rechtbank tot strafoplegging komen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is niet passend, vanwege de negatieve gevolgen die dit zal hebben en omdat verdachte naar aanleiding van het feit al bijna één jaar elektronisch toezicht heeft gehad en zich goed aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden. Hierbij bepleit de raadsman dat de door het openbaar ministerie geëiste taakstraf erg hoog is, met name gelet op het feit dat verdachte zijn leven aan het beteren is.
Met betrekking tot het beslag vraagt de raadsman om teruggave van de iPhone met goednummer [nummer 2] . De telefoon bevat bezittingen van verdachte, zoals foto’s en contacten. De andere telefoon is al vernietigd, het is van belang dat de bezittingen van verdachte niet zomaar verloren gaan. Op de niet-vernietigde telefoon is ook geen belastende informatie aangetroffen. Voor de iPhone met goednummer [nummer 1] refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van harddrugs. Het is algemeen bekend dat die verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen.
Persoon van verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 23 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
De rechtbank houdt verder rekening met de omstandigheid dat verdachte zich meewerkend heeft opgesteld gedurende het onderzoek en bij de reclassering. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte op school zit en zich richt op zijn stage waar hij na afloop mag blijven.
Tot slot houdt de rechtbank – kijkend naar de persoon van verdachte – er rekening mee dat in het reclasseringsadvies wordt omschreven dat het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld, omdat het verdachte niet lukt om zijn negatieve netwerk volledig de rug toe te keren.
De op te leggen straf
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. De rechtbank zal een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van 10 maanden, enerzijds om de ernst van het feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.Daarbij geldt een proeftijd van twee jaren en aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en dagbesteding. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 240 uren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, te vervangen door 120 dagen hechtenis wanneer hier niet aan wordt voldaan.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen met ingang van heden.
9. Beslag.
De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp met goednummer [nummer 1] vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is met behulp van welke het feit is begaan en voorbereid en dit voorwerp ten tijde van het begaan van het feit aan verdachte toebehoorde.
De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp met goednummer [nummer 2] aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave hiervan.
10. Toepasselijke wetsartikelen.
DE UITSPRAAK
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht en
2 en 10 van de Opiumwet.
De rechtbank:
Bewezenverklaring:
Strafbaarheid:
- het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
- verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
Oplegging straf:
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit. En stelt als bijzondere voorwaarden:
dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Polluxstraat 114 te Eindhoven of via telefoonnummer 088-8041504;
dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door GGzE, De Omslag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling is reeds gestart. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het vergroten van copingvaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
dat de veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van dagbesteding in de vorm van school, stage en/of werk met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
- geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van voornoemde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht. Een in voorarrest doorgebrachte dag wordt daarbij gewaardeerd op 2 uren taakstraf.
Beslag:
- beveelt teruggave van de inbeslaggenomen iPhone met goednummer [nummer 2] aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon: verdachte.
- verklaart verbeurd de inbeslaggenomen iPhone met goednummer [nummer 1] .
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,
mr. E.C.L. Pechaczek en mr. R.J. Heuft, leden,
in tegenwoordigheid van F.J.J. Weerts, griffier,
en is uitgesproken op 15 mei 2026.