ECLI:NL:RBOBR:2026:3312

ECLI:NL:RBOBR:2026:3312

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 13-05-2026
Datum publicatie 15-05-2026
Zaaknummer 01/066694-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Veroordeling voor zware mishandeling en medeplegen van mishandeling. De verdachte krijgt een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis. Daarnaast moet hij het slachtoffer van de zware mishandeling een schadevergoeding betalen van 4.657 euro.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.066694.23

Datum uitspraak: 13 mei 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1996] ,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 maart 2026.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van feit 1:

hij op of omstreeks 3 september 2022 te Boxtel

aan [slachtoffer 1]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbasisfractuur, neusfractuur en/of gebroken tanden, heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] meermaals, althans éénmaal (met vuisten) tegen het hoofd en/of lichaam te slaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 september 2022 te Boxtel [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meermaals, althans éénmaal tegen het hoofd en/of lichaam te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbasisfractuur, neusfracteur en/of gebroken tanden ten gevolge heeft gehad;

Ten aanzien van feit 2:

hij op of omstreeks 3 september 2022 te Boxtel

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer 2]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

die [slachtoffer 2] meermaals, althans éénmaal (met vuisten) tegen het hoofd en/of lichaam heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 september 2022 te Boxtel

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

[slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] meermaals (met vuisten) tegen het hoofd en/of lichaam te slaan.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het bewijs.

Op 3 september 2022 heeft de politie een melding ontvangen over een vechtpartij tussen meerdere personen op het adres [adres 2] te Boxtel. Ter plaatse troffen de agenten vervolgens vier personen met letsel aan. Deze vier personen waren de broers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (hierna ook aangeduid als ‘de broers’ of met hun voornamen) en de neven [naam] en [verdachte] (hierna ook aangeduid als ‘de neven’ of met hun voornamen). De broers en de neven verklaren verschillend over de aanleiding en het verloop van de vechtpartij.

Het standpunt van de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 1.

De officier van justitie acht bewezen dat [slachtoffer 1] door het toedoen van verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Volgens de officier kan echter niet worden bewezen dat verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] . Verdachte zou daarom vrijgesproken moeten worden van het primair ten laste gelegde feit. Het subsidiair ten laste gelegde kan wel wettig en overtuigend bewezen worden.

Ten aanzien van feit 2.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair ten laste gelegde, omdat uit het dossier niet blijkt dat verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] . Het subsidiair ten laste gelegde kan volgens de officier wel wettig en overtuigend bewezen worden.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van feit 1.

Primair heeft de raadsvrouw van verdachte zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat bij verdachte de opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ontbrak. De raadsvrouw heeft daarom verzocht verdachte voor het primair tenlastegelegde vrij te spreken. De eenvoudige mishandeling van [slachtoffer 1] kan wel bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van feit 2.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is voor het bestanddeel medeplegen. Daarnaast kan volgens de raadsvrouw niet bewezen worden dat verdachte de opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] . De raadsvrouw heeft daarom verzocht verdachte vrij te spreken van feit 2.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bewijsbijlage bij dit vonnis en moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

De betrouwbaarheid van de verklaringen.

Over wat zich precies heeft afgespeeld in en rond de woning van [slachtoffer 2] op de avond van 3 september 2022 verschillen de verklaringen van de broers en de neven. Nu er geen andere getuigen van het incident zijn, staat de rechtbank voor de vraag van welke verklaringen zij – als meest betrouwbare – uit moet gaan.

De rechtbank overweegt daarover het volgende. De broers hebben direct na het incident tegenover de politie die ter plaatse was gekomen, over de aanleiding van en over het incident zelf verklaard. Die verklaringen komen met elkaar overeen en zijn op wezenlijke punten in lijn met de later door hen afgelegde verklaringen op het politiebureau. Bovendien hebben de broers belastend over zichzelf verklaard door onmiddellijk aan te geven dat [slachtoffer 1] met een fles had geslagen en [slachtoffer 2] een van de neven met een mes had gestoken. Verdachte en zijn neef konden daarentegen in eerste instantie niet concreet aangeven wat de aanleiding van de vechtpartij was. Ook in zijn latere aangifte kon verdachte hier geen duidelijkheid over verschaffen. De broers hebben direct na het incident verklaard dat de neven uit waren op een fles drank die [slachtoffer 2] aan [slachtoffer 1] gaf en dat het uit de hand liep toen zij de fles niet kregen. Verdachte heeft voor het eerst ter terechtzitting toegegeven dat dit inderdaad de aanleiding was. Verder heeft de politie [naam] voorgehouden dat hij en verdachte (volgens de verklaringen van de broers) allebei met vuisten op [slachtoffer 2] begonnen te slaan en dat [slachtoffer 1] vervolgens met een drankfles op het hoofd van verdachte heeft geslagen. [naam] heeft hierop verklaard dat ‘het zou kunnen dat het op zo’n manier verlopen was’. Gezien het voorgaande acht de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geloofwaardig en betrouwbaar.

De raadsvrouw van verdachte heeft in dit verband aangevoerd dat [slachtoffer 1] direct na het incident heeft verklaard dat [slachtoffer 2] door één man werd aangevallen, maar dat hij tijdens de later gedane aangifte spreekt over twee mannen die [slachtoffer 2] aanvielen. De rechtbank overweegt hierover dat er vlak na het incident ter plaatse een korte verklaring is afgenomen van alle betrokkenen, waarbij niet is doorgevraagd naar de details van wat zich in de woning had afgespeeld, hetgeen ook niet vreemd is gelet op het feit dat zowel de neven als de broers letsel hadden en medische aandacht nodig hadden. Tijdens zijn aangifte heeft [slachtoffer 1] uitgebreid zijn verhaal gedaan en de inhoud van die verklaring komt overeen met de verklaringen van [slachtoffer 2] . Het voorgaande doet daarom niet af aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De rechtbank gaat dan ook uit van deze verklaringen.

De rechtbank stelt op basis van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en de overige bewijsmiddelen het volgende vast. Op 3 september 2022 waren de neven samen met [slachtoffer 2] aanwezig in de woning van [slachtoffer 2] . Toen [slachtoffer 1] langs kwam om een fles drank op te halen, werden de neven, nadat zij zonder succes aanspraak maakten op die fles drank, agressief. De neven hebben [slachtoffer 2] geslagen. [slachtoffer 1] heeft in reactie daarop met de drankfles op het hoofd van verdachte geslagen om zijn broer te redden. Verdachte heeft [slachtoffer 1] daarop op de grond gegooid, waarbij diens achterhoofd tegen de keukenkastjes kwam. Vervolgens is verdachte op [slachtoffer 1] gaan zitten en hij heeft hem daarna meerdere malen in het gezicht geslagen met zijn vuisten. Toen [slachtoffer 1] probeerde te vluchten naar de gang is verdachte hem gevolgd. Verdachte heeft [slachtoffer 1] op de gang opnieuw met zijn vuisten in het gezicht geslagen.

Ten aanzien van feit 1.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de enige is die [slachtoffer 1] geslagen heeft. De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte degene is die [slachtoffer 1] het letsel heeft toegebracht. De eerste vraag die vervolgens voorligt is of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] .

De rechtbank stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht onder andere wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd als dat voldoende ernstig is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.

Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden betrokken op de verwondingen in hun totaliteit. De vaststelling aan de hand van deze gezichtspunten of sprake is van zwaar lichamelijk letsel, zal vaak worden gegrond op gegevens van medische aard. In evidente gevallen kan bij die vaststelling ook in aanmerking worden genomen wat algemene ervaringsregels over die gezichtspunten leren.

Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer 1] door toedoen van verdachte onder meer een schedelbasisfractuur heeft opgelopen. Hij heeft een nacht in het ziekenhuis moeten doorbrengen in verband met luchtbelletjes die daardoor in zijn schedelkap terecht waren gekomen. Ook was zijn neus op zeven plaatsen gebroken. Daarnaast zijn er verschillende tanden gedeeltelijk afgebroken, waarvoor [slachtoffer 1] naar de spoedtandarts is geweest voor een spoedingreep en een acute wortelkanaalbehandeling. Vervolgens is hij nog twee keer behandeld door de tandarts en in de toekomst zullen er nog meer behandelingen moeten plaatsvinden. Verder heeft [slachtoffer 1] een snee aan de bovenkant van zijn gezicht opgelopen, waar hij een blijvend litteken aan heeft overgehouden. Als gevolg van het letsel kon hij bovendien zeven weken niet werken. De rechtbank is van oordeel dat het samenstel en de veelheid van de aan [slachtoffer 1] toegebrachte letsels zo ernstig zijn dat deze in hun totaliteit als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangeduid.

De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte ook de opzet op het zwaar lichamelijke letsel bij [slachtoffer 1] heeft gehad. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat verdachte daar vol opzet toe had. De vraag is dan of verdachte het voorwaardelijk opzet daartoe heeft gehad.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] – aanwezig is als verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het gevolg zou intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer 1] heel vaak en heel hard tegen het hoofd heeft geslagen met zijn vuisten. Bovendien heeft hij [slachtoffer 1] achtervolgd toen deze probeerde te ontkomen en heeft hij hem op de gang opnieuw meerdere malen hard in het gezicht geslagen. In het ziekenhuis is vervolgens vastgesteld dat verdachte een kneuzing had zijn rechterhand. Ook had hij een verminderde kracht in die hand. Dit duidt erop dat verdachte fors geweld op [slachtoffer 1] heeft toegepast met zijn rechterhand. Daarnaast heeft [slachtoffer 2] verklaard dat hij meerdere klappen hoorde toen verdachte en [slachtoffer 1] in de gang waren en dat hij de gipswand zelfs hoorde kraken, iets was eveneens duidt op een heftige geweldsimpact. De rechtbank weegt ook mee dat verdachte ten opzichte van [slachtoffer 1] een duidelijk fysiek overwicht had. [slachtoffer 1] was een tengere man met ondergewicht, terwijl verdachte een groot en breed postuur had. Verdachte noemde het zelf ook ‘een ongelijke strijd’.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar deel van het menselijk lichaam is en dat herhaaldelijke harde vuistslagen daartegen zwaar lichamelijk letsel, zoals botbreuken aan het gezicht en hersenletsel, teweeg kan brengen. Door zo hard en zo vaak op het hoofd in te slaan, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] ook aanvaard. Gezien het voorgaande acht de rechtbank de primair ten laste gelegde zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2.

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte, samen met [naam] , [slachtoffer 2] heeft geslagen. Op basis van het dossier kan echter niet worden vastgesteld dat verdachte ook de opzet had (al dan niet in voorwaardelijke vorm) op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] . Verdachte dient daarom vrijgesproken te worden van de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] . De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van mishandeling van [slachtoffer 2] door hem meermaals met vuisten te slaan wel wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

Ten aanzien van feit 1:

op 3 september 2022 te Boxtel aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbasisfractuur, neusfractuur en gebroken tanden, heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] meermaals met vuisten tegen het hoofd te slaan;

Ten aanzien van feit 2:

op 3 september 2022 te Boxtel, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meermaals met vuisten tegen het hoofd en/of lichaam te slaan.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een taakstraf wordt opgelegd voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis. De officier van justitie heeft hierbij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft gevraagd rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Verder heeft de raadsvrouw erop gewezen dat verdachte een zogenoemde ‘first offender’ is en dat hij de kostwinner van het gezin is en verschillende zorgtaken op zich neemt. Daarnaast is verdachte zelf getroffen door de gevolgen van de vechtpartij en is er sprake van medeschuld bij de broers. De raadsvrouw acht een gevangenisstraf niet passend.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de feiten.

Verdachte heeft [slachtoffer 1] zwaar mishandeld. [slachtoffer 1] heeft hier onder meer een schedelbasisfractuur, een neusfractuur en gebroken tanden aan overgehouden. Ook heeft hij een nacht in het ziekenhuis moeten verblijven en heeft hij zeven weken niet kunnen werken. Uit de toelichting op het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat [slachtoffer 1] hier ook psychische klachten aan heeft overgehouden.

Verdachte heeft daarnaast samen met zijn neef [slachtoffer 2] mishandeld. Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer 2] sinds het incident niet meer in zijn woning durft te verblijven en dat hij weer bij zijn moeder is gaan wonen.

De rechtbank ziet in het voorval geen situatie waarin alle betrokkenen in meer of mindere mate schuld hebben. Het waren verdachte en zijn neef die, vanwege een ruzie om een fles drank die niet van hen was, het conflict bewust hebben opgezocht. Dat conflict is vervolgens enorm uit de hand gelopen met onder meer zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1] als gevolg. Dit alles speelde zich af in het appartementencomplex waar [slachtoffer 2] woonde. Het heeft niet alleen gezorgd voor gevoelens van angst en onveiligheid bij hem en zijn broer, maar ook bij de overige bewoners van het complex. Dit alles weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.

De persoon van verdachte en de persoonlijke omstandigheden.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld. De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij op zitting openheid van zaken heeft gegeven en dat hij spijt heeft betuigd. Verder heeft verdachte desgevraagd verklaard dat hij achteraf bezien een fout heeft gemaakt door aangifte te doen tegen [slachtoffer 1] . Daarnaast is er sinds het incident ruim 3,5 jaar verstreken. In die tijd heeft verdachte, voor zover nu bekend, geen nieuwe strafbare feiten gepleegd.

Overschrijding van de redelijke termijn.

Elke verdachte heeft recht op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het uitgangspunt is dat de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg twee jaren bedraagt. De redelijke termijn is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak aangevangen op 31 januari 2023, zijnde de dag waarop verdachte voor het eerst is gehoord als verdachte. Tussen 31 januari 2023 en de datum van het eindvonnis (13 mei 2026) ligt een periode van ruim drie jaar en drie maanden. De rechtbank zal deze forse overschrijding van de redelijke termijn meewegen bij de strafoplegging.

De op te leggen straf.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel zonder wapen geldt een uitgangspunt van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. Gezien de forse overschrijding van de redelijke termijn en het gegeven dat verdachte in de tussentijd niet met politie of justitie in aanraking is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf geen passende strafmodaliteit is.

Alles afwegende acht de rechtbank in beginsel een taakstraf voor de duur van 200 uren passend en geboden. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank deze matigen tot een taakstraf van 120 uren. Deze straf is hoger dan door de officier is gevorderd, mede omdat de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komt van de zware mishandeling van [slachtoffer 1] .

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

De benadeelde partij, [slachtoffer 1] , heeft een schadevergoeding gevorderd van € 4.657,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering bestaat uit de volgende posten:

Materiële schadevergoeding:

€ 2.157,00

Immateriële schadevergoeding: € 2.500,00.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren. [slachtoffer 1] is momenteel nog aangemerkt als verdachte en zijn strafzaak is op eigen verzoek aangehouden.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting vormt voor het strafproces, omdat het een ingewikkelde vordering betreft en er sprake is van medeschuld bij het slachtoffer.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht het materiële deel van de vordering, met uitzondering van het daggeld, af te wijzen, omdat het causale verband tussen het bewezenverklaarde en de kosten ontbreekt en dit deel van de vordering onvoldoende onderbouwd is. Ten aanzien van het immateriële deel van de vordering heeft de raadsvrouw verzocht de vergoeding drastisch te matigen.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering geen onevenredige belasting van het strafproces oplevert en gaat over tot de beoordeling daarvan.

Materiële schadevergoeding.

Uit het dossier volgt dat er door de zware mishandeling bij [slachtoffer 1] meerdere tanden gedeeltelijk zijn afgebroken. Hiervoor heeft hij de dag na het voorval een spoedtandarts bezocht en anderhalve week later is hij verder behandeld door de tandarts. De factuur en de betalingsherinnering die ter onderbouwing zijn overgelegd zijn in lijn met het letsel. De rechtbank acht deze posten toewijsbaar als rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit toegebrachte schade.

De rechtbank zal de gevorderde daggeldvergoeding eveneens toewijzen, omdat [slachtoffer 1] naar aanleiding van de zware mishandeling een nacht in het ziekenhuis heeft verbleven.

Ten aanzien van het gevorderde verlies van arbeidsvermogen is de rechtbank van oordeel dat dit voldoende onderbouwd is door middel van de verklaring van de werkgever van [slachtoffer 1] . Het slachtoffer heeft een nacht in het ziekenhuis doorgebracht en moest in de weken na mishandeling voor behandelingen en controles naar de (spoed)tandarts en de kaakchirurg. In tegenstelling tot de raadsvrouw, is de rechtbank van oordeel dat de salarisstroken van de drie maanden voorafgaand aan het incident een vergelijkbaar maandloon bevatten (€ 524,90, € 533,36 en € 508,88). De rechtbank acht deze post daarom eveneens toewijsbaar als rechtstreeks door het bewezenverklaarde feit toegebrachte schade.

Met betrekking tot de kapotte telefoon merkt de rechtbank op dat het slachtoffer zowel tijdens de aangifte als tijdens het verhoor van een paar maanden later heeft aangegeven dat zijn telefoon tijdens de mishandeling kapot was gegaan. Deze post is ook voldoende onderbouwd door middel van foto’s en een aankoopfactuur. De rechtbank zal deze post daarom toewijzen.

Immateriële schadevergoeding.

Ten aanzien van het immateriële deel van de vordering overweegt de rechtbank dat vaststaat dat het slachtoffer als gevolg van de bewezenverklaarde zware mishandeling rechtstreeks schade is toegebracht in de vorm van letsel. Het slachtoffer heeft onder meer een schedelbasisfractuur, een neusfractuur en meerdere deels afgebroken tanden opgelopen. Hierdoor is het slachtoffer bijna zeven weken niet in staat geweest om te werken.

Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het feit en met de hoogte van de schadevergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op De Rotterdamse Schaal (13 sub a). Naar het oordeel van de rechtbank is de schade van de benadeelde partij niet mede het gevolg van een omstandigheid die aan de benadeelde partij kan worden toegerekend en bestaat er dan ook geen reden om de vergoedingsplicht van verdachte om die reden te verminderen, zoals door de verdediging is betoogd. Alles overwegende, begroot de rechtbank de omvang van de immateriële schade naar billijkheid op een bedrag van € 2.500,00. De rechtbank zal het immateriële deel van de vordering dan ook volledig toewijzen.

Concluderend acht de rechtbank de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2022 tot de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2022 tot de dag van de algehele voldoening.

Omdat aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen: 9, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:

zware mishandeling;

Ten aanzien van feit 2:

medeplegen van mishandeling.

- verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

- legt op de volgende straf:

Ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 subsidiair:

een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis.

Ten aanzien van feit 1 primair:

Schadevergoedingsmaatregel.

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van 4.657,00 euro;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 46 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit 2.157,00 euro materiële schadevergoeding en 2.500,00 euro immateriële schadevergoeding. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 4.657,00 euro, bestaande uit 2.157,00 euro materiële schadevergoeding en 2.500,00 euro immateriële schadevergoeding.

De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.E. Bartels, voorzitter,

mr. W.M.T. Keukens en B.A.R. Janssen, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N. Slingerland, griffier,

en is uitgesproken op 13 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.E. Bartels

Griffier

  • mr. N. Slingerland

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand