RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.130249.25
Datum uitspraak: 22 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1986] ,
wonende te [adres]
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 30 maart 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
t.a.v. primair:
hij op of omstreeks 19 december 2024 te Eindhoven als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, [weg] , de rijksweg A2, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij in staat was om zijn personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of vervolgens achterop een ander voertuig te botsen, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken ribben, een scheur in middenrif, een complexe instabiele breuk van de rugwervel, een gebroken borstbeen ten gevolge van een reanimatie en/of incomplete dwarslaesie, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan
t.a.v. subsidiair:
hij op of omstreeks 19 december 2024 te Eindhoven als bestuurder van een voertuig (een personenauto, merk Opel, type Corsa, voorzien van het kenteken [kenteken] )), daarmee rijdende op de weg, [weg] , de rijksweg A2, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of vervolgens achterop een ander voertuig te botse, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijs.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegde.
Bewijsbijlage.
Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage.
Het oordeel van de rechtbank.
Feiten en omstandigheden.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte op 19 december 2024 met zijn auto over de [weg] , de rijksweg A2, reed. Ook aangeefster reed met haar auto op diezelfde weg. Volgens aangeefster was er voor haar voertuig sprake van langzaam rijdend verkeer en filevorming. Zij heeft afgeremd en is tot stilstand gekomen. De verdachte is met een aanzienlijke snelheid met zijn voertuig achter op het voertuig van aangeefster gebotst. Als gevolg van deze botsing heeft aangeefster onder meer vanaf de rugwervel T3 (ter hoogte van het schouderblad) een incomplete dwarslaesie opgelopen. In de periode daarna zijn bij aangeefster ook complicaties opgetreden die nog altijd niet zijn verholpen. Dat het letsel van aangeefster als zwaar lichamelijk letsel is aan te merken, staat niet ter discussie.
Ten aanzien van het primair ten laste gelegde.
Juridisch kader voor schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de verdachte zich als deelnemer aan het verkeer zo heeft gedragen, dat het ongeval aan zijn schuld te wijten is. Van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) is pas sprake in geval van een ‘aanmerkelijke mate’ van ‘verwijtbare onoplettendheid en/of onvoorzichtigheid’. Bij de beoordeling of daarvan sprake is, komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Schuld in de zin van artikel 6 WVW kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijke onvoorzichtigheid tot roekeloosheid als de zwaarste vorm van schuld.
Heeft verdachte onoplettend en/of onvoorzichtig gereden?
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij aangeefster voor hem heeft zien remmen, hij vervolgens het gas heeft losgelaten en in zijn binnenspiegel heeft gekeken om te beoordelen of het veilig was om te remmen. Toen hij weer naar voren keek, zag hij dat hij dichterbij zijn voorganger was gekomen en dat deze een noodremming maakte. De verdachte heeft verder verklaard dat hij heeft geremd, maar dat het niet mogelijk was het ongeluk te voorkomen.
Van een gemiddeld voorzichtige en oplettende bestuurder van een personenauto op de snelweg mag worden verwacht dat deze in staat is om zijn voertuig tot stilstand te brengen en een aanrijding te voorkomen als zijn voorganger afremt en stil komt te staan. Het komt daarbij aan op een combinatie van voldoende afstand houden, opletten en adequaat reageren op de handelingen van de voorganger. De reden voor het al dan niet plotseling afremmen van de voorganger is daarbij in beginsel niet relevant. Aangeefster heeft, naar eigen zeggen in verband met filevorming, geremd en heeft haar voertuig tot stilstand gebracht. Verdachte heeft zijn voertuig niet op tijd tot stilstand gebracht en is met een aanzienlijke snelheid tegen zijn voorganger gebotst. Verdachte heeft daarmee niet de oplettendheid en voorzichtigheid betracht die van een gemiddelde bestuurder mag worden verwacht.
Was het rijgedrag “aanmerkelijk” verwijtbaar?
Dat de verdachte zijn rijgedrag onvoldoende op de veranderende verkeerssituatie heeft afgestemd en een verkeerde inschatting heeft gemaakt, ziet de rechtbank als een tijdelijk moment van onoplettendheid. Over de exacte omstandigheden, zoals de snelheid van beide voertuigen en de afstand waarop de voertuigen zich van elkaar bevonden kunnen geen vaststellingen worden gedaan nu het dossier hierover geen uitsluitsel geeft. Er zijn geen aanvullende omstandigheden waaruit blijkt dat verdachte onverantwoord reed. Van drank- of drugsgebruik is niet gebleken. Dat het donker was en dat de verdachte zich ten tijde van het spitsuur op de snelweg bevond, zijn naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheden waardoor de verkeersfout als aanmerkelijk verwijtbaar kan worden aangemerkt.De ondergrens voor schuld in de zin van artikel 6 WVW wordt dus niet bereikt.
De rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde.
Om tot een bewezenverklaring van artikel 5 WVW te komen, moet worden vastgesteld dat verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg wordt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer wordt of kan worden gehinderd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte met zijn handelen gevaar op de weg veroorzaakt. In een moment van onoplettendheid heeft verdachte een verkeerde inschatting gemaakt en is daardoor met zijn voertuig op het voertuig van aangeefster gebotst. Verdachte heeft zich daarmee zodanig in het verkeer gedragen dat gevaar op de weg is veroorzaakt en het verkeer is gehinderd.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
t.a.v. subsidiair:
op 19 december 2024 te Eindhoven als bestuurder van een voertuig (een personenauto, merk Opel, type Corsa, voorzien van het kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, [weg] , de rijksweg A2, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn personenauto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en vervolgens achterop een ander voertuig te botsen, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straffen.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een taakstraf van 120 uur op te leggen en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren voor het primair ten laste gelegde feit.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Aan het feit gerelateerde factoren.
De verdachte is op 19 december 2024 als gevolg van een moment van onoplettendheid in botsing gekomen met het voertuig van aangeefster. Door deze botsing is bij aangeefster zwaar lichamelijk letsel ontstaan. Door de opgelopen dwarslaesie en daaruit voortvloeiende gevolgen en complicaties zal zij nooit meer herstellen en is de impact van het ongeluk voor haar immens groot geweest. Ook uit de schriftelijke slachtofferverklaring, die ter terechtzitting is voorgedragen, blijkt hoe groot de impact op aangeefster is (geweest). Het handelen van de verdachte heeft dan ook grote en vergaande gevolgen gehad.
Bij bestraffing van dit soort verkeersfouten spelen zowel de ernst van de fout als de gevolgen daarvan een rol. In zaken waarbij niet te hard is gereden en geen drank of drugs in het spel waren, maar de verkeersfout bestaat uit een kort moment van onoplettendheid en daardoor het maken van een inschattingsfout, wordt doorgaans slechts een geldboete of taakstraf opgelegd. Verdachte heeft in dit geval een relatief beperkte verkeersfout gemaakt, terwijl die fout enorme gevolgen heeft gehad.
Aan verdachte gerelateerde factoren.
De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij er blijk van heeft gegeven dat hij de ernst van het aan het slachtoffer aangedane leed inziet en kampt met een groot schuldgevoel. De verdachte is erg geschrokken van het ongeluk en is ongeveer anderhalf jaar later nog zeer ontdaan. Hij heeft meerdere malen contact gehad met aangeefster en de zus van aangeefster om na te gaan hoe het met de gezondheidstoestand van aangeefster gaat. Hij is zeer betrokken met haar lot. Verder is het de rechtbank gebleken dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor verkeersovertredingen of andere strafbare feiten.
De op te leggen straf.
Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 20 uren, te vervangen door 10 dagen hechtenis indien deze taakstraf niet of niet naar behoren wordt verricht, passend en geboden.
De rechtbank zal daarnaast een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 maanden opleggen. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke ontzegging niet nodig, aangezien verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is vervolgd en sinds het incident heeft plaatsgehad er geen nieuwe incidenten hebben plaatsgevonden.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de straf die door de officier van justitie is geëist, nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, de verdachte zal vrijspreken van het primair ten laste gelegde. De rechtbank is van oordeel dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de overtreding:
t.a.v. subsidiair:
overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994
verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straffen.
t.a.v. subsidiair:
een taakstraf voor de duur van 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis
en
een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,
mr. A. van der Hilst en mr. C.F.N. van Schaijk, leden,
in tegenwoordigheid van mr. F.H.R.M. Robbers, griffier,
en is uitgesproken op 22 mei 2026.