RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.371119.24
Datum uitspraak: 21 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [2002] ,
wonende te [woonplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging
maximumsnelheid van 50 kilometer per uur te overschrijden, en/of
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 maart 2026. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 15 oktober 2023 te Eindhoven
opzettelijk zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden
geschonden, door als bestuurder van een personenauto (merk Audi, kenteken [kenteken] ),
in een achtervolgingssituatie met een of meer politievoertuigen
- op de kruising Aalsterweg-Antoon Coolenlaan, te rijden met een gemiddelde indicatieve snelheid van 66 tot 75 kilometer per uur, en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde
- (daarbij) op die kruising door het voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemde rood licht uitstralend verkeerslicht te rijden, en/of
- op de kruising Aalsterweg-Felix Timmermanslaan, te rijden met een gemiddelde indicatieve snelheid van 123 tot 145 kilometer per uur, en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 50 kilometer per uur te overschrijden, en/of
- op de kruising Aalsterweg-St. Gerarduslaan, te rijden met een gemiddelde indicatieve snelheid van 107 tot 123 kilometer per uur, en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 50 kilometer per uur te overschrijden, en/of
- op de kruising Aalsterweg-Leostraat, te rijden met een gemiddelde indicatieve snelheid van 70 tot 78 kilometer per uur, en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 50 kilometer per uur te overschrijden, en/of
- (daarbij) op die kruising door het voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemde reeds ongeveer 28 seconden rood licht uitstralend verkeerslicht te rijden, en/of
- op de kruising Piuslaan-Leenderweg, te rijden met een gemiddelde indicatieve snelheid van 115 tot 129 kilometer per uur, en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 70 kilometer per uur te overschrijden, en/of
- op de kruising Piuslaan-Heezerweg, te rijden met een gemiddelde indicatieve snelheid van 109 tot 122 kilometer per uur, en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 70 kilometer per uur te overschrijden, en/of
- op de kruising Piuslaan-St. Bonifaciuslaan, te rijden met een gemiddelde indicatieve snelheid van 120 tot 135 kilometer per uur, en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 70 kilometer per uur te overschrijden, en/of
- op het traject op de Aalsterweg te rijden met een gemiddelde snelheid van 98 tot 99 kilometer per uur, en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 50 kilometer per uur te overschrijden, en/of
- op het traject op de Piuslaan te rijden met een gemiddelde snelheid van 114 tot 115 kilometer per uur, en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 70 kilometer per uur te overschrijden, en/of
- en/of (daarbij) geen gevolg te geven aan (een) hem, verdachte, door de politie gegeven stopteken(s),
terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.
Voor zover in de tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
De formele voorvragen
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bewijswaardering
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat het feit wettig en overtuigend bewezen dient te worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft – onder verwijzing naar de in zijn pleitnota opgenomen jurisprudentie – betoogd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994).
Het oordeel van de rechtbank
A. De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn, met uitzondering van de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 7 mei 2026, opgenomen in het procesdossier van de politie Eenheid Oost-Brabant met onderzoeksnummer PL2100-2023227622, gesloten op 19 november 2024, met 462 digitaal doorgenummerde pagina’s.
1. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 7 mei 2026, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:
Op 15 oktober 2023 te Eindhoven zat ik met een vriend in de auto. Dit betrof de in het dossier genoemde blauwe Audi. Ik zag zwaailichten en toen reed ik impulsief weg. Het klopt dat ik te hard gereden heb. Zelfs levensgevaarlijk hard. Ik heb op de Piuslaan gereden.
2. Het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, met nummer PL2100-2023227599-7 (pagina 19), inhoudende de bevindingen van de verbalisant(en), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:
Op zondag 15 oktober 2023, omstreeks 04:45 uur, waren wij verbalisanten [verbalisant 1]
en [verbalisant 2] , doende met de directe noodhulp te Eindhoven.
Op bovengenoemde dag, datum en tijdstip reden wij over de Genneperweg in de richting
van de Antoon Coolenlaan. Wij zagen ter hoogte van het Tongelreeppad 1 twee
voertuigen, met de verlichting aan, achter elkaar geparkeerd staan. Wij zagen dat de
voertuigen met de voorzijde in de richting van het Tongelreeppad stonden. Wij zagen
dat het voorste voertuig een blauwe Audi RS3 betrof en voorzien was van het kenteken
[kenteken] . Wij zagen dat het achterste voertuig een zilverkleurige Volkswagen T-ROC betrof.
Wij zagen dat de Audi RS3 vooruit begon te rijden. Wij hebben middels ons STOP-transparant een STOP-teken gegeven en op dat moment zetten wij de blauwe lampen
van ons dienstvoertuig aan. Wij zagen dat de snelheid door beide voertuigen verhoogd
werd en dat beide voertuigen met hoge snelheid over het onverharde pad reden.
Wij zagen dat de snelheden van de voertuigen alsmaar hoger werden.
Wij hebben onze optische geluidsignalen aangezet.
Wij zagen dat beide voertuigen door het rode verkeerslicht reden en dat zij met hoge snelheden het kruispunt overstaken. Wij zagen dat beide voertuigen linksaf de Aalsterweg op reden. Wij zagen dat de Audi RS3 al ver voor ons vandaan reed. Wij zagen dat de Audi RS3 en Volkswagen T-ROC door het rode verkeerslicht reed bij het kruispunt van de Aalsterweg/Sint Gerardusstraat. Wij reden op dat moment ongeveer 200 meter achter de Volkswagen T-ROC. Wij zagen dat de Audi RS3 vanaf de Aalsterweg rechtsaf de Leostraat op sloeg. Bij het kruispunt Leostraat/Piuslaan raakte de Audi RS3 uit het zicht.
3. Het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, met nummer P12100-2023227592-10 (pagina 296), inhoudende de bevindingen van de verbalisant(en), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:
Analyse verkeersregelinstallatie
Bevindingen Op basis van het onderzoek naar de werking van de verkeersregelinstallatie op de plaats delict, de analyse van de verkregen VRI-data en de camerabeelden in relatie tot het verkeersongeval, kunnen de volgende bevindingen worden opgemaakt:
Ten tijde van het verkeersongeval waren alle zeven verkeersregelinstallaties aan het regelen geweest. Gelet op het PD-onderzoek, de verklaringen en de analyse, waren er geen aanwijzingen dat de verkeersregelinstallaties niet naar behoren hadden gewerkt ten tijde van het ongeval.
VRI K6007 Aalsterweg - Antoon Coolenlaan. Uit de analyse van het faselog van VRI K6007 (Aalsterweg - Antoon Coolenlaan) bleek dat:• De Audi RS3 had gereden met een indicatieve snelheid tussen de 66 en 75 km/u, daar waar een maximumsnelheid is toegestaan van 50 km/u;• De Audi RS3 had gereden over de voorsorteerstrook voor rechtdoor en vervolgens linksaf sloeg en daarbij het rode verkeerslicht genegeerd had;
VRI K6004 Aalsterweg - Felix Timmermanslaan. • De Audi RS3 had gereden met een indicatieve snelheid tussen de 123 en 145 km/u, daar waar een maximumsnelheid is toegestaan van 50 km/u;
VRI K6003 Aalsterweg - St. Gerarduslaan. • De Audi RS3 had gereden met een indicatieve snelheid tussen de 107 en 123 km/u, daar waar een maximumsnelheid is toegestaan van 50 km/u;
VRI XP3008 Aalsterweg – Leostraat. • De Audi RS3 had gereden met een indicatieve snelheid tussen de 70 en 78 km/u, daar waar een maximumsnelheid is toegestaan van 50 km/u;• De Audi RS3 het rode verkeerslicht had genegeerd, dit terwijl het verkeerslicht al minimaal 27,6 seconden rood licht uitstraalde;
VRI XP3009 Piuslaan – Heezerweg. • De Audi RS3 had gereden met een indicatieve snelheid tussen de 115 en 129 km/u, daar waar een maximumsnelheid is toegestaan van 70 km/u;
VRI 3010 Piuslaan – Heezerweg. • De Audi RS3 had gereden met een indicatieve snelheid tussen de 109 en 122 km/u, daar waar een maximumsnelheid is toegestaan van 70 km/u;
VRI 3011 Piuslaan - St. Bonifaciuslaan. • De Audi RS3 had gereden met een indicatieve snelheid tussen de 120 en 135 km/u, daar waar een maximumsnelheid is toegestaan van 70 km/u;
Indicatieve snelheid deeltraject 50 km/u. • De Audi RS3 had gereden over het deeltraject met een gemiddelde indicatieve snelheidgelegen de 98 km/u en 99 km/u, daar waar een maximumsnelheid is toegestaan van 50 km/u;
Indicatieve snelheid deeltraject 70 km/u. • De Audi RS3 had gereden over het deeltraject met een gemiddelde indicatieve snelheidgelegen de 114 km/u en 115 km/u, daar waar een maximumsnelheid is toegestaan van 70km/u.
----------------------
Wanneer hiervoor is verwezen naar een proces-verbaal van de politie is – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
B. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte de in de tenlastelegging genoemde verkeersgedragingen heeft verricht. De verdachte heeft zich daarmee opzettelijk zodanig in het verkeer gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden. Zo heeft de verdachte – onder andere – de maximumsnelheid overtreden, door rood licht gereden en verkeersaanwijzingen niet opgevolgd, allemaal in een achtervolgingssituatie met de politie. Deze gedragingen, en het opzet daarop en op het daarmee in ernstige mate schenden van de verkeersregels, worden ook niet door de verdediging betwist. Dit geldt ook voor de hierboven aangehaalde snelheid waarmee verdachte heeft gereden.
De raadsman heeft echter betoogd dat van overtreding van artikel 5a van de WVW 1994 geen sprake is, omdat – kort gezegd – niet bekend is wat het verkeersbeeld en de omstandigheden ter plaatse waren, of anderen daadwerkelijk in gevaar zijn gekomen en of bijvoorbeeld sprake was van een bijna-aanrijding. Daarom is niet gebleken dat ten gevolge van het gedrag van de verdachte daadwerkelijk levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was, aldus de verdediging.
De rechtbank overweegt als volgt.
In het arrest gepubliceerd als ECLI:NL:HR:2025:344 heeft de Hoge Raad als volgt overwogen:
“Om te kunnen beoordelen of gelet op bewezenverklaard gedrag waarmee verkeersregels in ernstige mate zijn geschonden, levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was, moet worden vastgesteld of dit gevaar naar algemene ervaringsregels te voorzien was. Zoals ook uit de wetsgeschiedenis van art. 5a volgt, vergt dit een beoordeling aan de hand van concrete feiten en omstandigheden van geval, waaronder plaats waar en tijdstip waarop genoemd gedrag heeft plaatsgevonden. Bij dit oordeel is van belang dat in verkeer in het algemeen niet goed voorspelbaar is bij welke andere verkeersdeelnemers men in nabijheid zal komen en hoe deze zullen reageren op schending van verkeersregels. Van het duchten van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander kan daarom ook sprake zijn als gedrag waarmee verkeersregels in ernstige mate is geschonden, met zich brengt dat bestuurder van een voertuig niet in staat kan worden geacht steeds adequaat te reageren op aanwezigheid en verkeersgedrag van andere verkeersdeelnemers”.
Naar het oordeel van de rechtbank hanteert de verdediging bij de beoordeling van de vraag of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was een verkeerde (te strenge) maatstaf. Uit voornoemd arrest van de Hoge Raad volgt dat van het duchten van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander ook sprake kan zijn als gedrag waarmee verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, met zich brengt dat de bestuurder van een voertuig niet in staat kan worden geacht steeds adequaat te reageren op aanwezigheid en verkeersgedrag van andere verkeersdeelnemers.
De rechtbank stelt – kort gezegd – vast dat in de bebouwde kom van Eindhoven omstreeks 04:45 uur een politieachtervolging heeft plaatsgevonden, waarbij de verdachte is achtervolgd. De verdachte heeft daarbij met hoge snelheden gereden, te weten gemiddeld 98 tot 99 kilometer per uur op een traject waarop de maximumsnelheid 50 kilometer per uur is en gemiddeld 114 tot 115 kilometer per uur op een traject waarop de maximumsnelheid 70 kilometer per uur is. Tijdens de achtervolging heeft de verdachte tweemaal een rood verkeerslicht genegeerd. De verdachte is meerdere kruispunten gepasseerd, waarbij hij zijn snelheid niet heeft aangepast (zie de kaart op pagina 374 in het dossier). De verdachte was onder deze omstandigheden nooit in staat geweest om steeds adequaat te reageren op de aanwezigheid en het verkeersgedrag van andere verkeersdeelnemers. De omstandigheid dat het feit in de nachtelijke uren heeft plaatsgevonden, maakt dat niet anders. Ook in de nacht kunnen plotseling andere verkeersdeelnemers verschijnen, te meer nu het feit zich heeft afgespeeld tijdens een zaterdagnacht in de bebouwde kom van een stad. Met het samenstel van zijn gedragingen heeft de verdachte de verkeersregels zodanig geschonden dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het feit aldus wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
De bewezenverklaring
Op grond van de inhoud van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, en op grond van de inhoud van het vorenoverwogene, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op 15 oktober 2023 te Eindhoven
opzettelijk zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden
geschonden, door als bestuurder van een personenauto (merk Audi, kenteken [kenteken] ),
in een achtervolgingssituatie met een of meer politievoertuigen
- op de kruising Aalsterweg-Antoon Coolenlaan, te rijden met een gemiddelde indicatieve snelheid van 66 tot 75 kilometer per uur, en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde
maximumsnelheid van 50 kilometer per uur te overschrijden, en
- ( daarbij) op die kruising door het voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemde rood licht uitstralend verkeerslicht te rijden, en
- op de kruising Aalsterweg-Felix Timmermanslaan, te rijden met een gemiddelde indicatieve snelheid van 123 tot 145 kilometer per uur, en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 50 kilometer per uur te overschrijden, en
- op de kruising Aalsterweg-St. Gerarduslaan, te rijden met een gemiddelde indicatieve snelheid van 107 tot 123 kilometer per uur, en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 50 kilometer per uur te overschrijden, en
- op de kruising Aalsterweg-Leostraat, te rijden met een gemiddelde indicatieve snelheid van 70 tot 78 kilometer per uur, en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 50 kilometer per uur te overschrijden, en
- ( daarbij) op die kruising door het voor zijn, verdachtes, rijrichting bestemde reeds ongeveer 28 seconden rood licht uitstralend verkeerslicht te rijden, en
- op de kruising Piuslaan-Leenderweg, te rijden met een gemiddelde indicatieve snelheid van 115 tot 129 kilometer per uur, en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 70 kilometer per uur te overschrijden, en
- op de kruising Piuslaan-Heezerweg, te rijden met een gemiddelde indicatieve snelheid van 109 tot 122 kilometer per uur, en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 70 kilometer per uur te overschrijden, en
- op de kruising Piuslaan-St. Bonifaciuslaan, te rijden met een gemiddelde indicatieve snelheid van 120 tot 135 kilometer per uur, en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 70 kilometer per uur te overschrijden, en
- op het traject op de Aalsterweg te rijden met een gemiddelde snelheid van 98 tot 99 kilometer per uur, en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 50 kilometer per uur te overschrijden, en
- op het traject op de Piuslaan te rijden met een gemiddelde snelheid van 114 tot 115 kilometer per uur, en aldus de krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid van 70 kilometer per uur te overschrijden, en
- en (daarbij) geen gevolg te geven aan (een) hem, verdachte, door de politie gegeven stopteken(s),
terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
De strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van 12 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat kan worden volstaan met een taakstraf die grotendeels voorwaardelijk wordt opgelegd. De verdediging acht een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen gelet op de tijd die sinds het plegen van het feit is verstreken, niet passend. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat kan worden volstaan met een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.
Het oordeel van de rechtbank
Algemene overweging
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feit waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft met zijn auto zeer gevaarlijk rijgedrag vertoond binnen de bebouwde kom van Eindhoven, terwijl hij werd achtervolgd door de politie en een stopteken van de politie heeft genegeerd. Hij heeft op de Aalsterweg gereden met een gemiddelde snelheid van 98 tot 99 kilometer per uur, terwijl hij daar 50 kilometer per uur mocht. Hij is daarbij ook een keer door rood licht gereden. Daarnaast heeft de verdachte op de Piuslaan gereden met een gemiddelde snelheid van 114 tot 115 kilometer per uur, terwijl hij daar 70 kilometer per uur mocht. Ook daarbij is hij een keer door rood licht gereden. Verdachte is bovendien meerdere kruispunten gepasseerd zonder zijn snelheid aan te passen.
De verdachte heeft zich door zo te handelen onverschillig betoond voor de veiligheid van anderen en zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer op grove wijze veronachtzaamd.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. De rechtbank zal de justitiële documentatie daarom niet in strafverzwarende zin meewegen.
De rechtbank neemt mee dat de verdachte sinds een jaar werkzaam is als automonteur bij een autogarage in Venlo en dat hij belang heeft bij het behoud van zijn rijbewijs.
Redelijke termijn
De rechtbank stelt vast dat de verdachte in dit geval niet binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is berecht. Als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van de op zijn redelijkheid te toetsen termijn door de rechtbank moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op 7 december 2023, de dag waarop de verdachte is verhoord bij de politie.
De verdachte kon daaraan in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. De redelijke termijn eindigt met het wijzen van dit vonnis op 21 mei 2026. Hieruit volgt dat de termijn waarbinnen de verdachte had moeten worden berecht met ruim vijf maanden is overschreden. Nu deze overschrijding van de redelijke termijn niet is toe te rekenen aan de verdachte, acht de rechtbank matiging van straf op zijn plaats.
Straftoemeting
Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf van 100 uur te vervangen door 50 dagen hechtenis, passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opleggen voor de duur van acht maanden, met een proeftijd van twee jaren. In deze straf komt naar het oordeel van de rechtbank de ernst van het strafbare feit voldoende tot uitdrukking en ook bevat deze straf een stok achter de deur voor de verdachte om zich niet opnieuw schuldig te maken aan enig strafbaar feit. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van bijzondere voorwaarden.
De rechtbank zal dus een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie geëiste onvoorwaardelijke gevangenisstraf en onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen. Een dergelijke onvoorwaardelijke straf acht de rechtbank niet passend vanwege de overschrijding van de redelijke termijn, de tijd die is verstreken sinds het feit is gepleegd, het ontbreken van soortgelijke strafrechtelijke antecedenten en het persoonlijk belang van de verdachte bij het behoud van zijn rijbewijs. Zonder overschrijding van de redelijke termijn zou een onvoorwaardelijke ontzegging zijn opgelegd.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 Wetboek van Strafrecht,
5a, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:
Overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994.
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Oplegging van straffen:
legt op een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis
en
een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van
8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. F.H.E. Boerma, voorzitter,
mr. E.M. Vermeulen en mr. M.W.M. Bankers, leden,
in tegenwoordigheid van mr. G. van de Luijtgaarden, griffier,
en is uitgesproken op 21 mei 2026.