ECLI:NL:RBOBR:2026:3474

ECLI:NL:RBOBR:2026:3474

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 22-05-2026
Datum publicatie 21-05-2026
Zaaknummer 25/1390V
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBOBR:2026:360

Samenvatting

Aanmaning (i.v.m. niet volledig voldoen gemeentelijke heffingen). Verzet tegen uitspraak buiten zitting. Beroep tegen een besluitonderdeel waartegen geen bezwaar en beroep openstaat. Rechtbank mocht het beroep vereenvoudigd afdoen, omdat redelijkerwijs geen twijfel bestaat over de ongegrondheid van het beroep. Verzet ongegrond.

Uitspraak

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 op het verzet van

[opposante] , uit [woonplaats], opposante

(gemachtigde: [naam]),

tegen de uitspraak van de rechtbank van 23 januari 2026 in het geding tussen

opposant

en

de heffingsambtenaar van de gemeente 's-Hertogenbosch

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 23 januari 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposante ongegrond heeft verklaard.

De rechtbank heeft het verzet op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Daarvoor heeft opposante zich afgemeld.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 23 januari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.

3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Het beroep van opposante

In een aan opposante verzonden aanmaning over de gemeentelijke belastingen zijn aanmaningskosten en invorderingsrente opgenomen. In haar beroepschrift heeft opposante zich op het standpunt gesteld dat de heffingsambtenaar teveel invorderingsrente in rekening heeft gebracht.

De uitspraak van 23 januari 2026

4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het beroep moest worden beoordeeld op basis van de in de bezwaarfase gewisselde stukken. Daaruit kwam naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar naar voren dat opposante een onderdeel van de aanmaning heeft bestreden die niet voor bezwaar (en beroep) vatbaar was en dat een zitting bij de rechtbank daarin geen verandering kon brengen.

Mocht de rechtbank het beroep van opposante vereenvoudigd behandelen?

5. Opposant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank haar beroep ten onrechte vereenvoudigd heeft behandeld. Zij vindt dat haar bezwaarschrift niet ruim genoeg is opgevat, zij wel degelijk bezwaren had tegen de aanmaningskosten en dat zij ook bezwaar kon maken tegen de in de aanmaning opgenomen invorderingsrente. Verder is opposante van mening dat geen sprake is van een kennelijk ongegrond beroep, omdat dat oordeel stoelt op aannames die opposante betwist.

Voor zover opposante beoogt te stellen dat een beroep niet zonder zitting kan worden afgedaan als partijen van mening verschillen over een onderwerp waar de rechtbank over oordeelt, volgt de rechtbank opposante niet in dat standpunt. Dat standpunten uiteen liggen, betekent nog niet dat de uitkomst van de procedure niet buiten redelijke twijfel kan zijn. In dit geval waren de standpunten van partijen voldoende helder en daarom was er geen aanleiding voor nadere vragen of nader onderzoek. Op basis van de beschikbare informatie was geen nader onderzoek nodig en was het eindoordeel buiten redelijke twijfel.

Gelet op de bewoordingen in het bezwaarschrift van opposante, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bezwaar zich alleen richtte op de in de aanmaning opgenomen rente en niet ook op de aanmaningskosten. Hierin staat namelijk:

“In reactie op uw aanmaning van 30 april 2025 wordt namens [naam], [adres], hierna belanghebbende, bezwaar gemaakt tegen de belastingrente blijkend uit uw rekeningoverzicht van 7 januari en 30 april 2025.”

Uit de tekst van haar bezwaar volgt niet dat zij ook bezwaren had tegen de aanmaningskosten. Dit volgt ook uit haar beroepschrift waarin zij heeft opgenomen onder randnummer 75:

“Verweerder merkt terecht op dat eiseres verzuimde bezwaar te maken tegen de aanmaningskosten,”

Ook daaruit volgt dat haar bezwaar zich niet richtte tegen de aanmaningskosten. Dat opposante zich in verzet op het standpunt stelt dat haar bezwaar te eng is opgevat en zij ‘natuurlijk’ ook bezwaren had tegen de aanmaning als geheel, is een standpunt dat niet in overeenstemming is met datgene wat in het bezwaarschrift is opgenomen. In de uitspraak van 23 januari 2026 heeft de rechtbank daarover onder 3.6 en verder expliciete overwegingen opgenomen. Niet is gebleken dat nadere informatie, nader onderzoek of een zitting nodig waren om een oordeel te kunnen geven. Ook in verzet is niets aangevoerd waaruit dat zou blijken. Evenmin is gebleken dat de uitspraak onjuist zou zijn en dat bij een normale behandeling in beroep zaken naar voren zouden zijn gebracht die tot een ander oordeel geleid zouden hebben.

Daarbij is ook van belang dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de invorderingsrente op grond van artikel 30 van de Invorderingswet 1990 wordt vastgesteld in een besluit. Tegen dat besluit kan vervolgens bezwaar worden gemaakt en beroep worden ingesteld. Omdat een dergelijk besluit niet voorligt, kon opposante daartegen geen bezwaar maken. Het uitgebreide betoog van opposante dat hierdoor haar rechtsbelangen worden geschaad, richt zich op het systeem van onder andere de Invorderingswet en niet op dit specifieke besluit van de heffingsambtenaar en valt daarom buiten de omvang van dit geding.

Omdat het eindoordeel buiten redelijke twijfel was, kon de rechtbank uitspraak doen zonder zitting. Het verzet slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 23 januari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kleijn Hesselink, rechter, in aanwezigheid van R.G.B.M Spapens, griffier.

De griffier is verhinderd de

uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken op 22 mei 2026.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand