RECHTBANK Oost-Brabant
Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/424957 / KF ZA 26-77
Vonnis in kort geding van 13 mei 2026
in de zaak van
[naam eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. C.J.H.E. Jeurissen,
tegen
[naam gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M. Yigitdol.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de (concept) dagvaarding met 15 producties;
de dagvaarding van 20 april 2026, ontvangen op 21 april 2026;
de mondelinge behandeling van 28 april 2026, waarbij zijn verschenen partijen met hun advocaten en [naam] namens de raad voor de kinderbescherming.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter als voorlopige
procesbeslissingen genomen dat de volgende stukken buiten beschouwing blijven:
de conclusie van antwoord, ontvangen op 28 april 2026, met uitzondering van het verweer dat als voorgelezen ter zitting is beschouwd;
de akte indienen tegeneis van de vrouw, ontvangen op 28 april 2026;
producties 1 tot en met 4 van de vrouw, ontvangen op 28 april 2026;
de akte vermeerdering eis van de man, ontvangen op 28 april 2026;
producties 16 tot en met 19 van de man, ontvangen op 28 april 2026.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling gedeeltelijk overeenstemming
bereikt. Als gevolg daarvan heeft de man zijn vorderingen gedeeltelijk ingetrokken. Van hetgeen partijen zijn overeengekomen is proces-verbaal opgemaakt, dat door beide
partijen is ondertekend.
De man handhaaft zijn vorderingen onder de punten II, IV en V van de dagvaarding.
2. De feiten
Partijen hebben een geregistreerd partnerschap met elkaar gehad. Dit geregistreerd partnerschap is op [datum] ontbonden.
Het minderjarige kind van partijen is [naam minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [datum] .
Partijen hebben samen het gezag over [naam minderjarige].
Partijen hebben op [datum] een ouderschapsplan ondertekend. Daarin zijn zij, voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen:
[naam minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw;
[naam minderjarige] verblijft bij de man de ene week van zondag 18.30 uur tot en met dinsdag 18.30 uur, en de andere week van vrijdag na de opvang tot dinsdag 18.30 uur.
De vrouw is op [datum] gehuwd. Tussen de vrouw en haar echtgenoot is een echtscheidingsprocedure aanhangig.
3. Het geschil
De man vordert, na gedeeltelijke intrekking van zijn vorderingen, uitvoerbaar bij voorraad:
II. primair: te bepalen dat [naam minderjarige] voorlopig iedere week op woensdag en donderdag uit school tot 18:30 uur bij de vrouw verblijft, alsmede op vrijdag in de oneven weken uit school tot 18:30 uur. In die zin dat de vrouw [naam minderjarige] op woensdag en donderdag, en in de oneven weken op vrijdag, uit school ophaalt en haar telkens uiterlijk om 18:30 uur naar de man brengt, waarna [naam minderjarige] de nacht bij de man doorbrengt en de man haar de daaropvolgende ochtend naar school brengt. Alsmede te bepalen dat [naam minderjarige] in de oneven weken op zaterdag én zondag van 9:30 uur tot 18:30 uur bij de vrouw verblijft, waarbij de man [naam minderjarige] naar de vrouw brengt en de vrouw [naam minderjarige] om uiterlijk 18:30 uur terugbrengt naar de man;
subsidiair: te bepalen dat [naam minderjarige] voorlopig op de woensdag uit school tot 18:30 uur en in de oneven weken op zaterdag van 9:30 uur tot 18:30 uur bij de vrouw verblijft.
IV. de vrouw te verbieden [naam minderjarige] zonder passend toezicht alleen te laten gedurende avonduren of anderszins gedurende een voor haar leeftijd niet-verantwoorde periode;
V. dan wel een zodanige voorlopige voorziening treft als de voorzieningenrechter in het belang van [naam minderjarige] geraden acht.
De man legt – samengevat – het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. De man heeft zorgen over de opvoedsituatie van [naam minderjarige] bij de vrouw. Die zorgen betreffen de dagelijkse verzorging van [naam minderjarige] door de vrouw en haar woonsituatie. De vrouw laat [naam minderjarige] ’s avonds alleen thuis, zij laat [naam minderjarige] naar school gaan in niet bij het weer passende kleding, met ongekamde haren en ongepoetste tanden en laat zij [naam minderjarige] te laat naar bed gaan. De school heeft deze zorgen over de kleding, ongekamde haren en vermoeidheid van [naam minderjarige] ook met de man gedeeld. De woonsituatie van de vrouw is bovendien instabiel als gevolg van de op handen zijnde echtscheiding tussen de vrouw en haar echtgenoot. Een groot deel van de zorgen van de man zouden wegvallen als [naam minderjarige] niet meer bij de vrouw overnacht.
De vrouw voert hiertegen verweer. De vrouw voert – samengevat – het volgende aan. De man heeft geen spoedeisend belang bij toewijzing van zijn vorderingen. De zorgen van de man over de verzorging van [naam minderjarige] betreffen kleine zaken van incidentele aard. De vrouw voedt [naam minderjarige] vrijer op dan de man en laat haar – binnen verantwoorde grenzen – zelf keuzes maken over zaken als kleding, haren kammen en bedtijd. De vrouw laat [naam minderjarige] niet meer alleen thuis in de avonden, dit is slechts twee keer voorgekomen en de vrouw was toen binnen een afstand van vijf minuten van de woning. De zorgen van de school over vermoeidheid van [naam minderjarige], welke zorgen overigens niet met de vrouw zijn gedeeld, kunnen niet alleen aan de vrouw worden toegeschreven. De woonsituatie van de vrouw is een korte tijd instabiel geweest, maar de vrouw komt nu in aanmerking voor een flexwoning en zij is daarnaast een procedure gestart om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning alsnog te krijgen. Voor zo’n ingrijpende wijziging van de zorgregeling als de man vordert is geen aanleiding, en bovendien zou daarvoor eerst uitgebreid moeten worden onderzocht welke alternatieve situatie voor [naam minderjarige] passend zou zijn.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Buiten beschouwing laten stukken
De voorzieningenrechter heeft ter zitting als voorlopige procesbeslissing genomen dat de onder 1.2 genoemde stukken buiten beschouwing blijven, omdat zij buiten de in artikel 3.16 van het procesreglement voorgeschreven termijn zijn ingediend. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om daar nu anders over te beslissen.
Inhoudelijke beoordeling
Het gaat hier om in kort geding gevorderde ordemaatregelen. Voor toewijzing is nodig dat de man daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter beoordeelt dit hierna per vordering afzonderlijk. Daarbij vormt de voorzieningenrechter zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de vordering wordt toegewezen, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen en het belang van [naam minderjarige].
Zorgregeling
De voorzieningenrechter begrijpt de vordering van de man gelet op de toelichting
ter zitting aldus, dat de man vordert de vrouw te veroordelen tot medewerking aan de in de dagvaarding genoemde gewijzigde zorgregeling.
Het belang van de man bij wijziging van de zorgregeling is dat zijn zorgen over de dagelijkse verzorging en woonsituatie van [naam minderjarige] bij de vrouw grotendeels zouden worden weggenomen als [naam minderjarige] niet meer bij de vrouw overnacht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de zorgen van de man geen spoedeisend belang bij wijziging van de zorgregeling opleveren. Dit motiveert de voorzieningenrechter als volgt.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het uitgangspunt in kort geding is dat de zorgregeling die partijen in hun ouderschapsplan zijn overeengekomen blijft gelden. Van dit uitgangspunt kan alleen worden afgeweken als sprake is van dusdanig ernstige of bijzondere omstandigheden dat het ongewijzigd in stand laten van de zorgregeling niet in het belang van [naam minderjarige] is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat van deze ernstige of bijzondere omstandigheden sprake is. Ten eerste is niet aannemelijk geworden dat de dagelijkse verzorging van [naam minderjarige] door de vrouw ernstig en structureel tekortschiet. De vrouw heeft immers gemotiveerd betwist dat de door de man aangehaalde zaken rondom de dagelijkse verzorging van [naam minderjarige] meer dan incidenteel zijn voorgekomen. Onderhavige kort gedingprocedure leent zich niet voor een uitgebreider onderzoek naar de opvoedsituatie van [naam minderjarige] bij de vrouw. Ten tweede is onvoldoende aannemelijk geworden dat de huidige woonsituatie van de vrouw ongeschikt is om [naam minderjarige] bij haar te laten overnachten. Vast staat weliswaar dat de vrouw de afgelopen maanden met [naam minderjarige] op verschillende plekken heeft verbleven en dat haar toekomstige woonsituatie nog onzeker is, maar dit maakt de woonsituatie van de vrouw op zichzelf niet ongeschikt voor overnachtingen van [naam minderjarige] bij haar. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat zij op dit moment in de woning van een vriendin verblijft, waar zij alleen met [naam minderjarige] en haar twee jongere kinderen verblijft, dat [naam minderjarige] een eigen slaapkamer heeft en dat zij daar kan blijven wonen tot zij een flexwoning krijgt. Ook deze zorgen van de man rechtvaardigen aldus geen ordemaatregel in de vorm van wijziging van de zorgregeling.
Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter de vordering van de man zal afwijzen.
Verbod [naam minderjarige] alleen te laten
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de man geen spoedeisend belang heeft bij toewijzing van zijn vordering, omdat de vrouw gemotiveerd heeft betwist dat zij [naam minderjarige] nog alleen thuis laat. De vordering van de man zal daarom worden afgewezen.
Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat de vordering van de man overigens ook niet voor toewijzing in aanmerking zou komen als de man wel een spoedeisend belang had, omdat de vordering onvoldoende bepaald is. Onduidelijk is namelijk wat moet worden verstaan onder ‘passend toezicht’, ‘gedurende de avonduren’ en ‘anderszins gedurende een voor haar leeftijd niet-verantwoorde periode’. Bij toewijzing van deze vordering zou daarmee onduidelijk zijn waaraan de vrouw haar medewerking zou moeten verlenen. Dit zou het voor de man niet mogelijk maken een toewijzende beslissing te executeren.
Proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen van de man af,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Kesteren, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.