ECLI:NL:RBOBR:2026:3529

ECLI:NL:RBOBR:2026:3529

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 26-05-2026
Datum publicatie 22-05-2026
Zaaknummer 03/256959/25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Veroordeling voor aanranding en gekwalificeerde aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren; De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht over de persoon van de verdachte, zijn geestestoestand en het gevaar voor herhaling van zedendelicten en wijst geen tussenvonnis, maar doet de zaak af. Nu er zoveel twijfel bestaat over de haalbaarheid van behandeling van de verdachte en de praktische uitvoering ervan, is de rechtbank van oordeel dat behandeling van de verdachte, in welke juridische vorm ook, naast de oplegging van een forse gevangenisstraf, niet een passende afdoening is van deze strafzaak. De rechtbank legt op een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 8 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 5 jaren. Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit. De verdachte dient EUR 5.500,- immateriële schadevergoeding te betalen aan een van de minderjarige slachtoffers (BEM-clausule).

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 03.256959.25

Datum uitspraak: 26 mei 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1989] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd in [vestigingsplaats] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 mei 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 9 december 2025.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1:

hij op of omstreeks 21 september 2025 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen

met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] [2020]

een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het

- brengen en/of duwen en/of bewegen van zijn, verdachtes, ontblote penis tegen de mond van die [slachtoffer] en/of

- zoenen op/tegen de mond van die [slachtoffer]

en welke aanranding werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, welke wang, geweld en/of bedreiging hierin bestond dat hij, verdachte

- die [slachtoffer] heeft aangesproken en/of

- (zeer) dicht op die [slachtoffer] is gaan staan en/of

- (daarop) die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of naar zich toe getrokken en/of geduwd en/of

- de gulp van zijn, verdachtes, broek heeft losgemaakt en/of

- meermalen het hoofd van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of dat hoofd in de richting van zijn, verdachtes, ontblote penis heeft geduwd en/of gebracht en/of

- (vervolgens) het hoofd/gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer] met beide handen heeft vastgepakt en/of tegen zijn, verdachtes, lichaam heeft aangedrukt,

althans voor die [slachtoffer] een situatie heeft doen ontstaan waartegen die [slachtoffer] onvoldoende weerstand kon en/of durfde te bieden en/of

waaraan die [slachtoffer] niet kon/wist te ontkomen;

feit 2:

hij op of omstreeks 21 september 2025 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen

met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten een onbekend gebleven kind/persoon die onmiskenbaar een leeftijd van beneden de twaalf jaar had,

een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het

- (onverhoeds) betasten/aanraken van de billen van dat onbekend gebleven kind en/of en/of

- dicht op dat onbekend gebleven kind is gaan staan en/of zijn, verdachtes, handen (vervolgens) naar zijn, verdachtes, (bedekte) geslachtsdeel heeft gebracht;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft beide feiten wettig en overtuigend bewezen geacht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1. Aangevoerd heeft de raadsman daartoe dat de verklaringen van het minderjarige slachtoffer en haar ouders uit één en dezelfde bron komen en dat daartegenover de stellige ontkenning door de verdachte staat. Dat het slachtoffer na de ontmoeting met de verdachte huilend naar haar moeder is gekomen, is onvoldoende om als steunbewijs aan te nemen, omdat het slachtoffer huilde omdat zij haar moeder kwijt was. Op de camerabeelden is volgens de verdediging te zien dat het slachtoffer meermalen de mogelijkheid had om weg te lopen, zodat het bestanddeel “dwang” ook niet bewezen kan worden verklaard.

De verdediging heeft partiële vrijspraak bepleit voor feit 2. De raadsman heeft aangevoerd dat het tweede gedachtestreepje niet te kwalificeren is als een seksuele handeling in de zin van de wet.

De bewijsmiddelen

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage 1 bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De rechtbank overweegt voorts het volgende.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat in de regel slechts twee personen aanwezig zijn bij de veronderstelde seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Wanneer dan de veronderstelde dader de seksuele handelingen ontkent, zoals zich in deze zaak voordoet, leidt dat er in veel gevallen toe dat slechts de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer als wettig bewijs beschikbaar zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is echter de enkele verklaring van een getuige (het veronderstelde slachtoffer) onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.Hiernaast geldt dat in zedenzaken een geringe mate van steunbewijs in combinatie met de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer reeds voldoende wettig bewijs van het ten laste gelegde kan opleveren. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van het veronderstelde slachtoffer op onderdelen voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd.

In onderhavige zaak heeft [slachtoffer] (hierna [slachtoffer] ) een uitgebreide verklaring afgelegd over het door de verdachte gepleegde seksuele misbruik en de omstandigheden die dag in de [winkel] in Geleen. Zij heeft consistent, authentiek en gedetailleerd verklaard over de seksuele handeling waarbij de verdachte zijn ontblote penis tegen haar mond heeft gebracht, zowel ten overstaan van haar ouders als ten overstaan van de politie. In dat verband hecht de rechtbank eraan te verwijzen naar het feit dat [slachtoffer] heeft benadrukt dat de penis van de verdachte niet in haar mond is geweest. De door [slachtoffer] afgelegde verklaringen komen de rechtbank daarom geloofwaardig en betrouwbaar voor.

Daarbij komt dat [slachtoffer] al in de [winkel] huilend en enigszins in paniek naar haar moeder is gegaan omdat ze haar kwijt was. De rechtbank volgt de verdediging niet in de stelling dat het huilen van [slachtoffer] slechts veroorzaakt kon worden doordat zij haar moeder kwijt was. Daar komt bij dat [slachtoffer] kort na de aanranding een spontane onthulling heeft gedaan ten overstaan van haar ouders. Zowel vader als moeder hebben hierover een getuigenverklaring afgelegd bij de politie waarbij zij hebben verklaard steeds te hebben benadrukt dat [slachtoffer] niet mocht liegen.

Verder hebben verbalisanten de camerabeelden die in de [winkel] zijn opgenomen uitgekeken en beschreven. Ook de rechtbank heeft deze beelden bestudeerd. Een deel van de ten laste gelegde handelingen en de toegepaste dwang is hierop te zien. Niet is op de beelden te zien dat de verdachte zijn ontblote penis tegen de mond van [slachtoffer] heeft gebracht, maar omdat [slachtoffer] hierover zeer gedetailleerd heeft verklaard, en ook dat zij het vies vond en zij het gevoel goed heeft omschreven, twijfelt de rechtbank niet aan haar verklaring op dit punt.

Tot slot heeft de verdachte erkend dat hij op 21 september 2025 in de [winkel] in Geleen was. Dat hij de persoon met de wit/grijze jas is, die op de camerabeelden te zien is. En dat hij het hoofd van het meisje uit feit 1 heeft vastgepakt en hij haar naar zich heeft toegetrokken, naar zijn linkerzij.

Naar het oordeel van de rechtbank vinden de verklaringen van [slachtoffer] dus ook voldoende steun in andere wettige bewijsmiddelen.

De verdediging kan tot slot niet worden gevolgd in het standpunt dat geen sprake is geweest van dwang, omdat [slachtoffer] meerdere keren de mogelijkheid had om weg te lopen. Uit de door de verbalisanten in het aanvullende proces-verbaal gegeven beschrijvingen van de camerabeelden volgt juist dat de seksuele handelingen die de verdachte heeft verricht werden voorafgegaan door, gepaard gingen met of gevolgd werden door handelingen die [slachtoffer] belemmerden om daarvan weg te komen, zoals het zeer dicht op haar gaan staan, het vastpakken van haar hoofd en het tegen zich aandrukken van het slachtoffer. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat [slachtoffer] ten tijde van de handelingen van de verdachte slechts vijf jaar oud was.

Feit 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de billen van het onbekend gebleven kind dat onmiskenbaar een leeftijd van beneden de twaalf jaar had onverhoeds heeft betast/aangeraakt (het eerste gedachtestreepje). De verdachte heeft dat ter terechtzitting erkend en dit handelen is te zien op de camerabeelden. Niet alleen de verbalisanten die de camerabeelden hebben uitgekeken, hebben dit vastgesteld in het aanvullende proces-verbaal. Ook de rechtbank heeft dit ter terechtzitting waargenomen op de beelden.

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het tweede gedachtestreepje, dat de verdachte dicht op het onbekend gebleven kind is gaan staan en zijn handen naar zijn (bedekte) geslachtsdeel heeft gebracht. De verbalisanten die de camerabeelden hebben uitgekeken en hebben beschreven in een aanvulling op het einddossier, hebben weliswaar daarover gerelateerd “wij zien dat de verdachte met beide handen naar de rand van zijn broek gaat”, maar daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de verdachte zijn handen naar zijn (bedekte) geslachtsdeel heeft gebracht. De rechtbank heeft dit handelen bij het bekijken van de camerabeelden zelf ook niet waargenomen.

Omdat de rechtbank de verdachte partieel zal vrijspreken van feit 2, komt de rechtbank niet toe aan het verweer over de strafbaarheid van het onder het tweede gedachtestreepje beschreven handelen.

De bewezenverklaring

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte

feit 1:

op 21 september 2025 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen

met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] [2020]

seksuele handelingen heeft verricht, te weten het

- brengen en/of duwen en/of bewegen van zijn, verdachtes, ontblote penis tegen de mond van die [slachtoffer] en

- zoenen op/tegen de mond van die [slachtoffer]

en welke aanranding werd voorafgaan door, vergezeld van en gevolgd door dwang, welke dwang hierin bestond dat hij, verdachte

- die [slachtoffer] heeft aangesproken en

- (zeer) dicht op die [slachtoffer] is gaan staan en

- (daarop) die [slachtoffer] heeft vastgepakt en naar zich toe getrokken en/of geduwd en

- meermalen het hoofd van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of dat hoofd in de richting van zijn, verdachtes, ontblote penis heeft geduwd en/of gebracht en

- (vervolgens) het hoofd/gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer] met beide handen heeft vastgepakt en/of tegen zijn, verdachtes, lichaam heeft aangedrukt;

feit 2:

op 21 september 2025 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen

met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten een onbekend gebleven kind/persoon die onmiskenbaar een leeftijd van beneden de twaalf jaar had,

een seksuele handeling heeft verricht, te weten het

- onverhoeds betasten/aanraken van de billen van dat onbekend gebleven kind.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de oplegging gevorderd van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een duur die gelijk is aan de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis passend. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte geen enkele relevante recidive heeft op het punt van zedenmisdrijven en dat geen parafiele stoornis bij hem is vastgesteld.

De verdediging heeft daarnaast aangevoerd dat de verdachte door de duur van de ondergane voorlopige hechtenis abstinent is van verdovende middelen en alcohol, zodat geen concrete aanwijzing bestaat dat middelenmisbruik nog een recidive bevorderende factor vormt.

De verdediging heeft ervoor gepleit geen voorwaardelijke straf met een behandeltraject aan de verdachte op te leggen omdat de verdachte geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland, de psycholoog acculturatieproblemen bij de verdachte heeft vastgesteld en de reclassering diverse complicaties ziet wat betreft de haalbaarheid van een behandeltraject.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf en/of maatregel die aan de verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanranden van twee hele jonge kinderen in een winkel. Dit soort feiten veroorzaken veel maatschappelijke onrust en leiden tot toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers.

Met name met het onder dwang brengen van zijn penis tegen de mond van het meisje uit feit 1, dat nog maar 5 jaar oud was, heeft de verdachte een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van dat slachtoffer en haar lichamelijke integriteit op grove wijze aangetast. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten kunnen daar nog jarenlang last van hebben. Het strafbare feit heeft nu al veel impact gehad op het gezin van het slachtoffer, zo is ter zitting gebleken. Zij is zelf angstig geworden en haar vertrouwen in mensen is beschadigd. Haar moeder heeft een trauma opgelopen en draagt een schuldgevoel mee, omdat zij haar dochter in de winkel korte tijd zelfstandig naar het speelgoed liet kijken. De rechtbank neemt dit de verdachte zeer kwalijk.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving en gelet op de LOVS-oriëntatiepunten aangaande zedendelicten in vergelijking tot onderhavige zaak in beginsel niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. De verdachte heeft zijn eigen seksuele verlangens belangrijker gevonden dan de belangen van twee nietsvermoedende en onschuldige kinderen en andere nadelige gevolgen die zijn handelen teweegbrengen en dat neemt de rechtbank de verdachte zeer kwalijk. Anders dan de raadsman heeft betoogd, volstaat een straf gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis niet.

Over de verdachte heeft een NIFP-psycholoog op 30 april 2026 een Pro Justitia rapport uitgebracht.

Onder meer komt de psycholoog tot de volgende conclusies over de verdachte:

Ook houdt het rapport in dat de gepleegde feiten slechts in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend. De rechtbank neemt deze conclusies tot de hare en zal hiermee in de strafoplegging rekening houden. Hierop zal de rechtbank later nog ingaan.

De psycholoog heeft de aanwezigheid van een parafiele stoornis, zoals een pedofiele stoornis, niet kunnen in- of uitsluiten op basis van de beschikbare informatie.

De psycholoog heeft verder zorgen geuit, in de vorm van acculturatieproblemen in Nederland, gezien onder meer de taalbarrière en het zich hier als Roemeen regelmatig onheus bejegend, tekortgedaan en gediscrimineerd voelen (bv. door justitiële instanties).

De psycholoog acht de kader-advisering bij de verdachte een zeer complexe.Zij heeft geadviseerd: “om de benodigde interventies in te zetten in het strafrechtelijk juridisch kader van een combinatie-constructie van bijzondere voorwaarden bij een deels voorwaardelijk strafdeel en overweging van een rechtelijke machtiging (via de schakelbepaling 2.3. WFZ), gemonitord vanuit de reclassering.

(…)

Enkel wanneer bovenbeschreven strafrechtelijk juridisch kader echt niet uitvoerbaar zou blijken adviseert rapporteur een terbeschikkingstelling maatregel met bevel tot verpleging vanuit overheidswege.”

De reclassering heeft op 4 mei 2026 op grond van de input van de NIFP-psycholoog een advies opgemaakt. Kort gezegd acht de reclassering het door de psycholoog verstrekte advies niet uitvoerbaar en ook de officier van justitie heeft ter terechtzitting uiteengezet dat uitvoering juridisch niet mogelijk is.

De reclassering acht enerzijds een lange behandeling noodzakelijk, maar heeft anderzijds ook twijfels bij de haalbaarheid ervan en ziet allerlei praktische problemen.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte van 31 maart 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld. Verdachte is wel onherroepelijk veroordeeld voor vermogensfeiten.

De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht over de persoon van de verdachte, zijn geestestoestand en het gevaar voor herhaling van zedendelicten. De rechtbank zal daarom geen tussenvonnis wijzen teneinde de verdachte te laten onderzoeken door een psychiater om vervolgens op die manier de mogelijkheden van een TBS-maatregel, al dan niet met voorwaarden, nog te verkennen.

Nu er zoveel twijfel bestaat over de haalbaarheid van behandeling van de verdachte en de praktische uitvoering ervan, is de rechtbank van oordeel dat behandeling van de verdachte, in welke juridische vorm ook, naast de oplegging van een forse gevangenisstraf, niet een passende afdoening is van deze strafzaak.

Wel acht de rechtbank het noodzakelijk om, gelet op de ernst van de feiten en om herhaling te voorkomen, een deel van de op te leggen gevangenisstraf aan de verdachte voorwaardelijk op te leggen met daarbij een lange proeftijd. De rechtbank bepaalt dat het deel van de op te leggen gevangenisstraf dat voorwaardelijk wordt opgelegd, 8 maanden bedraagt. Om langdurig een stok achter de deur te verzekeren en op die wijze herhaling te voorkomen, zal de rechtbank, gelet op de in het NIFP-rapport beschreven hoog risico op recidive, aan de verdachte een proeftijd van 5 jaar opleggen omdat er, gelet op de bewezen gedragingen van verdachte en de bevindingen van de psycholoog ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf als bedoeld in artikel 14b, tweede lid, Sr zal begaan, gekoppeld aan de algemene voorwaarde dat de verdachte gedurende die proeftijd geen strafbare feiten pleegt.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van de bewezenverklaarde feiten voldoende tot uitdrukking brengt. Daarbij heeft de rechtbank ook betrokken, zoals hiervoor al is overwogen, dat de gepleegde feiten in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) komt aan een benadeelde partij immateriële schade toe als er (onder andere) sprake is van een aantasting van de persoon op andere wijze. Daarvan is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich daarop beroept, zal in beginsel voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Indien sprake is van bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer voldoende ernstig zijn of voldoende ernstig geacht kunnen worden, wordt geestelijk letsel aangenomen, ook zonder vaststelling van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Van deze situatie is in onderhavig geval sprake. De rechtbank zal de immateriële schade, zoals gevorderd, daarom toewijzen als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit onder 1 toegebrachte schade. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met in de rechtspraak in soortgelijke gevallen toegekende bedragen aan smartengeld.

De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat het toekomstige schade betreft.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt de verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

BEM-clausule

Aangezien de benadeelde partij nog minderjarig is, zal de rechtbank bepalen dat de aan haar te betalen immateriële schadevergoeding gestort zal worden op een ten behoeve van haar te openen spaarrekening met een zogenoemde BEM (Belegging, Ergernis en andere gelden Minderjarigen)-clausule. Een dergelijke clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en de wettelijk vertegenwoordigers kunnen daarom slechts met toestemming van de kantonrechter hierover beschikken tot zij achttien jaar is.

Aangezien aan de verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing is gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 27, 36f, 57, 63, 249 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

feit 1: gekwalificeerde aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren;

feit 2: aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren.

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf en de maatregel:

 een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 8 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 5 jaren.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

 legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van € 5.500,-.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 52 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit € 5.500,- immateriële schade.

De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer] , geboren op 15 april 2020, te openen rekening met een BEM-clausule.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van € 5.500,-, bestaande uit immateriële schade.

De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige, de toekomstige materiële schade, niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

De verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.H.C. Merkx, voorzitter,

mr. E.M. Vermeulen en mr. M.W.M. Bankers, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. van der Sluijs, griffier,

en is uitgesproken op 26 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.H.C. Merkx
  • mr. E.M. Vermeulen
  • mr. M.W.M. Bankers

Griffier

  • mr. H.J.G. van der Sluijs

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand