RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.320682.25
Datum uitspraak: 27 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte ] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1958] ,
gedetineerd te: [vestigingsplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 februari 2026 en 13 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 januari 2026.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 13 mei 2026 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
hij op of omstreeks 26 november 2025 te Eindhoven al dan niet opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 31 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetaminesulfaat, zijnde amfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
T.a.v. feit 2:
hij op of omstreeks 26 november 2025 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 10 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en/of hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om tot een bewezenverklaring te komen ten aanzien van beide aan verdachte ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft geen bewijsverweren gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen.
Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven opgesomde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
T.a.v. feit 1:
op 26 november 2025 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 31 kilogram, van een materiaal bevattende amfetaminesulfaat, zijnde amfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
T.a.v. feit 2:
op 26 november 2025 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 10 kilogram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj), waaraan geen andere substanties waren toegevoegd en/of hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straf.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie vordert dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 46 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging verzoekt in de strafmaat rekening te houden met de concentratie amfetaminesulfaat die in de pasta is aangetroffen. Het gehalte amfetaminesulfaat is laag en de drugs waren bestemd om als ‘fopdrugs’ te dienen ter oplichting in het criminele circuit.
De verdediging verzoekt een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de duur van het voorarrest.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarnaast heeft de rechtbank bij haar beslissing over de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten.
De aard en ernst van de feiten.
Verdachte heeft ongeveer 31 kilogram van een materiaal bevattende amfetamine en ongeveer 10 kilogram softdrugs (hasjiesj en hennep) opzettelijk aanwezig gehad in zijn woning. Het bezit van hard- en softdrugs, in dit geval amfetamine, hasjiesj en hennep, is een ernstig feit. Het gebruik ervan kan ernstige gevaren voor de gezondheid opleveren. De productie van harddrugs brengt ook nadelige gevolgen met zich voor het milieu, aangezien men zich niet legaal kan ontdoen van het chemische afval, waardoor het afval wordt gedumpt of weggespoeld in het riool. Daar komt nog bij dat de productie en verkoop van hard- en softdrugs vaak gepaard gaat met ernstige vormen van georganiseerde criminaliteit, waarbij het gebruik van geweld niet wordt geschuwd. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht aan anderen. Verdachte heeft hier met zijn handelen aan bijgedragen en dit eveneens in stand gehouden.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet, maar dat dit meer dan 10 jaar geleden is. Dit zal om die reden door de rechtbank niet als strafverzwarende omstandigheid worden meegenomen.
Over verdachte is op 29 april 2026 een reclasseringsrapport uitgebracht. De kans op algemene recidive wordt door de reclassering ingeschat als hoog. Verdachte beschikt volgens de reclassering over een pro-criminele houding. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.
De op te leggen straf.
De rechtbank overweegt dat uit de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) volgt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de aangewezen strafmodaliteit is voor de door verdachte gepleegde strafbare feiten. Volgens de LOVS is voor het aanwezig hebben van deze hoeveelheden (31 kilo) harddrugs een totale gevangenisstraf van meer dan 36 maanden het uitgangspunt. Voor de aanwezigheid van 10 kilo softdrugs is het uitgangspunt 6 maanden gevangenisstraf.
Het verweer van verdachte, inhoudende dat de harddrugs een gering gehalte amfetamine zouden bevatten en als ‘fopdrug’ zouden dienen, maakt dit niet anders. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij dacht dat hij amfetamine in bewaring had gekregen. De verklaringen van verdachte over het moment waarop hij zou hebben gehoord dat het om ‘fopdrugs’ zou gaan, zijn wisselend. Bij de politie heeft verdachte bijvoorbeeld verklaard dat hij dit pas ná zijn aanhouding heeft gehoord. Ter terechtzitting verklaarde verdachte dat hij dit daarvoor al wist en zelfs bezig was om de drugs door de wc te spoelen.
Het gehalte amfetaminesulfaat in de aangetroffen pasta was tussen de 21,7% en 25,1%, hetgeen niet gering is. De aanwezigheid van het amfetaminesulfaat komt ook niet overeen met de verklaring van verdachte dat het enkel zou gaan om coffeïne die is overgespoten met BMK. In dat geval zou er immers géén amfetaminesulfaat zijn aangetroffen. Verdachte heeft bovendien niet concreet gemaakt welke afspraken er zouden zijn gemaakt over de drugs die hij voor anderen zou bewaren. Onduidelijk is bijvoorbeeld hoe lang hij het bewaarde of welke vergoeding hij ervoor kreeg. Gelet op al deze omstandigheden acht de rechtbank de verklaring van verdachte over het bewaren van de harddrugs ongeloofwaardig. De verklaring van verdachte omtrent het aanwezig hebben van de softdrugs, die verdachte zou bewaren voor een coffeeshop, is evenin geloofwaardig. Het blijft bij een vaag, niet nader geconcretiseerd verhaal.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank geen aanleiding ziet om af te wijken van de LOVS-uitgangspunten. In verband met een juiste normhandhaving kan niet worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die zij zal opleggen de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Alle feiten en omstandigheden tegen elkaar afwegend, is de rechtbank van oordeel dat passend en geboden is verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 42 maanden. Hierop zal de tijd die verdachte al in voorarrest heeft gezeten in mindering worden gebracht.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
57 van het Wetboek van Strafrecht
2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:
t.a.v. feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
t.a.v. feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende straf:
* een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden;
beveelt dat de tijd, die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.V. Vullings, voorzitter,
mr. M.L.W.M. Viering en mr. R.J. Heuft, leden,
in tegenwoordigheid van mr. L.A.P.H. Kirkels, griffier,
en is uitgesproken op 27 mei 2026.