ECLI:NL:RBOBR:2026:3681

ECLI:NL:RBOBR:2026:3681

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 01-06-2026
Datum publicatie 29-05-2026
Zaaknummer 01-242363-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Veroordeling voor het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, het onbruikbaar maken van een personenauto en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Oplegging van een taakstraf voor de duur van 240 uren/subsidiair 120 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 23 maanden met aftrek waarvan 17 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en bijzondere voorwaarden. Ook worden contact- en locatieverboden ex artikel 38v opgelegd. Viermaal beoordeling vorderingen benadeelde partijen. Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar. Bijzondere voorwaarden en maatregelen ex art. 38v worden dadelijk uitvoerbaar verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01.242363.25

Datum uitspraak: 01 juni 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [1982] ,

wonende te [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 december 2025, 2 maart 2026 en 18 mei 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 november 2025.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 2 maart 2026 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

t.a.v. feit 1:

hij op of omstreeks 15 september 2025 te Oss opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door dumbum nitraa ("dumbum 170")t tot ontbranding te

brengen (en over de schutting van de woning gelegen aan [adres 2] te gooien), terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voor de achtergevel van die woning en/of de in die woning aanwezige inboedel te duchten was en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de in die woning aanwezige personen (waaronder twee kinderen) te duchten was;

t.a.v. feit 2:

hij op of omstreeks 24 juni 2025 te Oss, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een (personen)auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

t.a.v. feit 3:

hij op of omstreeks 27 augustus 2025 te Oss, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door die die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen : "Ik maak je kapot, je komt zo maar niet van me af" en/of "Ik maak hem af en jou ook", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Inleiding.

Verdachte en [slachtoffer] hebben ruim twintig jaar een affectieve relatie gehad, die begin 2025 door [slachtoffer] is beëindigd. Kort daarna heeft zij een nieuwe partner gekregen: [partner slachtoffer] . Verdachte wordt ervan verdacht dat hij op 24 juni 2025 een beledigende tekst op de auto van [slachtoffer] heeft gespoten (feit 2), dat hij haar op 27 augustus 2025 aan de voordeur van haar woning heeft bedreigd (feit 3) en tenslotte dat hij in de vroege ochtend van 15 september 2025 vuurwerk in de tuin van de woning van [partner slachtoffer] heeft gegooid (feit 1). Dit vuurwerk is ontploft en de woning is beschadigd geraakt. [partner slachtoffer] , [slachtoffer] en de twee dochters van [partner slachtoffer] waren op dat moment thuis.

[slachtoffer] en [partner slachtoffer] hebben aangifte jegens verdachte gedaan.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat alle drie de feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van feit 1 stelt zij zich op het standpunt dat het feit, gelet op de bekennende verklaring van de verdachte, wettig en overtuigend bewezen kan worden met uitzondering van het te duchten levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een ander.

De verdediging refereert zich ten aanzien van feit 2 aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 3 merkt de verdediging op dat de verdachte de ten laste gelegde bedreigingen ontkent.

Bewijsbijlage.

Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking en opsomming daarvan in de bijlage. De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Het oordeel van de rechtbank.

Overweging ten aanzien van feit 1.

Op basis van de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Op 15 september 2025 rond 6.15 uur heeft de verdachte een brandend dumbum nitraat over de schutting in de achtertuin van [partner slachtoffer] gegooid. Het vuurwerk is tussen het dichte rolluik van de achtergevel van de woning van [partner slachtoffer] en de in de achtertuin, dichtbij de achtergevel geplaatste jacuzzi, terechtgekomen. Het nitraat is daar tot ontploffing gekomen en heeft grote materiële schade aan de jacuzzi en woning van [partner slachtoffer] aangericht. Er is schade geconstateerd aan de kunststof behuizing van de jacuzzi en een rolluik. Het linker raam is gebroken, op de vloer in de aanbouw lagen glasscherven. De raamkruk aan de binnenzijde van het kozijn is losgekomen. De horizontale jaloezieën waren verbogen. De borstwering onder het kozijn was aan de bovenzijde los van de muur en er zat een verticale scheur in.

Op het moment dat het nitraat is ontploft was [partner slachtoffer] in zijn keuken aanwezig. Hij stond op enkele meters afstand van de achtergevel en is geraakt door de glasscherven.

De verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd ten aanzien van het teweeg brengen van de ontploffing. Als gevolg van de ontploffing is gevaar voor goederen, waaronder de achtergevel van de woning en de daarin aanwezig inboedel, ontstaan. Dit is door de verdediging niet betwist.

Wel heeft de verdediging betoogd dat in het onderhavige geval geen sprake is geweest van levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen. De rechtbank volgt, in tegenstelling tot de officier van justitie, dit verweer ten aanzien van het te duchten levensgevaar. Ten aanzien van het te duchten gevaar voor zwaar lichamelijk letsel volgt de rechtbank de verdediging niet.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

Uit jurisprudentie volgt dat het bestaan van gevaar voor zwaar lichamelijk letsel bij personen kan komen vast te staan, als uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dergelijk gevaar inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het gevaar ten tijde van de explosie naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Dat de dader zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien, is in dat verband niet van belang.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat het dumbum nitraat een vergelijkbare lading heeft als de Cobra 8. Ontploffing van het nitraat veroorzaakt een drukgolf die, wanneer men op enkele meters afstand van de explosie staat, kan leiden tot permanente gehoorschade, zoals een trommelvliesbreuk. Ook kan de drukgolf op enkele tientallen meters leiden tot een (tijdelijke) vorm van gehoorschade. Dergelijke verwondingen vallen naar het oordeel van de rechtbank onder zwaar lichamelijk letsel. [partner slachtoffer] stond ten tijde van de ontploffing binnen enkele meters van de plaats waar het nitraat is neergekomen. Hij heeft ook daadwerkelijk verklaard over de drukgolf die hij heeft gevoeld op het moment dat het nitraat tot ontploffing is gekomen.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat door het teweegbrengen van de ontploffing, naast het gemeen gevaar voor goederen, eveneens gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, namelijk [partner slachtoffer] , te duchten is geweest.

Levensgevaar

Om levensgevaar voor een ander als vaststaand te kunnen aannemen, is volgens vaste jurisprudentie (zie ook de uitspraak van de Hoge Raad van 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:230) vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dergelijk gevaar daadwerkelijk te duchten was. De Hoge Raad hanteert als maatstaf dat dergelijk gevaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest.

De rechtbank kan, op grond van de inhoud van het dossier, niet vaststellen dat er door de ontploffing ook levensgevaar te duchten is geweest. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat het dumbum nitraat een vergelijkbare lading heeft als de Cobra 8. Voor het ontstaan van dodelijk letsel zijn dan uitzonderlijke omstandigheden nodig (bijvoorbeeld lichaamscontact ten tijde van de explosie, of (vrijwel) direct contact met bijvoorbeeld het hoofd, de nek of de romp van een onbeschermd persoon). Daaruit volgt dat dit gevaar niet zonder meer naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was. Verdachte heeft immers het nitraat over de schutting in de achtertuin gegooid, waar niemand aanwezig was.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat tevens sprake is geweest van te duchten levensgevaar. Verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

De rechtbank acht het verdachte ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het te duchten levensgevaar.

Overweging ten aanzien van feit 3.

Ten aanzien van het derde ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank het navolgende.

De verdachte bekent dat hij op 27 augustus 2025 bij de woning van [slachtoffer] was en dat hij in een boze gemoedstoestand verkeerde. Wel ontkent hij de ten laste gelegde uitlatingen te hebben gedaan. De verdachte stelt te zijn weggegaan bij de woning op het moment dat de buurvrouw hem aansprak.

De getuigenverklaring van de buurvrouw van [slachtoffer] , die heeft verklaard de beledigingen te hebben gehoord en de verdachte heeft verzocht te vertrekken, sluit aan bij hetgeen [slachtoffer] heeft verklaard in haar aangifte. De getuigenverklaring ondersteunt de aangifte.

Op basis van deze drie verklaringen acht de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor hetgeen aan de verdachte onder feit 3 ten laste is gelegd. Het feit zal dan ook bewezen worden verklaard.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte

t.a.v. feit 1:

op 15 september 2025 te Oss opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een dumbum nitraat ("dumbum 170") tot ontbranding te brengen en over de schutting van de woning gelegen aan [adres 2] te gooien, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de achtergevel van die woning en/of de in die woning aanwezige inboedel te duchten was en

- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de in die woning aanwezige persoon te duchten was;

t.a.v. feit 2:

op 24 juni 2025 te Oss opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto, die aan [slachtoffer] , toebehoorde onbruikbaar heeft gemaakt;

t.a.v. feit 3:

op 27 augustus 2025 te Oss [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen : "Ik maak je kapot, je komt zo maar niet van me af" en "Ik maak hem af en jou ook", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straffen en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan deze proeftijd dienen de bijzondere voorwaarden, zoals door de reclassering zijn geadviseerd, te worden gekoppeld. Daarnaast dienen deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.

Ten slotte verzoekt de officier van justitie over te gaan tot oplegging van een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna te noemen: Sr), inhoudende een contactverbod ten aanzien van [slachtoffer] , [partner slachtoffer] en de dochters van [partner slachtoffer] en een locatieverbod binnen een straal van 200 meter van de straten waarin [slachtoffer] en [partner slachtoffer] wonen en de straten waaraan de werkadressen van [slachtoffer] en [partner slachtoffer] zijn gevestigd. De officier van justitie verzoekt de rechtbank de dadelijke uitvoerbaarheid van deze vrijheidsbeperkende maatregel te bevelen. Indien de contact- en locatieverboden niet in het kader van de vrijheidsbeperkende maatregel zullen worden opgelegd, verzoekt de officier van justitie deze toe te voegen aan de op te leggen bijzondere voorwaarden.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging verzoekt de rechtbank niet over te gaan tot oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de duur van het voorarrest overstijgt. De verdediging verwijst daarbij naar de positieve schorsingsrapportage, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het feit dat hij licht verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de feiten. De verdediging verzet zich niet tegen oplegging van vrijheidsbeperkende maatregelen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de feiten.

Verdachte heeft bij de nieuwe partner van zijn ex-partner een aangestoken nitraat over de schutting gegooid die in zijn achtertuin tot ontploffing is gekomen. Hierdoor is er schade aan zijn woning ontstaan en was er voor hem een risico op zwaar lichamelijk letsel. De ex-partner van verdachte en de kinderen van haar nieuwe partner waren eveneens in de woning aanwezig.

Dit soort explosies hebben niet alleen een grote impact op de direct betrokkenen, maar zorgen ook voor gevoelens van angst, onrust en onveiligheid voor anderen in de samenleving.

Verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan het ontstaan van die gevoelens en heeft zich niet laten weerhouden door het voorzienbare gevaar voor schade en letsel. Dat de gevolgen van de ontploffing beperkt zijn gebleven tot materiële schade, is niet aan de verdachte te danken.

Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan het onbruikbaar maken van de auto van zijn ex-partner en het uiten van ernstige bedreigingen jegens haar.

De gepleegde strafbare feiten, en dan met name het tot ontploffing brengen van het nitraat, hebben diepe indruk gemaakt op de ex-partner van verdachte, haar nieuwe partner en diens kinderen. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vorderingen van de benadeelde partijen en de slachtofferverklaring blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is.

De persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank weegt mee dat verdachte er blijk van heeft gegeven dat hij de ernst van de door hem gepleegde strafbare feiten inziet. De verdachte heeft (uiteindelijk) een bekennende verklaring afgelegd over twee van de drie ten laste gelegde feiten. Ook heeft hij ter zitting oprecht berouw getoond en spijt betuigd.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage psychologisch onderzoek d.d. 19 maart 2026, welke is opgesteld door M. de Klerk (GZ-psycholoog) en M. Steenbreker (GZ-psycholoog / rapporteur in opleiding). Hierin is onder andere – kort samengevat – opgenomen dat bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis in de vorm van ADHD, intellectuele disfuncties en een stoornis in het gebruik van middelen, welke sinds een jaar in remissie is. De ADHD en intellectuele disfuncties waren aanwezig tijdens het plegen van de ten laste gelegde feiten. Ten tijde van het plegen van – in ieder geval – de eerste twee feiten ervaarde de verdachte een hoge mate van emotionele spanning, gepaard gaand met gevoelens van boosheid en onmacht. Vanuit zijn ADHD en het beperkt in staat zijn tot mentaliseren, voortkomend uit zijn beperkingen in het intellectueel functioneren, heeft hij daardoor impulsief en ondoordacht gehandeld, zodat hij als licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt. De rechtbank neemt dit advies over. Er wordt een ambulant behandel- en begeleidingstraject geadviseerd als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke veroordeling, om het recidive risico te verminderen.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de reclasseringsadviezen d.d. 7 april 2026. Hierin is overwogen dat verdachte zich inmiddels realiseert wat de consequenties van zijn gedrag zijn, spijt heeft en bereid is om overal zijn medewerking aan te verlenen. Wanneer hij langer in detentie verblijft, zal hij zijn huisvesting verliezen. De verwachting is dat hij op korte termijn weer bij zijn werkgever terecht kan. De reclassering heeft schorsing van de voorlopige hechtenis onder algemene en bijzondere voorwaarden geadviseerd. Naar aanleiding hiervan is de voorlopige hechtenis van verdachte door de rechtbank geschorst met ingang van 15 april 2026.

De op te leggen straffen.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank ten aanzien van feit 2 aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. Ten aanzien van de feiten 1 en 3 heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De oriëntatiepunten en jurisprudentie dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De gevangenisstraf en taakstraf.

Gevangenisstraf

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 23 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr.

De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte, te weten voor de duur van 17 maanden, voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank overweegt hierbij dat de ernst van met name het eerste feit, tevens bezien in het licht van de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, in beginsel het opleggen van een gevangenisstraf van langere onvoorwaardelijke duur rechtvaardigt. De rechtbank ziet daarvan echter af, nu oplegging van een dergelijke straf zou betekenen dat de verdachte nog een deel van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou moeten ondergaan. De rechtbank begrijpt uit de hiervoor genoemde rapportage psychologisch onderzoek en het hiervoor genoemde reclasseringsadvies, dat het behouden van zijn woning, de mogelijkheid om te kunnen werken en een ambulant behandel- en begeleidingstraject te volgen, een recidivebeperkende werking zal hebben. Wanneer de verdachte wederom in detentie zou moeten verblijven, zou dit worden doorkruist. Dat acht de rechtbank niet in het belang van alle betrokkenen.

De rechtbank zal de verdachte daarbij een forse voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Deze gevangenisstraf zal niet ten uitvoer worden gelegd als de verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. Aan deze voorwaardelijke straf zullen ook de na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. De rechtbank wil aldus enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds invloed uitoefenen op het gedrag van de verdachte, opdat hij niet opnieuw een strafbaar feit begaat en zich houdt aan de bijzondere voorwaarden.

Gelet op de aard van het delicten en het recidivegevaar is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een soortgelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c lid 6 Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Met betrekking tot de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf overweegt de rechtbank in het bijzonder nog als volgt. De rechtbank realiseert zich dat het onvoorwaardelijk gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf, te weten 6 maanden, korter is dan de tijd die door verdachte reeds in voorlopige hechtenis is ondergaan (213 dagen). Het verschil bedraagt 33 dagen. De rechtbank acht het echter passend en geboden om naast de hiervoor genoemde gevangenisstraf verdachte een taakstraf op te leggen. Ingevolge het bepaalde in artikel 9, vierde lid Sr kan de rechtbank naast een gevangenisstraf alleen een taakstraf opleggen als het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel van de gevangenisstraf ten hoogste 6 maanden bedraagt. Ter compensatie van dit nadeel voor de verdachte, heeft de rechtbank de hoogte van de voorgenomen op te leggen gevangenisstraf met 33 dagen gematigd. De rechtbank was van plan een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en 3 dagen op te leggen, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr, waarvan 17 maanden voorwaardelijk.

Taakstraf

Daarnaast acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis indien deze taakstraf niet of niet naar behoren wordt verricht, passend en geboden.

De op te leggen maatregel.

Contact- en gebiedsverboden.

Ook zal de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen als bedoeld in artikel 38vSr, bestaande uit contact- en gebiedsverboden zoals nader te melden, voor de duur van 3 jaren. De gebiedsverboden betreffen de woonadressen van [slachtoffer] en [partner slachtoffer] en het werkadres van [slachtoffer] . Nu de werkgever van [partner slachtoffer] tevens de werkgever van verdachte is, zal de rechtbank geen gebiedsverbod voor het werkadres van [partner slachtoffer] opleggen.

Voor elke keer dat de verdachte de op te leggen verboden overtreedt, zal vervangende hechtenis van één week worden opgelegd. De totale duur van de vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 6 maanden. De maatregel wordt ten aanzien van [slachtoffer] opgelegd in verband met de feiten 1, 2 en 3 en ten aanzien van [partner slachtoffer] en zijn dochters in verband met feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de contact- en gebiedsverboden voor een periode van 3 jaren noodzakelijk zijn om de kans dat [slachtoffer] , [partner slachtoffer] en zijn dochters met de verdachte worden geconfronteerd te minimaliseren en voor hen allen om zich veilig te kunnen voelen.

Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich belastend zal gedragen jegens met name [slachtoffer] en [partner slachtoffer] , zal de rechtbank bevelen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 737,13 aan materiële en een bedrag van

€ 30.000,-- aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de materiële gevorderde schade kan worden toegekend. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade stelt zij zich op het standpunt dat een redelijk bedrag dat kan worden toegewezen een bedrag van € 10.000 is. Voor het overige dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het toe te wijzen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding geen opmerkingen. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schadevergoeding stelt de verdediging zich op het standpunt dat de onderbouwing deels te maken heeft met feiten die niet op de tenlastelegging staan. Daarom dient de vordering voor dit gedeelte niet-ontvankelijk te worden verklaard, dan wel te worden gematigd.

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door de bewezen verklaarde feiten toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten immateriële schadevergoeding ten bedrag van € 5.500,-- en materiële schadevergoeding ten bedrage van € 737,13 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank komt – gelet op de aard en ernst van het bewezen verklaarde, de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend en de bedragen die worden genoemd in de Rotterdamse Schaal – een bedrag van € 5.500,-- billijk voor.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien het overige gedeelte van de gevorderde immateriële schadevergoeding, te weten een bedrag van € 24.500,--. De rechtbank is van oordeel dat behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert nu door de rechtbank niet zonder meer kan worden vastgesteld welke schade het directe gevolg is van de bewezenverklaarde feiten. Ook onderzoek naar de toekomstige schade zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

De benadeelde partij kan dit gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd jegens [slachtoffer] , zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [partner slachtoffer] .

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 7.500,-- aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling.

De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2025 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd jegens [partner slachtoffer] , zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [partner slachtoffer] komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [partner slachtoffer] , daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] .

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 7.500,-- aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank, maar merkt daarbij op dat zij zich afvraagt of zij recht heeft op hetzelfde bedrag als haar vader [partner slachtoffer] . Deze was namelijk rechtstreeks bij het incident betrokken, terwijl [benadeelde partij 1] boven in bed lag te slapen.

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 1.000,-- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank dat zij van oordeel is dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat de in art. 6:106, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen ook zonder dat concrete gegevens zijn aangevoerd waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. De angst en schrik die de ontploffing bij de benadeelde partij heeft veroorzaakt en het gevoel van onveiligheid in de eigen woning die daarmee gepaard gaat is voor de hand liggend.

De rechtbank komt – gelet op de aard en ernst van het bewezen verklaarde, de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend en de bedragen die worden genoemd in de Rotterdamse Schaal – een bedrag van € 1.000,-- billijk voor en zal dit gedeelte van de vordering dan ook toewijzen.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige gedeelte van de vordering, te weten de meer gevorderde immateriële schadevergoeding ten bedrage van € 6.500,--.

De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd jegens [benadeelde partij 1] , zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] .

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 7.500,-- aan immateriële schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank, maar merkt daarbij op dat zij zich afvraagt of zij recht heeft op hetzelfde bedrag als haar vader [partner slachtoffer] . Deze was namelijk rechtstreeks bij het incident betrokken, terwijl [benadeelde partij 2] boven in bed lag te slapen.

Beoordeling.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering, te weten immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 1.000,-- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank dat zij van oordeel is dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat de in art. 6:106, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen ook zonder dat concrete gegevens zijn aangevoerd waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. De angst en schrik die de ontploffing bij de benadeelde partij heeft veroorzaakt en het gevoel van onveiligheid in de eigen woning die daarmee gepaard gaat is voor de hand liggend.

De rechtbank komt – gelet op de aard en ernst van het bewezen verklaarde, de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend en de bedragen die worden genoemd in de Rotterdamse Schaal – een bedrag van € 1.000,-- billijk voor en zal dit gedeelte van de vordering dan ook toewijzen.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in het overige gedeelte van de vordering, te weten de meer gevorderde immateriële schadevergoeding ten bedrage van € 6.500,--.

De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd jegens [benadeelde partij 2] , zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij 2] , daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 57, 60a, 157, 285, 350 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Bewezenverklaring:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Kwalificatie en strafbaarheid:

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1:

opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is

t.a.v. feit 2:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken

t.a.v. feit 3:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Oplegging van straf en maatregelen:

Legt op de volgende straffen en maatregelen.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

En stelt als bijzondere voorwaarden:

Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder de nummers 1 en 2 en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen; en

- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, beveelt de rechter, gelet op artikel 14e Wetboek van Strafrecht dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:

- een contactverbod voor de duur van 3 jaren.

Dit contactverbod houdt in dat veroordeelde gedurende 3 jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met:

- mevrouw [slachtoffer] , geboren op [1983] te [geboorteplaats 2] (t.a.v. feit 1, 2, 3);

- mevrouw [benadeelde partij 2] , geboren op [2009] te [geboorteplaats 3] (t.a.v. feit 1);

- mevrouw [benadeelde partij 1] , geboren op [2007] te [geboorteplaats 4] (t.a.v. feit 1); en

- de heer [partner slachtoffer] , geboren op [1981] te [geboorteplaats 5] (t.a.v. feit 1).

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

De totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:

- een locatiegebod voor de duur van 3 jaren.

Dit gebiedsverbod houdt in dat veroordeelde gedurende 3 jaren zich niet zal ophouden/bevinden op of in de directe nabijheid (binnen een straal van 200 meter) van voornoemde straten:

- [adres 2] , Nederland;

- [adres 3] , Nederland; en

- [adres 4] , Nederland;

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

De totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon of bepaalde personen, beveelt de rechter, gelet op artikel 38v, vierde lid, Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.

Benadeelde partij [slachtoffer] :

t.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:

- Schadevergoedingsmaatregel:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van 6.237,13 euro.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 56 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit 737,13 euro materiële schadevergoeding en 5.500 euro immateriële schadevergoeding.

De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

-Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer] , van een bedrag van 6.237,13 euro, bestaande uit 737,13 euro materiële schadevergoeding en 5.500 euro immateriële schadevergoeding.

De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

- Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

- Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde [slachtoffer] bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Benadeelde partij [partner slachtoffer] :

t.a.v. feit 1:

- Schadevergoedingsmaatregel:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [partner slachtoffer] , van een bedrag van 7.500 euro.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 62 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding.

De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

- Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [partner slachtoffer] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [partner slachtoffer] , van een bedrag van 7.500 euro, bestaande uit immateriële schadevergoeding.

De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

- Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde [partner slachtoffer] bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Benadeelde partij [benadeelde partij 1] :

t.a.v. feit 1:

- Schadevergoedingsmaatregel:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 1] , van een bedrag van 1.000 euro.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding.

De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

-Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 1] , van een bedrag van 1.000 euro, bestaande uit immateriële schadevergoeding.

De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

- Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

- Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde [benadeelde partij 1] bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Benadeelde partij [benadeelde partij 2] :

t.a.v. feit 1:

- Schadevergoedingsmaatregel:

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij 2] , van een bedrag van 1.000 euro.

Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding.

De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

- Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] :

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde partij 2] , van een bedrag van 1.000 euro, bestaande uit immateriële schadevergoeding.

De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

- Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.

Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde [benadeelde partij 2] bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.

Voorlopige hechtenis:

Heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. De voorlopige hechtenis is reeds met ingang van 15 april 2026 geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.M. Hettinga, voorzitter,

mr. E.M.J. Raeijmaekers en mr. I.C. Meuris, leden,

in tegenwoordigheid van mr. F.H.R.M. Robbers, griffier,

en is uitgesproken op 01 juni 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.M. Hettinga
  • mr. E.M.J. Raeijmaekers
  • mr. I.C. Meuris

Griffier

  • mr. F.H.R.M. Robbers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand